Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BJ3945

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-07-2009
Datum publicatie
29-07-2009
Zaaknummer
200.016.600-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

IPR. Echtscheiding. Toepasselijk recht op huwelijksgoederenregime. Kinder- en partneralimentatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 1 juli 2009

Zaaknummer : 200.016.600/01

Rekestnrs. rechtbank : F2 RK 08-116 en 08-672

[Verzoekster]

wonende te [woonplaats],

verzoekster, tevens incidenteel verweerster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. D. Vermaat, kantoor houdende te Barendrecht,

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder, tevens incidenteel verzoeker, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. V.K.S. Deetman, kantoor houdende te Rotterdam.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 26 september 2008 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank Rotterdam van 10 juli 2008.

De vader heeft op 22 januari 2009 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.

De moeder heeft op 5 maart 2009 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

Van de zijde van de vader zijn bij het hof op 31 oktober 2008 en 9 april 2009 aanvullende stukken ingekomen.

Op 23 april 2009 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de moeder, bijgestaan door mr. A.J.C. Nuijten, en de vader, bijgestaan door zijn advocaat. Voorts is aan de zijde van de moeder verschenen mevrouw F. Aksac-Bekdemir, tolk in de Turkse taal. De aanwezigen hebben het woord gevoerd, de raadslieden van partijen onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotities.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is, voor zover hier van belang:

- tussen partijen de echtscheiding uitgesproken;

- bepaald dat de vader aan de moeder met ingang van het tijdstip waarop de echtscheidingsbeschikking is of zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (hierna: kinderalimentatie) van de hierna nader te noemen minderjarige, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, zal uitkeren € 435,- per maand.

- ten laste van de vader aan de moeder een uitkering tot levensonderhoud (hierna te noemen: partneralimentatie) toegekend van € 700,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen het eerst op de dag dat de echtscheidingsbeschikking is of zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand tot 4 februari 2009 en de echtelijke woning is verkocht en geleverd, dan wel € 817,- per maand na 4 februari 2009 en de echtelijke woning is verkocht en geleverd, dan wel € 114,- per maand na 4 februari 2009 als de echtelijke woning niet is verkocht en geleverd;

- bepaald dat Turks recht van toepassing is op het huwelijksgoederenregime;

Tevens is alvorens verder te beslissen bepaald dat de behandeling van de zaak ten aanzien van de afwikkeling van het huwelijksgoederenregime wordt aangehouden teneinde partijen in de gelegenheid te stellen dit verder in onderling overleg te regelen.

De moeder heeft de Turkse nationaliteit en de vader heeft de Turkse en de Nederlandse nationaliteit.

De ouders zijn op 5 augustus 1997 te [plaatsnaam], Turkije gehuwd.

Uit dit huwelijk is geboren de thans nog minderjarige:

[naam kind], geboren [in 1999] te [geboorteplaats], hierna te noemen: de minderjarige.

De minderjarige verblijft bij de moeder.

De echtscheidingsbeschikking is op 28 oktober 2008 in de registers van de burgerlijke stand ingeschreven.

De echtelijke woning is verkocht en op 15 november 2008 geleverd.

Hieronder zal het hof zonodig op hele bedragen afronden.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil zijn:

- het toepasselijk recht op het huwelijksgoederenregime;

- de kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarige; alsmede

- de partneralimentatie.

2. De moeder verzoekt de bestreden beschikking ten aanzien van beslissing omtrent het toepasselijk recht op het huwelijksvermogensregime te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te verklaren dat Nederlands recht op het huwelijksgoederenregime van toepassing is, met veroordeling van de vader in de kosten van het hoger beroep.

3. De vader bestrijdt het beroep en verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen en verzoekt in incidenteel appel de kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarige te bepalen op € 321,- per maand, de partneralimentatie ten behoeve van de moeder te bepalen op € 242,- per jaar gedurende één jaar vanaf de datum beschikking, althans een zodanige bijdrage en op zodanige termijn als het hof vermeent te behoren, met veroordeling van de moeder in de kosten van het geding in beide instanties.

