Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BJ3348

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-06-2009
Datum publicatie
29-07-2009
Zaaknummer
200.016.332-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag van de curator in curatele wegens gewichtige redenen en benoeming van een derde tot curator, met motivering waarom de in de wet genoemde voorkeurspersonen worden gepasseerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 17 juni 2009

Zaaknummer : 200.016.332/01

Zaaknummer rechtbank : 750771

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: aanvankelijk: mr. A.H.H. Fuchs, thans: mr. A. Vijftigschild.

Als belanghebbende zijn aangemerkt:

1. [de betrokkene],

wonende te [woonplaats],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

hierna te noemen: de betrokkene.

2. STICHTING STEINMETZ DE COMPAAN,

gevestigd te Den Haag,

verzoekster in eerste aanleg,

hierna te noemen: de Stichting,

advocaat: mr. P.W.H.M. Willems.

3. [de huidige curator],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de huidige curator.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 5 september 2008 in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank ’s-Gravenhage, sector kanton, locatie Delft, van 10 juni 2008 (hierna: de bestreden beschikking).

De Stichting heeft op 16 december 2008 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de moeder zijn bij het hof op 31 oktober 2008 en 4 november 2008 aanvullende stukken ingekomen.

Op 16 april 2009 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de moeder, bijgestaan door haar advocaat, namens de Stichting: mevrouw M. Tkauz, clustermanager, bijgestaan door de advocaat van de Stichting en de huidige curator. De betrokkene is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De aanwezigen hebben het woord gevoerd.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij deze beschikking is de Stichting niet-ontvankelijk verklaard in het verzoek tot ontslag van de curator met benoeming van een nieuwe curator voor betrokkene. Voorts heeft de kantonrechter ambtshalve de curator, te weten de moeder, ontslagen en de door de Stichting voorgestelde curator, te weten de huidige curator, benoemd.

Het hof gaat uit van de door de kantonrechter vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is het ontslag van de moeder als curator van betrokkene en de benoeming van de huidige curator. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen, dan wel als curator te benoemen haar dochter, zijnde de halfzuster van betrokkene.

2. De Stichting bestrijdt het beroep en verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

3. De moeder stelt dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat zich tussen haar en de Stichting al jarenlang discussies en wrijvingen voordoen ter zake van de aan betrokkene te verlenen zorg. Volgens de moeder frustreert zij de medische verzorging van betrokkene niet en zijn de herhaaldelijke aanvaringen tussen haar en de Stichting, die tot een onwerkbare situatie zouden hebben geleid, geen reden om haar als curator te ontslaan.

De moeder acht zichzelf, onder verwijzing naar artikel 1:383, derde lid, Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), de meest gerede persoon om curator van betrokkene te zijn. Indien het hof zou oordelen dat zij terecht uit haar functie van curator is ontslagen, zou de halfzuster van betrokkene als curator moeten worden benoemd, zo betoogt de moeder.

4. De Stichting bestrijdt het beroep en stelt dat zich al geruime tijd wrijvingen en discussies voordeden tussen de Stichting en de moeder ten aanzien van de aan betrokkene te verlenen zorg. Hierdoor was het voor de Stichting niet mogelijk om adequate zorg te verlenen. Aangezien de moeder als curator de zorgtaken frustreerde en de belangen van betrokkene niet op adequate wijze behartigde, waarmee zij haar taak als curator niet naar behoren vervulde, is zij naar de mening van de Stichting terecht uit haar functie van curator ontslagen. De huidige curator van betrokkene heeft er in de afgelopen maanden blijk van gegeven objectief en in het belang van betrokkene te kunnen en willen handelen waarmee voor betrokkene en de Stichting een rustigere fase is aangebroken, aldus de Stichting.

Ten aanzien van de door de moeder voorgedragen curator stelt de Stichting dat zij de halfzuster, gezien haar opstelling ter zitting van de kantonrechter, het feit dat de zij betrokkene niet of nauwelijks bezoekt, en de omstandigheid dat zij een nauwe band heeft met de moeder, als curator ongeschikt acht.

