Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BJ3580

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-06-2009
Datum publicatie
06-08-2009
Zaaknummer
200.006.681.01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitgebreide uitspraak omtrent een verdeling van de gemeenschap na echtscheiding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 17 juni 2009

Zaaknummer : 200.006.681.01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 05-4859

[verzoekster]

wonende te [woonplaats],

verzoekster, tevens incidenteel verweerster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. S.C. Meijler te Wassenaar,

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder, tevens incidenteel verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt te ‘s-Gravenhage.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vrouw is op 7 mei 2008 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank

‘s-Gravenhage van 8 februari 2008.

De man heeft op 12 augustus 2008 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.

Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof op 12 juni 2008 en 20 juni 2008 aanvullende stukken ingekomen.

Op 17 april 2009 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, en de man, bijgestaan door zijn advocaat. Partijen hebben het woord gevoerd, de advocaat van de vrouw onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotitie.

Nadien zijn, volgens afspraak ter zitting, de volgende stukken bij het hof ingekomen:

- een brief met bijlage van de zijde van de man, ingekomen op 30 april 2009;

- een reactie hierop van de zijde van de vrouw, ingekomen op 11 mei 2009.

Nu ter terechtzitting is afgesproken dat de man alleen informatie aan het hof zou doen toekomen over de rekening-courantschuld aan [B.V. X]., zal het hof de overige in de brief van de man van 30 april 2009 gegeven informatie en opmerkingen buiten beschouwing laten.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de beschikking van de rechtbank ’s-Gravenhage van 2 juni 2006 en de bestreden beschikking. Bij de bestreden beschikking is het verzoek van de vrouw om tot verdeling van de huwelijksgemeenschap over te gaan, afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPAAL EN HET INCIDENTEEL HOGER BEROEP

1. In geschil is de verdeling van de huwelijksgoederen gemeenschap.

2. De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende – uitvoerbaar bij voorraad – primair te gelasten de scheiding en deling van de tussen partijen bestaande gemeenschap van goederen en de wijze van verdeling vast te stellen, en subsidiair de man te veroordelen om met de vrouw over te gaan tot scheiding en deling van de gemeenschap van goederen waarin partijen zijn gehuwd en met benoeming van een notaris en een onzijdig persoon volgens de wet, althans een zodanige beslissing te nemen als dit hof in goede justitie zal vermenen te behoren.

3. De man bestrijdt haar beroep en verzoekt het hof (het hof begrijpt in incidenteel appel) de bestreden beschikking te vernietigen voor zover hij daartegen grieven heeft gericht en opnieuw rechtdoende, zonodig met verbetering of aanvulling van gronden, uitvoerbaar bij voorraad:

primair: de verdeling van de huwelijksgemeenschap van partijen vast te stellen conform hetgeen de man in zijn verweerschrift heeft gesteld, en

subsidiair: de vrouw te veroordelen om met de man over te gaan tot scheiding en deling van de huwelijksgemeenschap van partijen, met benoeming van een onzijdig persoon volgens de wet.

4. Het hof ziet aanleiding om het principaal en incidenteel appel gezamenlijk te behandelen.

5. De vrouw stelt in haar eerste en enige grief dat de rechtbank de zaak ten onrechte niet heeft aangehouden, ondanks verzoeken daartoe van beide partijen. De rechtbank heeft volgens de vrouw door het verzoek om uitstel niet te honoreren ten onrechte het verzoek van de vrouw afgewezen op grond van het feit dat is nagelaten enig inzicht te verstrekken in de omvang en waarde van de gemeenschap.

6. De man is het eens met de eerste grief van de vrouw en stelt in incidenteel appel in zijn eerste en enige grief dat de rechtbank ten onrechte de zaak niet heeft aangehouden, ondanks een laatste uitstelverzoek van partijen samen. Daardoor heeft de rechtbank partijen ten onrechte en in strijd met de goede procesorde de mogelijkheid ontnomen hun verzoeken te wijzigen en aan te vullen en hun geschilpunten over de verdeling van hun huwelijksgemeenschap aldus aan de rechtbank voor te leggen.

7. Het hof is van oordeel dat partijen thans voldoende inzicht in de omvang en waarde van de gemeenschap hebben gegeven om te beslissen over de verdeling.

