Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BJ3062

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-07-2009
Datum publicatie
20-07-2009
Zaaknummer
22-003658-08
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2011:BO5250, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2011:BO5250
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte en zijn medeverdachte hebben op de bewezenverklaarde wijze zwaar lichamelijk letsel toegebracht aan het slachtoffer. Zij hebben aldus excessief geweld gebruikt. Dit feit heeft tot gevolg gehad dat nadien een schietpartij heeft plaatsgevonden in café El Hombre, waarbij de verdachte en zijn medeverdachte als ongeoefende schutters in dit druk en niet al te groot café, meermalen hebben teruggeschoten op het slachtoffer, zonder deze te raken. Evenwel zijn daarbij een aantal andere cafébezoekers (zwaar) gewond geraakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-003658-08

Parketnummer: 10-710080-07

Datum uitspraak: 20 juli 2009

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 5 juni 2008 in de strafzaak tegen de verdachte:

[medeverdachte 2],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1982,

thans verblijvende in PI Zuid West - De Dordtse Poorten te Dordrecht.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 6 juli 2009.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1:

hij op of omstreeks 10 augustus 2007 te Spijkenisse

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, een of meer perso(o)n(en) (onder meer) genaamd [slachtoffer 1] en/of

[slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of

[slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of

[slachtoffer 6] van het leven te beroven

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans met dat opzet,

met een of meer vuurwapen(s) op, althans in de richting van, voornoemde personen één of meer kogel(s) heeft afgevuurd,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

2 primair:

hij op of omstreeks 29 juli 2007 te Spijkenisse

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een (gouden) ketting en/of geld (500 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan [medeverdachte 2] en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- (met kracht) rukken en/of trekken van die ketting van de nek van die [slachtoffer 1], en/of

- tonen van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, aan die [slachtoffer 1], en/of

- slaan met een vuurwapen, althans met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en/of een hard voorwerp, op het hoofd van die [slachtoffer 1], en/of

- slaan en/of schoppen tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 1], terwijl die [slachtoffer 1] (buiten bewustzijn) op de grond lag;

2 subsidiair:

hij op of omstreeks 29 juli 2007 te Spijkenisse

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

- met een vuurwapen, althans met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en/of een hard voorwerp, op/tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft geslagen, en/of

- tegen het hoofd en/of tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft geslagen en/of gestompt en/of geschopt en/of getrapt, terwijl die [slachtoffer 1] (buiten bewustzijn) op de grond lag,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2 meer subsidiair:

hij op of omstreeks 29 juli 2007 te Spijkenisse

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 1])

- met een vuurwapen, althans met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en/of een hard voorwerp, op/tegen het hoofd heeft geslagen, en/of

- tegen het hoofd en/of tegen het lichaam heeft geslagen en/of gestompt en/of geschopt en/of getrapt, terwijl die [slachtoffer 1] (buiten bewustzijn) op de grond lag,

waardoor voornoemde [slachtoffer 1] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

3:

hij op of omstreeks 10 augustus 2007 te Spijkenisse een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 categorie III onder 1° van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3° van die wet in de vorm van een revolver voorhanden heeft gehad en/of munitie van categorie III, te weten .357 Magnum en/of .38 Special voorhanden heeft gehad.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 impliciet primair en 2 primair tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 impliciet subsidiair, 2 subsidiair en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is een beslissing genomen omtrent de vordering van de benadeelde partijen, zoals omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Eis advocaat-generaal

De advocaat-generaal, mr. E. van Die, heeft in hoger beroep gerekwireerd tot:

-vrijspraak van het onder 1 impliciet primair en 2 primair tenlastegelegde;

-bewezenverklaring van het onder 1 impliciet subsidiair, 2 subsidiair en 3 tenlastegelegde;

-veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren met aftrek van voorarrest.