4. De moeder verzoekt de vader in zijn verzoek in incidenteel appel niet-ontvankelijk te verklaren, althans dit beroep ongegrond te verklaren, met veroordeling van de vader in de kosten van het geding in beide instanties.

Huwelijksgoederenregime

5. De moeder stelt zich in het principale appel kort samengevat op het standpunt dat de rechtbank in de bestreden beschikking ten onrechte heeft geoordeeld dat Turks recht op het huwelijksvermogensregime van toepassing is. Volgens de moeder is op grond van artikel 4, tweede lid, sub 3 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 (hierna: het Verdrag) over de periode van 5 augustus 1997 (huwelijkssluiting) tot 31 augustus 1998 (vestiging moeder bij de vader in Nederland) Turks recht, en op grond van artikel 7, tweede lid, sub 3, van het Verdrag vanaf 31 augustus 2008 Nederlands recht van toepassing op het huwelijksvermogensregime. De vader heeft dit gemotiveerd bestreden.

6. Het hof overweegt als volgt. Nu partijen voor het huwelijk het op hun huwelijksvermogensregime toepasselijke recht niet hebben aangewezen, is artikel 4 van het Verdrag van toepassing.

7. Het hof is van oordeel dat de vader, gelet op de betwisting door de moeder, onvoldoende heeft aangetoond dat partijen na de huwelijkssluiting zijn gaan samenwonen in Turkije. De verklaring uit 2008 die de vader daartoe heeft overgelegd acht het hof te weinig specifiek. Het hof leidt uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting dat de vader kort na de huwelijkssluiting –op 14 augustus 1997- Turkije heeft verlaten en teruggekeerd is naar Nederland, en dat de moeder zich op 31 augustus 1998, nadat zij een machtiging voorlopig verblijf heeft verkregen, bij hem in Nederland heeft gevestigd.

Nu partijen aldus hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk niet op het grondgebied van dezelfde staat hebben gevestigd, wordt het huwelijksvermogensregime van partijen op grond van het tweede lid van artikel 4, sub 3, van het Verdrag beheerst door het interne recht van de staat van hun gemeenschappelijke nationaliteit, ofwel door het Turkse recht.

8. Vanaf het moment dat de moeder zich tevens in Nederland heeft gevestigd, te weten 31 augustus 1998, is het huwelijksvermogensregime van partijen ingevolge artikel 7, derde lid, van het voornoemde verdrag, automatisch gewijzigd in Nederlands recht. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het Verdrag geldt deze automatische wijziging slechts voor die vermogensbestanddelen die na de wijziging door partijen zijn verkregen.

Kinderalimentatie

Behoefte (kosten) minderjarige

9. De vader stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de behoefte van de minderjarige € 435,- per maand bedraagt. Gelet op het netto gezinsinkomen van € 2.531,- bedraagt de behoefte van de minderjarige volgens de vader € 355,-.

10. De moeder stelt zich op het standpunt dat de vader tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg heeft ingestemd met het door de moeder verzochte bedrag van € 435,- per maand. Daarnaast geldt dat zij de redenering van de vader ten aanzien van de behoefte niet kan volgen. Indien wordt uitgegaan van een bedrag van € 2.351,- (het hof leest: € 2.531,-) per maand dan bedraagt de behoefte € 380,- per maand, aldus de moeder.

11. Blijkens de bestreden beschikking heeft de vader ter zitting in eerste aanleg ingestemd met de behoefte (de kosten) van de minderjarige te stellen op € 435,- per maand. De instemming is kennelijk ingegeven door de individuele situatie van deze minderjarige. De rechtbank heeft de hoogte van de kosten derhalve niet aan de hand van de standaardbedragen als vermeld in de trema normen vastgesteld. De onderbouwing van de stelling van de vader dat de behoefte van de minderjarige op een lager bedrag moet worden vastgesteld acht het hof onvoldoende, nu de vader deze stelling uitsluitend baseert op de toepassing van de trema normen. Aldus gaat het hof ervan uit dat de kosten van de minderjarige € 435,- per maand bedragen.