Peildatum

8. Partijen zijn het eens over de peildatum voor de bepaling van de omvang en de waardering van hun huwelijksgemeenschap. Zij stellen deze datum op 10 juni 2005. Het hof zal ook van deze datum uitgaan.

9. Het hof zal bij de bespreking van de boedelbestanddelen de volgorde hanteren van het overzicht van de huwelijksgoederengemeenschap dat de man heeft overgelegd als productie 1 bij zijn verweerschrift in hoger beroep.

Girorekening vrouw met nummer [A]

10. Partijen zijn het erover eens dat het saldo op deze girorekening € 0,- bedraagt en dat deze aan de vrouw zal worden toebedeeld. Het hof zal aldus beslissen.

Inboedel echtelijke woning

11. De vrouw wenst de inboedel te verdelen. Daarnaast ontkent zij de door de man opgenomen waarden van de inboedel. De man betwist de door de vrouw geschetste gang van zaken met betrekking tot de inboedel, en stelt dat er ook nog een piano in de inboedel valt. Hij verzoekt het hof de inboedel aan de vrouw toe te delen voor een bedrag van € 40.000,- onder verrekening van de waarde.

12. Het hof overweegt als volgt. Uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is niet gebleken uit welke goederen de inboedel bestaat en welke waarde deze goederen vertegenwoordigen. Het hof acht het aannemelijk dat de inboedelgoederen zoals deze in de voormalige echtelijke woning aanwezig waren, thans zijn opgeslagen en voor een (klein) gedeelte door de vrouw zijn meegenomen naar haar nieuwe woning. Gelet op het voorgaande zal het hof bepalen dat de inboedelgoederen die de vrouw heeft meegenomen dienen te worden getaxeerd door een door partijen aan te zoeken taxateur. De waarde van deze inboedelgoederen zal tussen partijen dienen te worden verrekend. De overige, opgeslagen, inboedelgoederen dienen te worden verkocht en de opbrengst van de verkoop zal tussen partijen moeten worden verdeeld. Met de vrouw acht het hof het niet redelijk deze inboedelgoederen aan de vrouw toe te delen, nu ook zij deze niet wenst te verkrijgen. De kosten van de taxateur en de verkoop zullen door beide partijen, ieder voor de helft, moeten worden gedragen.

Bankrekening ABN AMRO Bank [B], [C] en [D]

13. Partijen zijn het erover eens dat voornoemde rekeningen aan de man zullen worden toebedeeld, onder verrekening van de waarde. Tussen partijen is in geschil wat het saldo van voornoemde rekeningen was op de peildatum van 10 juni 2005.

14. Het hof overweegt als volgt. Het hof zal, onder verrekening van de saldi, de rekeningen aan de man toebedelen. Voor wat betreft het saldo van de rekeningen is het hof van oordeel dat rekening dient te worden gehouden – teruggerekend in de tijd vanaf de datum van het laatste overgelegde bankafschrift met het daarop vermelde (eind)saldo - met alle bij- en afschrijvingen tot en met 10 juni 2005, nu dit de peildatum is en per die datum bezien moet worden welke de waarde is van alle boedelbestanddelen. Uit de door de man bij zijn verweerschrift overgelegde producties 4 tot en met 6 blijkt dat op 10 juni 2005 van de rekening met nummer [C] een bedrag van € 29.000,- is overgeboekt naar rekeningnummer [B]. Voorts is gebleken dat op 10 juni 2005 van laatstgenoemde rekening een bedrag van € 29.000,- is overgeboekt naar rekeningnummer [D].

Rekening [E]

Het negatieve saldo bedraagt per 10 juni 2005 € 29.385,73.

Rekening [F].

Het saldo staat op € 735,66 per 28 oktober 2006. Aan de hand van de overgelegde productie met betrekking tot deze rekening komt het hof tot de slotsom dat het saldo per 10 juni 2005 € 29.832,28 bedraagt, waarin is begrepen bovenvermeld bedrag ad € 29.000,-, dat nadien is overgeboekt naar – uiteindelijk – rekeningnummer [D].

Rekening [G]

Het hof komt tot de slotsom dat het saldo op 10 juni 2005 € 0,- bedraagt.