Vrijspraak feit 2 primair

De onder 2 primair tenlastegelegde diefstal van de ketting en het geldbedrag is niet wettig en overtuigend bewezen nu de aangifte op dit punt niet door enig ander bewijsmiddel wordt ondersteund. De verdachte dient daarvan derhalve te worden vrijgesproken.

Nu zowel de advocaat-generaal als de raadsman van de verdachte hiertoe hebben geconcludeerd en het hof geen

redenen ziet zich hierover ambtshalve uit te laten, zal dit niet nader worden gemotiveerd.

Bewijsmotivering en bewezenverklaring feit 1

Van de volgende feiten en omstandigheden is uitgegaan.

Op 10 augustus 2007 omstreeks 00.14 uur bevinden [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zich, samen met ongeveer twintig anderen, in café El Hombre te Spijkenisse.1 Dan opent [slachtoffer 1] de voordeur van het café en stapt het halletje gelegen aan de voorzijde van het café in. [slachtoffer 1] draagt op dat moment een vuurwapen bij zich.2 Hij kijkt het café in en vuurt vanuit het halletje kogels af naar binnen het café in3 en richt het vuurwapen in ieder geval op [medeverdachte 1].4 Vanuit het café schiet [medeverdachte 1] terug met een automatisch vuurwapen, mogelijk van het kaliber

9 mm.5 [Medeverdachte 2] schiet eveneens terug vanuit het café richting de voorzijde van het café, met gebruikmaking van een revolver.6 [slachtoffer 1] heeft ook patronen afgeschoten.

[Slachtoffer 1] heeft negen seconden nadat hij het café heeft betreden, het café al bukkend verlaten.

Als gevolg van het schietincident zijn de volgende personen gewond geraakt.

[Slachtoffer 6] heeft een inschotverwonding in de borstkas links, met een uitschotverwonding aan de achterzijde ter hoogte van de zesde rib en een schotverwonding in de rechterbovenarm. Het betreft hier potentieel dodelijk letsel.7

[Medeverdachte 1] heeft een doorschotverwonding aan de rechterarm ter hoogte van de elleboog opgelopen.8

[Slachtoffer 3] heeft schotverwondingen opgelopen in de linker onderarm en links bovenin de buik met als gevolg darmletsel. In de arm bleek sprake van zenuwletsel waarvan volledig herstel onzeker is.9

[Slachtoffer 2] heeft een doorschotverwonding aan de linkerbovenarm opgelopen.10

[Slachtoffer 5] heeft een inschotverwonding aan de voorzijde van de okselplooi rechts opgelopen en een uitschotverwonding aan de achterzijde van de oksel.11

[Slachtoffer 4] heeft een doorschotverwonding aan de achter/zijkant en de achter/binnenzijde van het linkerbovenbeen opgelopen en een schotwond in de rechterelleboog.12

[Medeverdachte 2] en [slachtoffer 1] zijn ongedeerd gebleven.

Na sporen- en munitieonderzoek13 is gebleken dat de in en rond het café aangetroffen munitiedelen afkomstig zijn uit tenminste drie verschillende vuurwapens.

Wapen 1:

In en rond het café zijn acht hulzen - met bodemstempel S&B 9 mm LUGER dan wel nny 9 mm LUGER - aangetroffen, afkomstig van patronen van het kaliber 9 mm Parabellum, die met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zijn verschoten met één en hetzelfde semi-automatisch vuurwapen. Met dit wapen zijn derhalve ten minste acht schoten gelost.

Ook is er een viertal kogels aangetroffen vermoedelijk van het kaliber 9 mm Parabellum. Deze vier kogels (samen met een kogelmanteldeel en kogelmanteldelen) kunnen tot dezelfde patronen hebben behoord als de hierboven bedoelde hulzen.

Wapen 2:

Een zestal andere in en rond het café aangetroffen hulzen - met bodemstempel SPEER 9 mm-LUGER - zijn afkomstig van patronen van het kaliber 9 mm Parabellum, die met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zijn verschoten met één en hetzelfde semi-automatisch vuurwapen. Met dit wapen zijn derhalve ten minste zes schoten gelost.