Draagkracht vader

12. Het hof gaat bij de bepaling van de draagkracht van de vader uit van het inkomen uit arbeid van € 3.865,- bruto per maand exclusief vakantieuitkering en 13e maand, zoals dat blijkt uit de overgelegde salarisspecificaties over januari en februari 2009. Ook gaat het hof er van uit dat de vader een bonus ontvangt.

13. Het hof houdt bij de berekening van de draagkracht rekening met de arbeidskorting en de algemene heffingskorting. Het hof gaat uit van de bijstandsnorm voor een alleenstaande. Voorts zal het hof de door de vader in hoger beroep gestelde lasten in de beoordeling betrekken.

14. Ten aanzien van de woonlasten houdt het hof rekening met de opgevoerde huur van € 787,- per maand, nu de moeder niet, althans onvoldoende heeft onderbouwd dat de vader thans woonachtig is bij zijn moeder.

Het hof houdt geen rekening met de door de vader opgevoerde bedragen inzake energiekosten en overige woonlasten ten bedrage van € 200,- per maand, aangezien deze bedragen in de bijstandnorm zijn verdisconteerd.

15. Voorts houdt het hof rekening met een nominale premie ziektekosten van € 100,- per maand. Het hof houdt geen rekening met de premie eigen risico ziektekostenverzekering van € 13,- per maand, nu de vader niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze kosten daadwerkelijk zijn gemaakt.

16. Voorts heeft de vader de post rente en aflossing op de schulden van € 427,- per maand in zijn draagkrachtberekening opgevoerd. De moeder heeft deze last betwist. Ter terechtzitting heeft de vader gesteld dat dit bedrag thans € 600,- per maand bedraagt. Nu de vader het hogere bedrag onvoldoende heeft onderbouwd, houdt het hof rekening met een bedrag van € 427,- per maand, aangezien de vader het bestaan van een aflossingsverplichting voor deze schulden aannemelijk heeft gemaakt.

17. Het hof houdt geen rekening met de door de door de moeder bestreden post herinrichtingskosten van € 125,- per maand, nu de vader deze post onvoldoende heeft onderbouwd.

18. Het hof houdt, gelet op de tremanormen, rekening met een bedrag van € 114,- per maand aan de door de vader opgevoerde advocaatkosten gedurende ten hoogste een jaar. Nu bij de vaststelling van de kinderalimentatie in het kader van de voorlopige voorzieningenprocedure reeds met deze advocaatkosten rekening is gehouden, is de termijn van een jaar aangevangen per datum voorlopige voorzieningen. Het hof zal dan ook, evenals de rechtbank, rekening houden met de advocaatkosten tot 4 februari 2009.

19. Voorts houdt het hof rekening met de niet door de moeder bestreden post omgangskosten van € 60,- per maand.

20. Uit dit alles volgt dan ook dat de draagkracht van de vader een alimentatie voor de minderjarige toelaat van € 435,- per maand.

Partneralimentatie

Behoefte moeder

21. De vader stelt dat de rechtbank ten onrechte de behoefte van de moeder heeft bepaald op 60% van het netto-gezinsinkomen minus de kosten kinderen. Hij stelt dat de behoefte van de moeder lager is, omdat zij geen woonlasten heeft. Bovendien kan de moeder in staat worden geacht om minimaal € 1.000,- netto per maand te verdienen. Hij meent dan ook dat het redelijk is om af te wijken van de door de rechtbank gehanteerde 60%-norm, de behoefte dient volgens de vader te worden vastgesteld op een bedrag van 40% van het netto-gezinsinkomen (€ 2.531,- minus € 355,- x 40%), te weten:

€ 870,- per maand. Bovendien stelt hij dat haar behoefte één jaar na de te wijzen beschikking op nihil dient te worden gesteld, omdat zij dan geheel in haar eigen levensonderhoud kan voorzien.

