Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BJ3357

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-06-2009
Datum publicatie
29-07-2009
Zaaknummer
200.026.652-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing minderjarige; wijziging gezinssituatie ouders; mogelijke positieve verandering nog te pril om de minderjarige bij de vader te plaatsen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 17 juni 2009

Zaaknummer : 200.026.652.01

Rekestnr. rechtbank : J1 RK 08-1436

[X],

hierna te noemen: de moeder,

en

[Y],

hierna te noemen: de vader,

beiden wonende te [woonplaats],

verzoekers in hoger beroep,

hierna gezamenlijk ook te noemen: de ouders,

advocaat mr. M.C. Leenhouts, te ’s-Gravenhage,

tegen

de Stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam,

kantoor houdende te Rotterdam,

hierna te noemen: Jeugdzorg,

advocaat mr. A.C. van Seventer, te Rotterdam.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De ouders zijn op 24 februari 2009 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 16 december 2008 van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam.

Jeugdzorg heeft op 28 april 2009 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de ouders zijn bij het hof op 1 mei 2009 en 20 mei 2009 aanvullende stukken ingekomen.

De raad voor de kinderbescherming heeft het hof bij brief van 6 april 2009 laten weten niet ter terechtzitting te zullen verschijnen.

Op 27 mei 2009 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de ouders, bijgestaan door hun advocaat, mr. J.H. Rodenburg, en namens Jeugdzorg: mevrouw I. van Golen en mevrouw M. Alferink. De aanwezigen hebben het woord gevoerd, de advocaat van de ouders onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotities.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking is - uitvoerbaar bij voorraad - de ondertoezichtstelling en de duur van de machtiging tot plaatsing van de minderjarige in een pleeggezin verlengd tot 12 december 2009.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de verlenging van de duur van de machtiging uithuisplaatsing van de minderjarige [Z] (hierna: de minderjarige), geboren [in 2007]. De moeder oefent het gezag over de minderjarige alleen uit. De minderjarige verblijft thans in een pleeggezin.

2. De ouders verzoeken het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het inleidend verzoek van Jeugdzorg tot het verlengen van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige af te wijzen en de afgifte van de minderjarige aan de ouders te gelasten, met veroordeling van Jeugdzorg in de kosten van het geding in twee instanties.

3. Jeugdzorg bestrijdt het beroep van de ouders en verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen en mitsdien het verzoek in hoger beroep, strekkende tot vernietiging van de bestreden beschikking, af te wijzen.

4. Met de grieven verwijten de ouders de kinderrechter dat deze, ondanks het vervuld zijn van alle op 4 juni 2008 door Jeugdzorg gestelde voorwaarden voor terugplaatsing, de machtiging uithuisplaatsing heeft verlengd, alsmede dat onduidelijk is waarop de overweging is gebaseerd dat de ouders langdurig niet in staat zijn gebleken om een stabiele opvoedingssituatie te bieden voor de minderjarige. Wat dit laatste betreft lichten de ouders toe dat zij hun leven radicaal hebben omgegooid en dat zij er hun uiterste best voor hebben gedaan om in de wirwar van hulpverleningsinstanties de juiste hulp te vinden, voor welke hulp zij zich ook openstellen. Voorts achten de ouders de uithuisplaatsing een ongerechtvaardigde inmenging in het recht op gezinsleven en op die grond in strijd met artikel 8 EVRM. Het enkele feit dat het voor de minderjarige beter zou zijn om in een andere omgeving te worden grootgebracht is immers niet voldoende. Tot slot achten de ouders de uithuisplaatsing eveneens in strijd met de artikelen 7 en 9 van het IVRK, nu ieder kind er recht op heeft om door zijn ouders te worden verzorgd en er geen sprake is van misbruik of verwaarlozing als grond om een kind van zijn ouders te scheiden.

5. Met de grieven stellen de ouders in wezen aan de orde of de kinderrechter terecht heeft geoordeeld dat de uithuisplaatsing in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige noodzakelijk is. Algemeen aanvaard is immers dat de grondrechtelijke waarborgen waarop de ouders zich beroepen niet verder gaan dan het belang van het kind bij hetgeen tot diens verzorging en opvoeding noodzakelijk is.

Het hof is van oordeel dat de uithuisplaatsing ook thans nog noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige en overweegt daartoe als volgt. Voor het hof staat op grond van het de stukken en het verhandelde ter zitting voldoende vast dat de ouders op dit moment niet in staat zijn de minderjarige de stabiele verzorgings- en opvoedingssituatie te bieden die zij behoeft. Nog daargelaten dat het plan van aanpak waarnaar de ouders verwijzen een weergave van de afspraken van 4 juni 2008 bevat die er veeleer op wijst dat de daarbij gestelde voorwaarden dienden te worden vervuld ter afwending van een perspectiefbiedende plaatsing in plaats van met het oog op terugplaatsing, zijn de ouders en Jeugdzorg het niet eens over de vraag of de ouders de afgesproken voorwaarden hebben vervuld.

Een en ander neemt niet weg dat het hof aannemelijk acht dat de ouders een behoorlijke vooruitgang hebben geboekt, die evenwel nog niet voldoende gestalte heeft gekregen. Daarbij komt dat de ouders uit elkaar zijn en het er ter zitting over eens waren dat de minderjarige bij terugplaatsing ten huize van de vader zal verblijven. Een en ander opent de mogelijkheid dat de minderjarige haar hechtingsproces bij de vader zal kunnen doormaken, maar de omstandigheden bij de vader acht het hof op dit moment nog te ongewis om de minderjarige bloot te stellen aan het risico dat deze hechting weer moet worden afgebroken omdat haar belang een nieuwe uithuisplaatsing zou vergen. Het hof acht overigens niet onaannemelijk dat tegen het verstrijken van de geldigheid van de huidige machtiging over de omstandigheden van de vader wel voldoende duidelijkheid zal bestaan en wijst erop dat het belang van de minderjarige die spoedige duidelijkheid ook vergt.

9. Mitsdien beslist het hof als volgt.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Leuven, Bouritius en Hulsebosch, bijgestaan door mr. Van der Kamp als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 juni 2009.