Voorts is er een drietal kogels aangetroffen zeer waarschijnlijk van het kaliber 9 mm Parabellum. Deze kogels zijn met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet afkomstig van vuurwapen 1.

De drie kogels kunnen tot dezelfde patronen hebben behoord als de zes hierboven aangehaalde hulzen.

Wapen 3:

De aangetroffen kogels T-001 (voor het café) T-114 (arm [slachtoffer 4]) en T-115 (buik [slachtoffer 3]) zijn zeer waarschijnlijk van het kaliber .38 Special of .357 Magnum.14 Deze zijn met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid afgevuurd uit één en dezelfde loop van een revolver.

Conclusies van het hof

A: Koppeling vuurwapens aan verdachten:

Hoewel door de deskundige strikt genomen het gebruik van meer dan drie wapens niet kan worden uitgesloten, zijn hiervoor geen aanwijzingen gevonden.

Aangenomen wordt dat er met drie wapens is geschoten in café El Hombre.

Uit het dossier en hetgeen ter zitting is besproken zijn evenmin aanwijzingen naar voren gekomen waaruit kan worden afgeleid dat sprake is van meer dan drie schutters, te weten [slachtoffer 1], [medeverdachte 2] of [medeverdachte 1] die op de bewuste avond in het café hebben geschoten.

De door de NFI-deskundige R. Hermsen gemaakte clustering van de meest waarschijnlijke verdeling per gebruikt wapen, zoals opgenomen in Tabel 1 van het munitieonderzoek,15 wordt door het hof overgenomen en tot de zijne gemaakt.

Wapen 1: [slachtoffer 1]

Met wapen 1 zijn patronen van het kaliber 9 mm Parabellum verschoten. De bij wapen 1 behorende hulzen zijn voornamelijk in het halletje van het café aangetroffen en de bij dit wapen behorende kogels zijn, gezien vanuit het halletje, in de schotbaan aangetroffen.16

Van wapen 1 wordt aangenomen dat dit is gehanteerd door de schutter die vanuit het halletje het café heeft ingeschoten, te weten [slachtoffer 1].

Wapen 2: [medeverdachte 1]

De bij wapen 2 behorende hulzen (T022, T023, T025 en T026) zijn voornamelijk in het midden van het café aangetroffen. Van dit wapen, waarmee eveneens patronen van het kaliber 9 mm Parabellum zijn verschoten, wordt aangenomen dat het is gehanteerd door één van de schutters die vanuit het café richting het halletje heeft teruggeschoten.17 Nu [medeverdachte 2], zoals eerder is weergegeven, met een revolver heeft geschoten, moet de conclusie worden getrokken dat [medeverdachte 1] met wapen 2 heeft geschoten18.

Wapen 3: [medeverdachte 2]

Nu de drie kogels die met wapen 3 zijn verschoten, afkomstig zijn uit een revolver, moet worden aangenomen dat [medeverdachte 2] met wapen 3 heeft geschoten,19 nu hij de enige is die met een revolver heeft geschoten.

B: Koppeling letsel slachtoffers aan verdachten:

In het vergelijkend schotrestenonderzoek20 - waarvan de conclusies van de NFI-deskundige ing. R.C. Roepnarain door het hof worden overgenomen en tot de zijne worden gemaakt - is vastgesteld dat de hulzen met bodemstempel S&B 9 mm LUGER en nny9 mm LUGER (behorend bij wapen 1) loodhoudende munitie betreffen.

Voorts is vastgesteld dat de hulzen met bodemstempel SPEER, 9 mm LUGER (behorend bij wapen 2) loodvrije munitie betreffen.

De munitie behorend bij wapen 3 is niet in het vergelijkend schotrestenonderzoek betrokken.

Op basis van het schotrestenonderzoek dat is uitgevoerd op de kleding van de slachtoffers kan voor het navolgende letsel een koppeling worden gelegd met het letsel veroorzaakt hebbend wapen en derhalve met een daarvoor verantwoordelijke verdachte:

[Slachtoffer 5] is éénmaal beschoten21 met loodhoudende munitie, derhalve afkomstig van wapen 1, behorend bij [slachtoffer 1].