22. De moeder heeft de berekening van haar behoefte door de vader gemotiveerd besproken.

23. Het hof overweegt als volgt. Voor het bepalen van de behoefte van de moeder geldt als uitgangspunt het netto gezinsinkomen voordat partijen uit elkaar gingen. De vader heeft onweersproken gesteld dat partijen vanaf september 2007 feitelijk van elkaar gescheiden leven, zodat het hof uitgaat van het netto gezinsinkomen uit dat jaar. Tussen partijen staat vast dat de vader kostwinner was en een netto salaris ontving van (afgerond) € 2.531,- per maand, exclusief vakantiegeld. Bovendien ontving hij een bonus en een 13e maand. In het loon is voorts begrepen een werkgeversbijdrage in de premie Zorgverzekering van € 187,- per maand. De moeder verwierf ten tijde van het uiteengaan van partijen geen inkomen. Het hof gaat dan ook uit van een netto gezinsinkomen van € 3.171,- per maand. De kinderalimentatie bedraagt € 435,-.

Het hof is gebleken dat de moeder thans een huur per maand betaalt van € 700,-. Gelet op de zorg die de moeder voor de minderjarige heeft en het feit dat zij de Nederlandse taal nog niet geheel machtig is, is het hof van oordeel dat zij op dit moment nog niet in staat kan worden geacht om geheel dan wel gedeeltelijk in haar levensonderhoud te voorzien. Vooralsnog is het hof van oordeel dat de moeder gelet op haar werkervaring en de taallessen Nederlands die de moeder heeft gevolgd en thans volgt, van oordeel dat de moeder in staat moet worden geacht om binnen twee jaren deels in haar eigen levensonderhoud te voorzien.

Het hof ziet onder de gegeven omstandigheden geen aanleiding om af te wijken van de 60%-norm. Het hof acht een netto behoefte van € 1.257,- per maand zoals door de rechtbank is vastgesteld, dan ook geenszins onredelijk.

Draagkracht vader

24. Gelet op rechtsoverwegingen 8 tot met 16 volgt dat de draagkracht van de vader een alimentatie voor de moeder toelaat:

- met ingang van 28 oktober 2008 tot 4 februari 2009 een bedrag van € 287,- per maand;

- met ingang van 4 februari 2009 een bedrag van € 380,- per maand.

Duur partneralimentatie

25. Ten aanzien van de limitering van de partneralimentatie overweegt het hof als volgt. In verband met de ingrijpende gevolgen van limitering dienen hoge eisen te worden gesteld aan de te stellen en zonodig te bewijzen bijzondere omstandigheden die limitering rechtvaardigen. Het hof is van oordeel dat door de man geen zodanige bijzondere feiten en omstandigheden zijn gesteld. Het hof zal het betreffende verzoek van de vader dan ook afwijzen.

Proceskostenveroordeling

26. Gelet op de aard van de zaak zal het hof de proceskosten compenseren in beide instanties.

27. Mitsdien beslist het hof als volgt.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover daarin een uitkering tot levensonderhoud van de moeder ten laste van de vader is vastgesteld en bepaald is dat en dat Turks recht op het huwelijksgoederenregime van toepassing is, en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt de uitkering tot levensonderhoud van de moeder ten laste van de vader

- met ingang van 28 oktober 2008 tot 4 februari 2009 op € 287,- per maand;

- met ingang van 4 februari 2009 op € 380,- per maand;

bepaalt dat tot 31 augustus 1998 Turks recht van toepassing is op het huwelijksgoederenregime;

bepaalt dat met ingang van 31 augustus 1998 Nederlands recht van toepassing is op die vermogensbestanddelen die partijen na 31 augustus 1998 hebben verkregen;

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij in beide instanties de eigen kosten draagt;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Dusamos, Kamminga en Van der Poll, bijgestaan door mr. De Klerk, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 juli 2009.