Effectenportefeuille ABN AMRO bank nummer [I]

15. Het saldo van deze portefeuille bedraagt € 166.390,-. Partijen zijn het hierover eens, evenals over de toedeling van deze portefeuille aan de man, onder verrekening met de vrouw. Het hof zal overeenkomstig beslissen.

Polis ABN AMRO nummer [X] en nummer [Y]

16. Deze polissen zullen aan de man worden toebedeeld. Partijen verschillen van mening over de waarde van de polissen. De vrouw verwijst naar productie 6 bij haar beroepschrift voor de waarde van deze polissen, de man verwijst naar productie 7 bij zijn verweerschrift voor de waardering van deze polissen.

De man heeft ter terechtzitting uitgelegd dat de polissen onderdeel uitmaken van een beleggingsportefeuille, verbonden aan een hypotheek.

17. Uit productie 7 bij het verweerschrift van de man blijkt dat de ABN AMRO bank de waarde van de polissen heeft opgegeven per 4 augustus 2005, zijnde vlak na de door partijen afgesproken peildatum van 10 juni 2005. Het hof acht het redelijk om uit te gaan van een waarde van de polis met nummer [X] van € 11.770,30 en een waarde van de polis met nummer [Y] van € 11.525,92. Deze waarden dienen te worden verrekend met de vrouw.

Auto (Alfa Romeo 1.8 TS, kenteken [Z])

18. Niet in geschil is dat de auto aan de vrouw kan worden toegedeeld.

Volgens de vrouw bedroeg de waarde van de auto per juli 2005 ongeveer € 5.500,- inclusief BTW. De man stelt de waarde van de auto op € 7.750,-.

19. Het hof zal de auto toedelen aan de vrouw en de waarde hiervan in redelijkheid en billijkheid vaststellen op het gemiddelde van de door partijen genoemde waarden, zijnde € 6.625,-. Deze waarde dient te worden verrekend.

Computer

20. De vrouw heeft zich ter terechtzitting bereid verklaard om de computer voor € 1.000,- in de verdeling te betrekken. De man heeft zich hiermee akkoord verklaard.

21. Het hof gaat ervan uit dat de computer aan de vrouw wordt toegedeeld, onder verrekening met de man.

Beurspensioenplan RVS [nummer]

22. De vrouw wenst deze polis toebedeeld te krijgen. De man heeft hiertegen verweer gevoerd en gesteld dat toedeling aan de vrouw geen optie is omdat de polis op zijn naam staat en hij elke maand € 500,- stort.

23. Het hof gaat ervan uit dat de waarde van de polis van € 28.756,- niet in geschil is tussen partijen, zodat het hof van deze waarde uitgaat. Voorts acht het hof het redelijk om de polis toe te delen aan de man nu hij de verzekeringnemer is, onder verrekening met de vrouw.

De man heeft verzocht de polis aan hem toe te scheiden na aftrek van een latente belastingclaim van 52 %. Het hof is van oordeel dat voor de berekening van de waarde van deze polis ervan moet worden uitgegaan dat de belasting op de peildatum is verschuldigd over de op dat tijdstip bepaalde waarde. Conform de berekening van de man zal het hof de polis in de verrekening betrekken voor een bedrag van € 28.756,- verminderd met 52 % inkomstenbelasting. De waarde van de polis wordt aldus bepaald op € 13.803,-.

Aandelen [B.V. X].

24. De vrouw heeft ter terechtzitting naar voren gebracht dat zij heel lang heeft moeten wachten op informatie van de man betreffende de aandelen van [B.V. X]..

De jaarstukken die de man uiteindelijk heeft overgelegd worden niet begeleid door een accountantverklaring. De vrouw vertrouwt de door de man overgelegde stukken niet en heeft het gevoel dat er iets niet klopt. Zij verzoekt om een deskundige te benoemen teneinde de waarde van de aandelen te bepalen.