[Slachtoffer 2] is éénmaal beschoten22 met loodhoudende munitie en derhalve afkomstig van wapen 1, behorend bij [slachtoffer 1].

Slachtoffer 3] is tweemaal beschoten23, de inschotbeschadiging in het vest wijst op het in de arm beschoten zijn met loodhoudende munitie, derhalve afkomstig van wapen 1, behorend bij [slachtoffer 1].

Op basis van het onderzoek dat is gedaan naar de uit het lichaam (buik)24 van [slachtoffer 3] afkomstige kogel

(T-115) kan echter worden geconcludeerd dat deze kogel afkomstig is van wapen 325 en derhalve een gevolg is van een door [medeverdachte 2] afgevuurd schot.

[Slachtoffer 4] is eveneens tweemaal beschoten. Op basis van het onderzoek dat is gedaan naar de uit zijn elleboog26 afkomstige kogel kan worden geconcludeerd dat deze kogel (T-114) afkomstig is van wapen 327 en derhalve een gevolg is van een door [medeverdachte 2] afgevuurd schot.

Met onvoldoende zekerheid is vast te stellen van welk wapen het letsel in zijn linkerbovenbeen afkomstig is. Dat letsel kan derhalve niet aan een specifieke verdachte worden toegeschreven.

Voorts is [slachtoffer 6] ook tweemaal beschoten28.

Op grond van het onderzoek dat is gedaan naar de uit haar bovenarm gegroeide kogel kan worden vastgesteld dat deze kogel vergelijkbaar is met de kogels die zijn afgevuurd met wapen 2 en derhalve behorende bij [medeverdachte 1].29 Met onvoldoende zekerheid is vast te stellen van welk wapen het letsel afkomstig is in haar borstkas.

Dat letsel kan derhalve niet aan een specifieke verdachte worden toegeschreven.

Tenslotte is [medeverdachte 1] eenmaal beschoten.30

Er zijn geen aanwijzingen waaruit zou kunnen worden afgeleid dat [medeverdachte 1] zichzelf in zijn rechterarm heeft verwond, sterker nog, de gegevens dat hij rechtshandig is31 en geraakt is in zijn rechterarm vormen daarvoor een contra-indicatie. Gebleken is voorts dat [medeverdachte 2] zijn wapen pas heeft getrokken nadat hij [medeverdachte 1] naast hem zag omvallen.32

Gelet op het bovenstaande wordt geconcludeerd dat [medeverdachte 1] door het wapen van [slachtoffer 1] is geraakt.

Partiële vrijspraak

Geen voorbedachte raad

Met name de onder 1 impliciet primair tenlastegelegde voorbedachte raad is niet wettig en overtuigend bewezen. Nu zowel de advocaat-generaal als de raadsman hiertoe hebben geconcludeerd en het hof geen redenen ziet zich hierover ambtshalve uit te laten, zal dit niet nader worden gemotiveerd.

Naar aanleiding van de gevoerde bewijsverweren:

Is er sprake van (voorwaardelijk) opzet?

De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat het terugschieten in een vol café door ongeoefende schutters, waarbij gesteld kan worden dat onschuldige cafébezoekers door kogels uit de wapens van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn geraakt, zonder meer een poging doodslag oplevert. Zij hebben immers de aanmerkelijke kans aanvaard dat naast [slachtoffer 1], ook anderen door kogels uit hun wapens gedood zouden worden. Nu [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op een gegeven moment niet meer gericht hebben geschoten, konden zij eenieder in het café raken, hetgeen leidt tot bewezenverklaring van poging doodslag op alle in de tenlastelegging opgenomen personen, aldus de advocaat-generaal.

Namens [medeverdachte 2] is op dit punt als volgt aangevoerd.

