Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BJ3679

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-06-2009
Datum publicatie
29-07-2009
Zaaknummer
200.016.257.01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Alimentatiezaak. Nieuwe grief ter zitting : In dit geval tardief.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 17 juni 2009

Zaaknummer : 200.016.257.01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 07-6482

[De vader],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. J.P. Verhaar-Kok,

tegen

[de moeder],

wonende te [woonplaats]

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. R. van Venetiën.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 16 september 2008 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank ’s-Gravenhage van 17 juni 2008.

De moeder heeft op 12 december 2008 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de vader zijn bij het hof op 18 september 2008, 14 oktober 2008 en 27 april 2009 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de moeder zijn bij het hof op 24 april 2009 aanvullende stukken ingekomen.

Op 6 mei 2009 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vader, bijgestaan door zijn advocaat, mr. J.P. Verhaar-Kok, en de moeder, bijgestaan door haar advocaat, mr. R. van Venetiën. Partijen hebben het woord gevoerd, de raadsvrouwe van de vader onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotities. De hierna te noemen minderjarige [de minderjarige sub 1] heeft ondanks uitnodiging daartoe van het hof niet schriftelijk zijn mening ten aanzien van de kinderalimentatie kenbaar gemaakt.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is onder meer het verzoek van de vader tot verlaging van de kinderalimentatie afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de kinderalimentatie voor de minderjarigen:

[de minderjarige sub 1], geboren [in] 1992 te [woonplaats] verder: [de minderjarige sub 1], en

[de minderjarige sub 2], geboren [in] 1994 te [woonplaats] verder: [de minderjarige sub 2],

hierna ook gezamenlijk te noemen: de minderjarigen, die bij de moeder verblijven.

2. De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen (het hof leest: voor zover het de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen betreft) en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen met ingang van 1 november 2007 op € 100,- per maand per kind wordt gesteld, dan wel op een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum als het hof in goede justitie redelijk acht.

3. De moeder heeft het beroep van de vader gemotiveerd weersproken. Zij heeft verzocht, zonodig onder verbetering van gronden en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de door de vader aangevoerde grieven niet kunnen leiden tot vernietiging van de bestreden beschikking.

4. In zijn eerste grief heeft de vader aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij zijn stelling dat hij genoodzaakt was om zijn café te verkopen niet dan wel onvoldoende heeft onderbouwd. De derde grief van de vader sluit daarbij aan. Volgens de vader heeft de rechtbank ook ten onrechte overwogen dat zich in zoverre geen zodanige wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan, die noopt tot een herbeoordeling van de vastgestelde kinderalimentatie. Naar het oordeel van het hof slaagt geen van deze grieven van de vader, waarbij het hof als volgt overweegt.

In de periode van mei 2001 tot in de loop van 2006 heeft de vader een café geëxploiteerd. In het kader van de vaststelling van de kinderalimentatie is de rechtbank bij echtscheidingsbeschikking van 28 juli 2003 uitgegaan van een gemiddeld netto-resultaat van € 38.087,- per jaar.

De vader heeft onweersproken gesteld dat hij werkweken maakte van 60 à 70 uren per week. Bovendien blijkt uit de overgelegde stukken dat de winst uit onderneming dalende was. Naar het oordeel van het hof viel ook niet te verwachten dat er in de (nabije) toekomst een stijging zou optreden in de winst uit onderneming. Het hof neemt daarbij mede in aanmerking het door de overheid ingevoerde rookverbod in de horeca. Thans heeft de vader een vaste aanstelling bij een vervoersmaatschappij. Mede gelet op de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat onder de geschetste omstandigheden de vader de keuze mocht maken om zijn onderneming te verkopen. In zoverre is er naar het oordeel van het hof sprake van een wijziging van omstandigheden. Thans dient te worden bezien, of sprake is van een zodanige wijziging dat het aanvankelijk vastgestelde alimentatiebedrag ten behoeve van de minderjarigen niet langer voldoet aan de wettelijke maatstaven.

5. In zijn tweede grief heeft de vader aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij zijn vermogen dient aan te wenden om de kinderalimentatie te blijven voldoen. Volgens de vader dient zijn huidige inkomenssituatie als uitgangspunt te worden genomen bij de vaststelling van zijn alimentatieverplichting. Zijn huidige partner is reeds geruime tijd deels arbeidsongeschikt. Hij teert reeds enige jaren in op zijn vermogen. Het (resterend) vermogen dient volgens de vader buiten beschouwing te worden gelaten, temeer daar hij niet of nauwelijks pensioen heeft opgebouwd.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Blijkens zijn salarisspecificaties over de maanden januari 2009 en februari 2009 ontvangt de vader een basissalaris van (afgerond) € 1.730,- bruto per maand exclusief vakantietoeslag. Daarnaast ontvangt hij diverse toeslagen en een onbelaste reiskostenvergoeding. De vader heeft verklaard dat zijn vermogen met name wordt gevormd door enig spaargeld (€ 20.000,-) en hetgeen hij heeft ontvangen bij de verkoop van zijn café (€ 40.000,-). Het hof is van oordeel dat de redelijkheid met zich meebrengt, mede gelet op de hoge prioriteit die aan de kinderalimentatie moet worden toegekend, dat de vader inteert op zijn vermogen om aan zijn alimentatieverplichting ten opzichte van de minderjarigen te kunnen voldoen. Dat de vader daardoor zijn vermogen niet kan aanwenden als reservering voor zijn pensioen doet daaraan niet af. Aldus heeft de vader voldoende draagkracht om de bij beschikking van 28 juli 2003 opgelegde kinderalimentatie te voldoen, zodat de bestreden beschikking – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – in stand dient te blijven.

6. Eerst ter terechtzitting heeft de vader aangevoerd dat de moeder in staat kan worden geacht meer bij te dragen in de kosten van de minderjarigen en dat [de minderjarige sub 1] sedert 1 januari 2009 geen dagonderwijs meer volgt maar in loondienst is en beschikt over eigen inkomsten. Ter zitting heeft de moeder beide stellingen van de vader gemotiveerd weersproken.

Het hof is van oordeel dat in het stadium waarin het geding zich thans bevindt, geen nieuwe grieven van essentiële aard meer kunnen worden aangevoerd, tenzij deze zodanig worden onderbouwd dat de zaak niet behoeft te worden aangehouden om de verdediging in de gelegenheid te stellen daarop onderbouwd te reageren. Het hof beschouwt deze grieven derhalve als tardief. Ten aanzien van de inkomsten van [de minderjarige sub 1] overweegt het hof ten overvloede dat de stelling van de vader betrekking heeft op een periode die volgens de moeder zeer beperkt is, zodat aannemelijk is dat [de minderjarige sub 1] nog immer behoefte heeft aan een bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud.

7. Hetgeen partijen ieder voor zich voorts nog naar voren hebben gebracht behoeft, gelet op het vorenstaande, naar het oordeel van het hof geen bespreking meer, omdat dat niet tot een ander oordeel kan leiden.

8. Mitsdien moet als volgt worden beslist.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Dusamos, Labohm en De Haan-Boerdijk, bijgestaan door mr. Berkelaar als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 juni 2009.