5. Het hof overweegt als volgt. Blijkens artikel 1:385, eerste lid, sub d, BW kan een curator te allen tijde wegens gewichtige redenen ambtshalve door de kantonrechter worden ontslagen. Het hof dient derhalve te beoordelen of er ten tijde van het ontslag van de curator sprake was van gewichtige redenen die de kantonrechter hiertoe noopten. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

6. Bij de beoordeling van de onderhavige zaak dient het belang van betrokkene centraal te staan. Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is onweersproken komen vast te staan dat er zich in het verleden, als gevolg van een verschil van opvatting over wat goede zorg aan betrokkene zou dienen te behelzen, meerdere incidenten hebben voorgedaan. Naar het oordeel van het hof hebben deze onenigheden de zorg voor betrokkene belemmerd waardoor zijn belang in het geding is gekomen. Dit heeft uiteindelijk geleid tot een onwerkbare situatie waarin de Stichting voor het dilemma kwam te staan om, bij gebrek aan een door de moeder in haar hoedanigheid als curator van betrokkene getekende zorgovereenkomst, de zorg aan betrokkene volledig stop te zetten. Een niet getekende zorgovereenkomst grijpt aldus direct en op negatieve wijze in op de belangen van betrokkene, aangezien de Stichting in een dergelijk geval niet bevoegd is zorg aan hem te verlenen. Het hof is niet gebleken dat de moeder middels concrete inhoudelijke bezwaren tegen de door de Stichting voorgestelde zorgovereenkomst, heeft getracht te komen tot een getekende zorgovereenkomst. Hoewel het hof niet twijfelt aan de goede bedoelingen van de moeder, is het hof van oordeel dat zij zich vanuit haar functie als curator de consequenties van een niet tot stand gekomen zorgovereenkomst had dienen te realiseren en dienovereenkomstig tot effectief handelen had moeten over gaan. In dat kader had van de moeder mogen worden verwacht dat zij een of meer constructieve voorstellen zou doen teneinde met de Stichting alsnog overeenstemming te bereiken over de punten waarop de door de Stichting voorgestelde zorgovereenkomst voor haar uit oogpunt van de belangen van betrokkene niet aanvaardbaar was. Van een en ander is echter niet gebleken. Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de opstelling van de moeder in haar hoedanigheid van curator tot gevolg heeft gehad dat de aan betrokkene te verlenen zorg op het spel is komen te staan. Nu er geen uitzicht bestaat op verbetering van de overlegsituatie tussen de moeder en de Stichting, is het hof van oordeel dat de kantonrechter op goede gronden heeft geconcludeerd dat er sprake is van een gewichtige reden om de moeder als curator te ontslaan.

7. Ten aanzien van de door de moeder voorgestelde curator overweegt het hof als volgt.

8. Op grond van artikel 1:383, tweede lid, BW volgt de rechter bij de benoeming van de curator de uitdrukkelijke voorkeur van de betrokkene, tenzij gegronde redenen zich daartegen verzetten. Tijdens de terechtzitting is gebleken dat betrokkene niet in staat kan worden geacht zijn voorkeur kenbaar te maken. Conform het derde lid van voornoemd artikel dient de rechter in een dergelijk geval bij voorkeur een van de in de wet genoemde personen te benoemen.

9. Het hof stelt de halfzuster van betrokkene gelijk met de in het derde lid van artikel 1:383 BW genoemde ‘zuster’. De moeder vraagt er dan ook terecht aandacht voor dat de halfzuster bij voorkeur benoemd zou moeten worden als curator. Ter terechtzitting is het hof gebleken dat de halfzuster de moeder met betrekking tot de niet getekende zorgovereenkomst weliswaar heeft gemotiveerd om met de Stichting in overleg te gaan, maar heeft nagelaten om met het oog hierop concrete inhoudelijke bezwaren te formuleren. Gezien het hierboven reeds onderschreven belang voor betrokkene van constructief overleg tussen de curator en de Stichting, dat bemoeilijkt kan worden door de nauwe band tussen de moeder en de halfzuster, is het hof van oordeel dat benoeming van de halfzuster tot curator onvoldoende waarborgen biedt voor de belangen van betrokkene bij ononderbroken zorg zijdens de Stichting. Het hof oordeelt derhalve dat de belangen van betrokkene zich tegen de benoeming van de halfzuster als curator verzetten. Daarmee is voor het hof komen vast te staan dat de huidige curator terecht door de kantonrechter tot curator is benoemd.

10. Het hof beslist als volgt.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. De Haan – Boerdijk, Bouritius en Hulsebosch, bijgestaan door mr. Zandbergen als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 juni 2009.