Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BJ3775

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-06-2009
Datum publicatie
29-07-2009
Zaaknummer
200.009.553-01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:BM7676, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2010:BM7676
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie: nieuwe grond in appel aangevoerd. Geen wijziging van omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 10 juni 2009

Zaaknummer : 200.009.553.01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 07-5017

[De man],

wonende te [woonplaats],

verzoeker, tevens verweerder in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. J.M. Wigman, te ‘s-Gravenhage,

tegen

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

verweerster, tevens verzoekster in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. P.G. Knoppers, te Utrecht.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 30 juni 2008 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 1 april 2008 van de rechtbank ’s-Gravenhage.

De vrouw heeft op 29 september 2008 een verweerschrift, tevens houdende voorwaardelijk incidenteel appel, ingediend.

De man heeft op 10 november 2008 een verweerschrift op het voorwaardelijk incidenteel appel ingediend.

Van de zijde van de man zijn bij het hof op 30 januari 2009 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de vrouw is bij het hof op 4 februari 2009 een brief ingekomen, inhoudende een reaktie op voornoemde brief van de zijde van de man.

Op 12 februari 2009 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door zijn advocaat, en de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. Partijen hebben het woord gevoerd, de advocaat van de vrouw onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnota. De vrouw is in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken na 12 februari 2009 stukken met betrekking tot haar behoefte in het geding te brengen (met name recente salarisspecificaties en de aangiften en aanslagen Inkomstenbelasting) en de man is in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken na ontvangst op die stukken te reageren.

Nadien is van de zijde van de vrouw op 23 februari 2009 een akte houdende overlegging van stukken ingekomen, alsmede een voorwaardelijke vermeerdering van eis in de incidentele vordering met de daarbij behorende producties 1A en 2A.

Van de zijde van de man is op 13 maart 2009 een reaktie ingekomen op de stukken van de vrouw (zowel van de man zelf als van zijn advocaat), alsmede de vaststellingsovereenkomst bij dit hof van 4 april 2006.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking zijn de verzoeken van de man en de vrouw, strekkende tot wijziging van de bij beschikking van de rechtbank ´s-Gravenhage van 8 november 2005 vastgestelde bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw (€ 1.000,- per maand), afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil is de door de man te betalen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw.

2. De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende, zijn inleidend verzoek alsnog toe te wijzen.

3. De vrouw bestrijdt zijn beroep en verzoekt in voorwaardelijk incidenteel appel niet uit te gaan van een besteedbaar inkomen van de man van € 3.429,33 per maand maar eerst de man te verplichten zijn meest recente inkomensgegevens over te leggen. De man verzoekt het incidenteel appel af te wijzen, althans ongegrond te verklaren.

4. Bij akte van 23 februari 2009 heeft de vrouw haar eis vermeerderd in het geval het hof van mening is dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden. Alsdan verzoekt de vrouw, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de door de man aan haar te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud met ingang van de datum van de door het hof te geven beschikking te bepalen op € 1.500,- per maand, te voldoen voor de eerste van iedere maand. Met ingang van 1 september 2009 verzoekt de vrouw de door de man aan haar te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud te bepalen op € 1.500,- per maand, vermeerderd met het bedrag waarmee de uitkering van de vrouw wordt verlaagd, begroot op circa € 300,-, te weten € 1.800,- per maand, te voldoen voor de eerste van iedere maand.

5. Ter terechtzitting heeft het hof de vrouw in de gelegenheid gesteld om nog stukken ter onderbouwing van haar behoefte in het geding te brengen en de wederpartij is in de gelegenheid gesteld om op die stukken te reageren. De man maakt in zijn reactie op de door de vrouw in het geding gebrachte stukken bezwaar tegen de door de vrouw verzochte voorwaardelijke vermeerdering van eis.

6. De man heeft aan zijn inleidend verzoek ten grondslag gelegd dat de omstandigheden zijn gewijzigd in de zin van artikel 1:401 BW, waardoor de de beschikking van 8 november 2005 niet langer aan de wettelijke maatstaven voldoet. De man heeft, voor zover thans van belang, daartoe aangevoerd dat hij destijds een hypothecaire geldlening heeft afgesloten met een variabel rentepercentage, welk rentepercentage inmiddels is gestegen waardoor zijn woonlasten zijn toegenomen. Voorts heeft de man aan zijn inleidend verzoek ten grondslag gelegd dat zijn inkomen in 2006 is gedaald naar € 54.822,- per jaar als gevolg van het op 1 januari 2006 in werking getreden nieuwe zorgstelsel. Verder heeft de man aan zijn inleidend verzoek ten grondslag gelegd dat hij vanaf het derde kwartaal 2006 niet langer een fiscale forfaitaire aftrek ter zake kinderalimentatie geniet, omdat dochter Patricia sindsdien een HBO opleiding volgt en dientengevolge recht heeft op een studiebeurs.