Gegeven het feit dat [medeverdachte 2] geen geoefend schutter was heeft hij, door te schieten zoals hij heeft gedaan, uiteraard willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij [slachtoffer 3] of [slachtoffer 4] zou raken. In die zin had [medeverdachte 2] opzet op het doden van deze personen.

Ten aanzien van [slachtoffer 1] had [medeverdachte 2] weliswaar de intentie om deze te doden, echter nu deze - naar de stellige overtuiging van de raadsvrouw - een kogelwerend vest droeg, is het doden van [slachtoffer 1] nimmer mogelijk geweest. Op dit punt dient [medeverdachte 2] dan ook te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt als volgt.

Zoals eerder opgemerkt heeft [medeverdachte 2] ter terechtzitting in eerste aanleg, alsmede ter terechtzitting in hoger beroep, verklaard dat hij zijn vuurwapen op [slachtoffer 1] heeft gericht en op hem heeft geschoten.33 Het gericht schieten op iemand met scherpe patronen, zoals in dit geval is gebeurd, levert zonder meer opzet op het doden van [slachtoffer 1] op.

Van het, door de raadsvrouw gestelde, dragen van een kogelwerend vest door [slachtoffer 1] is niet gebleken. Het verweer mist dan ook feitelijke grondslag, waarbij voorts wordt opgemerkt dat algemeen bekend is dat letsel aan het hoofd door een kogelverwonding eveneens potentieel dodelijk is.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - in dit geval de levensberoving - is aanwezig indien [medeverdachte 2] zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat een dergelijk gevolg zal intreden.

De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Van deze aanmerkelijke kans moet verdachte wetenschap hebben gehad en hij moet die aanmerkelijke kans hebben aanvaard.

Bij dat laatste verdient het de opmerking dat bepaalde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm zo zeer zijn gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra indicaties - niet anders kan zijn dan dat [medeverdachte 2] die aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

Ter zitting is voorts gebleken dat [medeverdachte 2] een ongeoefend schutter is.

Uit de omstandigheid dat [medeverdachte 2] vrijwel direct nadat [slachtoffer 1] als eerste kogels heeft afgevuurd, in de richting van de voorzijde van het café heeft geschoten, terwijl hij wist dat op dat moment meerdere derden in het café aanwezig waren, volgt dat [medeverdachte 2] bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij ook deze omstanders zou raken en doden.

Het schieten met een vuurwapen in een vol café waarbij meerdere personen (potentiële slachtoffers) zich bevonden in de omgeving van het doelwit ([slachtoffer 1]), is naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zo zeer mede gericht op de levensberoving van de zich in het schootsveld van [medeverdachte 2] bevindende personen dat het niet anders kan zijn dan dat [medeverdachte 2] de aanmerkelijke kans op vorenbedoeld gevolg ook heeft aanvaard. Van contra-indicaties voor deze vaststelling is uit het onderzoek ter terechtzitting niet gebleken.

Gelet op het voorgaande heeft [medeverdachte 2] willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij derden die zich in zijn schootsveld bevonden van het leven zou beroven zodat aldus, tenminste in voorwaardelijke zin, zijn opzet daarop was gericht. Dat dit gevolg niet is ingetreden is uitsluitend te danken aan omstandigheden buiten de wil van [medeverdachte 2].

Is er sprake van medeplegen?

Door de advocaat-generaal is aan allen die bij de schietpartij zelf hebben geschoten ten laste gelegd dat zij dat tezamen en in vereniging hebben gedaan.

De raadsvrouw heeft als volgt aangevoerd.

[Medeverdachte 2] dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde medeplegen met [slachtoffer 1]; [medeverdachte 2] heeft immers nooit gewild dat [slachtoffer 1] in het café zou schieten.

Ook voor een medeplegen met [medeverdachte 1] is geen wettig en overtuigend bewijs voorhanden.

[Medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] wisten weliswaar van elkaar dat zij elk een wapen droegen, die bij confrontatie met [slachtoffer 1] eventueel gebruikt kon worden, echter hebben zij nooit gedacht en dus ook niet de kans aanvaard, dat het in café El Hombre tot een confrontatie zou komen. Bovendien heeft

[medeverdachte 2], gezien de situatie waarin hij zich bevond en het korte tijdbestek waarin één en ander heeft plaatsgehad, zich niet kunnen distantiëren van het handelen van [medeverdachte 1].

Subsidiair voert de raadsvrouw aan dat, gezien het geconstateerde letsel bij de slachtoffers en het munitieonderzoek, ten aanzien van [medeverdachte 1] uitsluitend poging doodslag op [slachtoffer 6] bewezenverklaard kan worden.

Het hof gaat uit van het volgende:

Vast is komen te staan dat [slachtoffer 1] als eerste vanuit de hal in het café heeft geschoten, in de richting van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1]. Hij schoot daarbij alleen.

Door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] is zo snel als zij konden teruggeschoten in de richting van [slachtoffer 1].

[Medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] hebben daarbij nauw en bewust met elkaar samengewerkt zoals voor medeplegen vereist: zij waren bevriend en hadden zich ieder van een vuurwapen voorzien (en wisten dat van elkaar) om zich te weer te stellen tegen hun gemeenschappelijke tegenstander, [slachtoffer 1], van wie zij wisten dat hij een vuurwapen had aangeschaft, althans dat deze meestal een vuurwapen bij zich droeg.

De drie tenlasteleggingen verschillen onderling voorzover de schutters op elkaar hebben geschoten, maar zijn gelijk voorzover de vijf buitenstaanders verwondingen hebben opgelopen door de afgevuurde patronen. In deze opvatting zouden dus niet alleen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] hebben samengewerkt/medegepleegd, maar zouden alle drie de schutters met elkaar samen, met name het schieten op de vijf buitenstaanders/slachtoffers, hebben gepleegd.

Uit het requisitoir is niet expliciet duidelijk geworden of de advocaat-generaal deze visie heeft gehandhaafd. Voorzover dat laatste het geval is, wordt opgemerkt dat het hof deze redenering niet volgt.

In de regel zal medeplegen bestaan uit het samen willen bereiken van het zelfde doel, daar valt moeilijk onder te brengen een variant van vijandelijke samenwerking, die dan zou hebben bestaan tussen [slachtoffer 1] enerzijds en [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] anderzijds. Het Wetboek van Strafrecht kent wel vormen van vijandelijk samenwerken, bijvoorbeeld deelneming in artikel 141 (openlijke geweldpleging) of artikel 306 (deelneming aan aanval of vechterij). De vraag of in deze zaak door de drie schutters is deelgenomen aan bedoelde schietpartij behoeft echter geen beantwoording nu geen van deze artikelen (mede) zijn ten laste gelegd.

Op wie was de (voorwaardelijke) opzet van de medeplegers gericht?

Gelet op het bovenstaande wordt ervan uitgegaan dat de (voorwaardelijke) opzet van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] was gericht op een ieder die zich in hun schootsveld bevond.

Uit het technisch onderzoek34 is gebleken dat er in het café vanuit twee verschillende richtingen is geschoten, zowel vanuit de omgeving van de ingang het café in als vanuit het midden van het café naar de voorzijde van het café.

Dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] vanuit het midden van het café op [slachtoffer 1], althans naar de voorzijde van het café hebben geschoten - waar [slachtoffer 1] zich bevond - staat vast.

Op basis van het onderzoek naar het letsel van de (mede) door, hetzij [medeverdachte 2] dan wel [medeverdachte 1], geraakte slachtoffers, [slachtoffer 6], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4], kan in ieder geval ook worden geconcludeerd dat zij zich op enig moment in dat schootsveld bevonden.

Gezien het vorenstaande kan worden bewezen dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] in ieder geval samen opzet hadden, al dan niet in voorwaardelijke zin, op het doden van [slachtoffer 1], [slachtoffer 6], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4].

