Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BJ3561

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-06-2009
Datum publicatie
23-07-2009
Zaaknummer
200.022.640-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wijziging van de juridische grondslag van het omgangsverzoek ten gevolge van een wijziging van de tot voor kort bestaande gezagssituatie. Hof beslist op basis van de gewijzigde grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 10 juni 2009

Zaaknummer : 200.022.640.01

Rekestnrs. rechtbank : JE RK 08-2109 en 08-2110

1. [Verzoekster],

hierna te noemen: de moeder, en

2. [kind 1],

hierna te noemen: [kind 1], en

3. [kind 2],

hierna te noemen: [kind 2],

allen wonende te [woonplaats],

verzoekers in hoger beroep,

advocaat mr. Van Roy-Vissers, te Leiden,

tegen

de William Schrikker Stichting,

kantoor houdende te Diemen,

hierna te noemen: de WSS,

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De verzoekers zijn op 7 januari 2009 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 7 oktober 2008 van de kinderrechter in de rechtbank ’s-Gravenhage.

De WSS heeft op 6 april 2009 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde de WSS zijn bij het hof op 31 maart 2009 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de verzoekers zijn op 6 april 2009, 15 april 2009 en 17 april 2009 aanvullende stukken ingekomen.

Op 14 april 2009 zijn van de zijde van de Raad voor de Kinderbescherming, regio Haaglanden en Zuid-Holland Noord, locatie Den Haag, hierna te noemen: de raad, aanvullende stukken ingekomen. De raad heeft tevens laten weten niet ter zitting te zullen verschijnen.

Op 22 april 2009 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de moeder, bijgestaan door haar advocaat en namens de WSS: mevrouw E. Sipos en mevrouw M.M.E. van Gils. De raad is niet verschenen. De verschenen personen hebben het woord gevoerd.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij deze beschikking is [kind 2], geboren [in 1996], niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek. De verzoeken van de moeder en [kind 1] tot vervallenverklaring van de aanwijzingen van de WSS d.d. 31 juli 2008 zijn bij deze beschikking afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht. In hoger beroep is voorts komen vast te staan dat de moeder bij beschikking van de rechtbank van 11 maart 2009 is ontheven uit het gezag over de nader te noemen kinderen.

DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP

Gelet op de omstandigheid dat de moeder tijdens de procedure in hoger beroep is ontheven van het gezag over de kinderen en de WSS met de voogdij is belast, verzoekt de moeder haar verzoek op te vatten als een verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling op grond van art. 1:377a BW. De WSS heeft tegen deze gewijzigde grondslag van het verzoek van de moeder geen procesrechtelijk bezwaar. Voor zover het beroep mede namens [kind 1] en [kind 2] is ingesteld, zal het hof hierop ambtshalve, op grond van art. 1:377g BW, beslissen. Het hof zal het verzoek van de moeder op basis van de gewijzigde grondslag beoordelen.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de omgangsregeling met betrekking tot de minderjarige kinderen:

[kind 1], geboren [in 1993], te [geboorteplaats], hierna: [kind 1], en

[kind 2], geboren [in 1996], te [geboorteplaats], hierna: [kind 2], hierna tezamen te noemen: de kinderen.

2. De moeder verzoekt thans de omgangsregeling met [kind 1] uit te breiden in die zin dat hij hetzij op zaterdag langer bij haar mag verblijven, hetzij dat hij in het weekend één nacht bij haar mag verblijven. Met betrekking tot [kind 2] verzoekt de moeder een onbegeleide omgangsregeling vast te stellen van één keer in de veertien dagen op zondag van 9:00 tot 19:00 uur.

3. De WSS voert gemotiveerd verweer tegen het verzoek van de moeder.

4. De moeder stelt zich op het standpunt dat haar ten onrechte alle contacten met [kind 1] en [kind 2] worden onthouden. De stelling dat zij de gemaakte afspraken betreffende de bezoekregeling met [kind 1] en [kind 2] slecht of niet nakomt, met als gevolg dat er schade wordt berokkend aan de gedragsmatige ontwikkeling van de kinderen is volgens haar gebaseerd op eenzijdige, niet bewezen veronderstellingen van de WSS. Zij stelt dat [kind 1] en [kind 2] haar graag zien en helemaal geen problemen hebben met haar aanwezigheid buiten de bezoekregeling om.

5. De WSS bestrijdt het standpunt van de moeder. Zij stelt dat uit de schriftelijke aanwijzing duidelijk blijkt dat er juist wel een bezoekregeling is, maar dat de moeder er ten aanzien van [kind 2] niet op een juiste manier gebruik van maakt. Zij verschijnt wel wekelijks bij het voetbalveld alwaar zij op een storende manier contact zoekt met [kind 2]. Ook met [kind 1] zoekt de moeder volgens de WSS buiten de bezoekregeling om op een storende manier contact. Deze contacten zijn in strijd met de aanwijzing. De WSS stelt voorts dat de bezoekregeling zoals vastgesteld ten aanzien van [kind 2] meteen kan worden aangevangen als de moeder dat wenst, maar dat zij afwijzend staat tegenover uitbreiding van die bezoekregeling, wegens strijd met het belang van [kind 2]. [kind 2] vertoonde forse gedragsproblemen nadat hij contact had gehad met moeder tijdens de onbegeleide bezoeken. Ook een uitbreiding van de bezoekregeling ten aanzien van [kind 1], wijst de WSS af vanwege strijd met het belang van [kind 1]. Er komen voor hem namelijk heel veel spanningen kijken bij een bezoek aan zijn moeder.

6. Het hof stelt voorop dat met betrekking tot het recht op omgang de wet onlangs gewijzigd is. Op 1 maart 2009 is in werking getreden de Wet van 27 november 2008 tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met het bevorderen van voortgezet ouderschap na scheiding en het afschaffen van de mogelijkheid tot het omzetten van een huwelijk in een geregistreerd partnerschap (Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding; Stb. 2008, 500). Nu daarin overgangsrechtelijke bepalingen ontbreken, gaat het hof uit van de onmiddellijke werking van de wet.

Op grond van het nieuwe art. 1:377a BW, eerste lid, heeft de niet met het gezag belaste ouder het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. Het recht op omgang kan om verschillende redenen door de rechter worden ontzegd, onder meer indien omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind.

7. Vast staat dat de WSS een beperkte omgang tussen de moeder en de kinderen niet in de weg staat. Dat een ruimer contact onder de huidige omstandigheden in strijd met het belang van de kinderen wordt geacht, is door de WSS gemotiveerd uiteengezet. Anders dan de moeder acht het hof het aannemelijk dat de door de moeder voorgestane omgangsregeling ernstig nadeel zal opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van de kinderen, zoals uit de rapportages van de WSS volgt. Hieruit is onder meer gebleken dat de moeder zich niet houdt aan de afspraken met de instellingen waar de kinderen verblijven. Dit leidt aantoonbaar tot loyaliteitsproblemen bij [kind 1] en [kind 2], hetgeen zich manifesteert in opstandig en / of agressief gedrag bij de kinderen. Het verzoek van de moeder tot wijziging van de door de WSS voorgestelde omgangsregeling wordt derhalve afgewezen.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

wijst het in hoger beroep gewijzigde verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Mink, Van Leuven en Fockema Andreae-Hartsuiker, bijgestaan door mr. Rasmijn als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 juni 2009.