7. De man heeft in hoger beroep vier grieven tegen de bestreden beschikking aangevoerd. Met deze grieven verzet de man zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de gestelde rentewijziging van de hypothecaire geldlening, de inkomensachteruitgang als gevolg van het nieuwe zorgstelsel, het wegvallen van forfaitair fiscaal voordeel van € 44,- per maand en het vervallen van het fiscale voordeel ter zake de betaling van kinderalimentatie, niet kunnen worden aangemerkt als een wijziging van omstandigheden die een wijziging in het levensonderhoud van de vrouw rechtvaardigt. De vrouw heeft de grieven van de man gemotiveerd betwist.

8. Het hof verenigt zich met betrekking tot de door de man gestelde wijzigingen van omstandigheden met het oordeel van de rechtbank en de gronden waarop dat berust. Ten aanzien van de hypothecaire geldlening merkt het hof nog op dat de keuze voor het afsluiten van een lening met een variabele rente nu eenmaal het risico op eventuele hogere woonlasten met zich brengt, waar tegenover staat het voordeel van lagere lasten bij daling van de rente. De rentefluctuaties behoren niet voor risico van de vrouw te komen. Het hof is van oordeel dat door de man in hoger beroep geen feiten of omstandigheden zijn gesteld die een andere dan de door de rechtbank genomen beslissing zouden rechtvaardigen.

9. Voor het eerst in hoger beroep heeft de man een vijfde wijziging van omstandigheden aangevoerd, inhoudende dat de behoefte van de vrouw is gewijzigd en dat zij geacht wordt volledig in eigen levensonderhoud te kunnen voorzien. Gelet hierop is de vrouw ter terechtzitting in hoger beroep in de gelegenheid gesteld om na het sluiten van de mondelinge behandeling stukken met betrekking tot haar behoefte in het geding te brengen en de man is in de gelegenheid gesteld om op die stukken te reageren.

10. Ten aanzien van de na de zitting overgelegde stukken oordeelt het hof als volgt. Het hof passeert de stelling van de man dat de vrouw samenwoont met haar partner als waren zij gehuwd, aangezien de man deze stelling voor het eerst na het sluiten van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft geponeerd en de vrouw zich tegen die stelling niet meer heeft kunnen verweren. De man heeft de behoefteberekening van de vrouw, alsmede de door haar gestelde behoefte van € 2.300,- netto per maand, niet betwist. Het hof deelt de mening van de man dat de vrouw geen volledige inzage in haar financiële positie heeft gegeven, doch uit de aan het hof overgelegde stukken maakt het hof op dat haar financiële positie sinds 2006 niet in positieve zin is veranderd. De vrouw ontvangt nog steeds een wao-uitkering van € 942,65 per maand. Het hof passeert het vermoeden van de man dat de vrouw een eigen onderneming drijft, gelet op de voorlopige aanslagen Inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet. Uit de overgelegde stukken leidt het hof niet af dat de vrouw een eigen onderneming drijft, naast het feit dat het hof zulks niet aannemelijk acht, gelet op haar WAO-uitkering. Het hof neemt aan dat de voorlopige aanslagen Zorgverzekeringswet een gevolg zijn van de door de man aan de vrouw betaalde alimentatie.

11. Gezien het vorenstaande levert ook de door de man gestelde vijfde wijziging van omstandigheden geen wijziging op die een bijstelling van de onderhoudsbijdrage ten behoeve van de vrouw rechtvaardigt. Nu zich naar het oordeel van het hof geen wijzigingen hebben voorgedaan die een wijziging van de onderhoudsbijdrage ten behoeve van de vrouw rechtvaardigen, komt het hof niet toe aan bespreking van het voorwaardelijk incidenteel appel van de vrouw.

12. Het hof passeert het verzoek van de vrouw om met ingang van september 2009 rekening te houden met een inkomensachteruitgang tot 70% van het minimumloon, met als gevolg dat haar behoefte daardoor met circa € 300,- per maand achteruit zal gaan en zij alsdan een bijdrage van € 1.800,- per maand verzoekt. Het hof acht het prematuur om thans met een dergelijke onzekere toekomstige gebeurtenis rekening te houden.

13. Uit het vorenstaande volgt dat de bestreden beschikking moet worden bekrachtigd.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Dusamos, van Nievelt en van Dijk, bijgestaan door Suderée als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 juni 2009.