25. De man heeft gesteld dat de vrouw geen enkel stuk dat door hem is overgelegd zal vertrouwen. Voorts legt hij uit dat de investeringen die [B.V. X]. heeft gedaan in een onroerend goed project in Spanje (via projectontwikkelaar [H], hierna: [H]), niet hebben opgeleverd wat partijen vooraf voor ogen stond. Het zag er volgens de man naar uit dat de gehele investering zou moeten worden afgeboekt, omdat [H] haar verplichtingen niet nakwam. Inmiddels is [H] alsnog een deel van haar verplichtingen nagekomen, en heeft een bedrag van € 96.000,- teruggestort. Desondanks is er een aanzienlijk verlies geleden op het project. Het eigen vermogen van de B.V. is negatief en de B.V. verricht geen activiteiten meer. Volgens de man is er, doordat het project in Spanje via de B.V. liep, geen aanleiding om aan de grond of de niet gebouwde appartementen enige waarde toe te kennen.

26. Het hof overweegt als volgt. Het hof ziet geen aanleiding om een deskundige te benoemen. Uit de door de man overgelegde (jaar)stukken, waarvoor een accountantsverklaring niet verplicht is, en uit hetgeen de man ter terechtzitting naar voren heeft gebracht, blijkt naar het oordeel van het hof een negatief resultaat voor [B.V. X]. Gelet hierop en nu de vrouw haar stelling, dat de waarde van de aandelen van [B.V. X]. hoger ligt dan uit de stukken blijkt en hoger dan de man heeft gesteld, niet heeft onderbouwd, zal het hof uitgaan van de door de man opgevoerde waarde van € 0,- van de aandelen en deze toedelen aan de man.

Stamrechtovereenkomst [B.V. X].

27. De vrouw heeft verzocht om de stamrechten nu al te verdelen.

28. De man heeft hiertegen verweer gevoerd en verzocht om te bepalen dat de vrouw pas vanaf het moment waarop de B.V. in de toekomst gehouden zal zijn tot uitkering van het stamrecht aan de man, jegens de man recht heeft op de helft van de feitelijk door hem te ontvangen netto lijfrente-uitkeringen.

29. Uit de door de man overgelegde stukken blijkt dat aan de man in verband met het beëindigen van zijn dienstbetrekking bij [werkgever] te [woonplaats] een aanspraak is toegekend ter vervanging van verloren of te derven loon als bedoeld in artikel 11, lid 1, sub g van de Wet op de loonbelasting 1964.

Blijkens de akte van 15 september 2003 tot het toekennen van periodieke uitkeringen voorziet de aanspraak in een periodieke uitkering die niet later ingaat dan in het jaar waarin de man de 65- jarige leeftijd heeft bereikt en een periodieke uitkering bij vooroverlijden van de man aan zijn op het moment van zijn overlijden in leven zijnde echtgenote. Er zijn tevens regels gegeven hoe de periodieke uitkering zal worden uitbetaald.

De man heeft weliswaar gesteld dat de rechten uit de stamrechtovereenkomst in de huwelijksgemeenschap vallen, maar dat er onvoldoende liquide middelen aanwezig zijn om de afstorting te effectueren. Hij verzoekt het hof te bepalen, dat de vrouw pas vanaf het moment waarop de B.V. in de toekomst gehouden zal zijn tot uitkering van het stamrecht aan de man, jegens de man recht heeft op de helft van de feitelijk door hem te ontvangen netto lijfrente-uitkeringen. De vrouw wenst reeds nu tot een verdeling van de stamrechten en uitkering aan haar te geraken zodat zij niet het risico behoeft te lopen dat in de toekomst geen uitkering meer aan haar kan worden gedaan. Tegenover de gemotiveerde betwisting van de vrouw heeft de man naar het oordeel van het hof, onvoldoende aangetoond, dat het hem voor onoverkomelijke problemen stelt indien reeds aanstonds tot verrekening van het stamrecht met de vrouw moet worden overgegaan.

Uit de door de man overgelegde balans per 31 december 2005 blijkt dat de stamrechtverplichting toen € 205.542,- bedroeg. Het hof zal, nu door partijen niet is aangetoond dat dit een lager, dan wel een hoger bedrag moet zijn, uitgaan van dit bedrag en bepalen dat het stamrecht aan de man zal worden toebedeeld, onder verrekening van de helft hiervan aan de vrouw, te weten € 102.771,-. Het is het hof niet duidelijk op welke wijze partijen de uitkering aan de vrouw, nu is bepaald dat deze reeds nu dient te geschieden, willen realiseren: een uitkering rechtstreeks aan de vrouw en of in dat geval rekening dient te worden gehouden met een latente belastingclaim, dan wel een onderbrengen van dit bedrag bij een derde (verzekeringsmaatschappij), met de daaraan verbonden fiscale gevolgen. Partijen dienen daarover met elkaar in overleg te treden, waartoe het hof de zaak zal aanhouden en een termijn zal bepalen. Het hof verzoekt partijen het hof uiterlijk voor ommekomst van deze termijn te berichten over de uitkomsten daarvan.

Rekening courantschuld aan [B.V. X].

30. De man heeft gesteld dat de rekening courantschuld aan hem moet worden toegescheiden voor € 16.980,36 onder verrekening van de hoogte van de schuld. De vrouw heeft betwist dat er een overboeking naar de gezamenlijke rekening van partijen heeft plaatsgevonden.

31. Het hof overweegt als volgt. Uit de door de man na de zitting overgelegde stukken blijkt dat er sprake is van een rekening courantschuld en dat deze is ontstaan door volstorting van het stamrecht. Uit de door de man bij zijn verweerschrift overgelegde productie 21 blijkt dat deze rekening courantschuld per peildatum € 16.980,36 bedraagt. Het hof zal van dit bedrag uitgaan en de schuld aan de man toedelen, onder verrekening met de vrouw.

Te verrekenen bedragen

Nuon

32. De man heeft gesteld dat hij nog een vordering op de vrouw heeft van € 996,- in verband met een eindafrekening van Nuon. De vrouw kan zich hiermee verenigen, zodat het hof hiervan zal uitgaan.

Lening bij [B.V. X].

33. De man heeft in zijn brief van 30 april 2009 gesteld dat geen rekening dient te worden gehouden met deze verrekenpost indien de rekening courantschuld aan hem wordt toegedeeld. Nu dit laatste het geval is, gaat het hof ervan uit dat omtrent deze post geen beslissing meer behoeft te worden genomen.

Verwijderkosten echtelijke woning

34. De man heeft gesteld dat de kopers van de echtelijke woning € 1.500,- in rekening hebben gebracht in verband met verwijderingskosten. De vrouw heeft deze kosten ter terechtzitting erkend. Het hof zal hiervan dan ook uitgaan bij de verrekening.

Verrekening rekening courant [B]

35. De man betoogt dat hij nog een bedrag van € 2.668,97 tegoed heeft van de vrouw in verband met afschrijvingen van deze rekening die hebben plaatsgevonden na de peildatum.

De vrouw heeft gesteld dat zij in de periode van 10 juni 2005 (datum uiteengaan partijen) tot dat er voorlopige voorzieningen waren getroffen (4 augustus 2005) in haar eigen levensonderhoud en dat van de kinderen van partijen moest voorzien. Zij heeft hiertoe geld opgenomen van de rekening courant. Zij kan instemmen met verrekening van de kosten voor haar vakantie van € 1.333,90.

36. Het hof acht het redelijk dat de vrouw in de periode van uiteengaan van partijen tot de beschikking voorlopige voorzieningen, teneinde in haar levensonderhoud en dat van de kinderen te voorzien, geld heeft opgenomen van de rekening courant. Gelet hierop en nu de vrouw ermee heeft ingestemd dat zij zelf de kosten van € 1.333,90 draagt voor haar vakantie, zal het hof alleen dit laatste bedrag in de verrekening betrekken.

Verrekening privérekening man [D]

37. De man is van mening dat hij nog een bedrag van € 5.038,89 tegoed heeft van de vrouw. Hij verwijst ter onderbouwing van dit bedrag naar productie 28 en 29 bij zijn verweerschrift. De vrouw heeft dit bedrag gemotiveerd betwist.

38. Nu de vrouw vanaf de datum van de beschikking voorlopige voorzieningen (4 augustus 2005) in haar eigen levensonderhoud en dat van de kinderen kon voorzien, is het hof van oordeel dat de bedragen van na 19 augustus 2005, zoals genoemd in productie 28 bij het verweerschrift, voor verrekening in aanmerking komen. Het betreft een totaal bedrag van € 891,36.

Premie ziektekostenverzekering

39. De man stelt dat hij gedurende tien maanden ten onrechte de premie ziektekostenverzekering voor de vrouw heeft betaald. Volgens de man was zij in die tijd zelf verzekerd. Hij verzoekt om te dien aanzien een bedrag van € 900,- in de verrekening te betrekken. De vrouw betoogt dat zij pas op de datum van de echtscheidingsbeschikking zelf een verzekering heeft afgesloten en dat er bij de berekening van de draagkracht van de man rekening is gehouden met de premie ziektekostenverzekering voor de vrouw.

40. Het hof zal, nu de man geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij ten onrechte gedurende tien maanden de premie ziektekostenverzekering voor de vrouw heeft betaald, bij de verrekening geen rekening houden met het bedrag van € 900,-.

Advocaatkosten

41. De man is van mening dat de vrouw hem nog een bedrag is verschuldigd van € 5.100,-, zijnde de helft van de totaal betaalde advocaatkosten in verband met het onroerend goed project in Spanje. De vrouw heeft ter terechtzitting deze kosten erkend, zodat het hof hiermee bij de verrekening rekening zal houden.

Conclusie

42. Samengevat komt het vorenoverwogene op het volgende neer. Met uitzondering van de stamrechtovereenkomst en de inboedelzaken, waarover het hof een separate beslissing zal geven, is de man ingevolge de verdeling overbedeeld voor een bedrag van € 179.330,41. Dit betekent dat hij terzake aan de vrouw een bedrag van € 89.665,20 dient te voldoen. De vrouw dient aan de man vanwege verrekening van de hiervoor onder 32 tot en met 41 besproken posten een bedrag van € 9.821,26 te voldoen. Dit bedrag strekt in mindering op het bedrag dat de man vanwege overbedeling aan de vrouw zal voldoen, zodat aan haar te betalen resteert een bedrag van € 79.843,94. Het hof zal als volgt beslissen.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTEEL HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover daarin het verzoek van de vrouw in tot verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap over te gaan is afgewezen en, in zoverre opnieuw beschikkende, bepaalt dat de tussen de partijen bestaande huwelijksgemeenschap wordt verdeeld als volgt:

bepaalt dat de inboedelgoederen die de vrouw uit de voormalig echtelijke woning heeft meegenomen naar de thans door haar bewoonde woning dienen te worden getaxeerd per peildatum 10 juni 2005 door een door partijen aan te zoeken taxateur, dat deze inboedelgoederen aan de vrouw worden toegedeeld en dat de vrouw de helft van de waarde daarvan aan de man dient te voldoen;

bepaalt dat de overige, opgeslagen, inboedelgoederen door partijen dienen te worden verkocht en de opbrengst van de verkoop tussen partijen moet worden verdeeld.

bepaalt dat de kosten van de taxateur en de verkoop van de opgeslagen inboedelgoederen door beide partijen bij helfte dienen te worden gedragen;

bepaalt dat aan de man worden toegedeeld:

- bankrekeningen bij de ABN AMRO Bank met de bankrekeningnummers [B],

[C] en [D];

- effectenportefeuille ABN AMRO bank nummer [I];

- polis ABN AMRO nummer [X] en nummer [Y];

- beurspensioenplan RVS [nummer];

- aandelen [B.V. X].;

- rekening courantschuld aan [B.V. X].;

bepaalt dat aan de vrouw worden toegedeeld:

- girorekening vrouw met nummer [A]

- auto

- computer;

veroordeelt de man om aan de vrouw terzake van overbedeling – na aftrek van de voornoemde tussen partijen te verrekenen bedragen - te betalen een bedrag van € 79.843,94;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat de rechten uit de stamrechtovereenkomst aan de man worden toegedeeld;

houdt de zaak voor wat betreft de beslissing over de vraag naar de wijze waarop en de mate waarin de man de vrouw zal compenseren wegens overbedeling vanwege de rechten uit de stamrechtovereenkomst, zoals is uiteengezet onder punt 29 van deze beschikking, aan tot zaterdag 29 augustus 2009 pro forma, met het verzoek aan partijen, het hof uiterlijk op die datum te hebben bericht over de uitkomst van hun overleg te dezer zake;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Mink, Dusamos en Mulder, bijgestaan door mr. Vergeer-van Zeggeren als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 juni 2009.