Niet kan worden bewezen dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] tevens voorwaardelijke opzet hadden op het doden van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 5]. Dit nu niet bekend is geworden of dezen zich, ten tijde van het schieten door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1], in hun schootsveld bevonden. Evenmin is komen vast te staan dat zij slachtoffer zijn geworden van kogels uit de vuurwapens van [medeverdachte 2] of [medeverdachte 1].

Van dit deel van de tenlastelegging zal [medeverdachte 2] dan ook worden vrijgesproken.

Gelet op het bovenstaande is wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 2] het onder 1 impliciet subsidiair tenlastegelegde heeft begaan op de wijze dat:

hij op 10 augustus 2007 te Spijkenisse ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk meer personen (onder meer) genaamd [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 6] van het leven te beroven tezamen en in vereniging met een ander met dat opzet, met meer vuurwapens op, althans in de richting van, voornoemde personen kogels heeft afgevuurd, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsmotivering en bewezenverklaring feit 2 subsidiair

Van de volgende feiten en omstandigheden is uitgegaan.

In de nacht van 28 op 29 juli 2007 bevinden [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zich in discotheek De Hoeve te Spijkenisse. [Slachtoffer 1] is daar eveneens aanwezig. Omstreeks 03.00 uur ontstaat er een schermutseling waarbij [medeverdachte 2] [slachtoffer 1] meerdere vuistslagen en trappen in het gezicht geeft.35 Nadat portiers van de discotheek [medeverdachte 2] tegenhouden, geeft [medeverdachte 1] een aantal vuistslagen in het gezicht van [slachtoffer 1], die inmiddels op de grond ligt. Ook heeft [medeverdachte 1] een aantal schoppen tegen het hoofd en het lichaam van [slachtoffer 1] gegeven.36 [Slachtoffer 1] was op dat moment mogelijk niet meer bij bewustzijn.

Als gevolg van het fysiek geweld dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] tegen [slachtoffer 1] hebben gebruikt, heeft deze diverse verwondingen aan zijn gezicht en hoofd opgelopen, waarvan enkele gehecht moesten worden.37

Aan [medeverdachte 2] is subsidiair ten laste gelegd dat hij, samen met [medeverdachte 1], op 29 juli 2007 te Spijkenisse [slachtoffer 1] stevig heeft mishandeld door hem te schoppen en te slaan, hetgeen een poging tot zware mishandeling zou moeten opleveren.

Namens [medeverdachte 2] is aangevoerd dat van medeplegen geen sprake kan zijn, omdat [medeverdachte 2] zijn handelen al had gestaakt toen [medeverdachte 1] daaropvolgend en uit eigener beweging besloot tot en begon met het schoppen en slaan van [slachtoffer 1].

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Fysiek geweld zoals door [medeverdachte 2] uitgeoefend, in het bijzonder het tegen het hoofd schoppen van een op de grond liggend slachtoffer, kan leiden tot zwaar lichamelijk letsel en levert dus poging zware mishandeling op.

Het door de advocaat-generaal ten laste gelegde medeplegen is niet bewezen. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] hebben [slachtoffer 1] niet tegelijkertijd, maar na elkaar mishandeld. Niet gebleken is verder dat [medeverdachte 1] tevoren op de hoogte was van de fysieke confrontatie tussen [medeverdachte 2] en [slachtoffer 1] of dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] op dit punt anderszins hebben samengewerkt. Van een voor medeplegen vereiste bewuste en nauwe samenwerking en een gezamenlijke uitvoering om [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen is dan ook niet gebleken.

Ter terechtzitting heeft [medeverdachte 2] nog verklaard dat hij de dreigementen en het getreiter van de zijde van [slachtoffer 1] in zijn richting zat was en dat hij, om [slachtoffer 1] de halt toe te roepen, in een opwelling 'helemaal los ging op [slachtoffer 1]'.

Hieromtrent overweegt het hof als volgt.

Wat verder ook zij van eerdere dreigementen of andere gedragingen van [slachtoffer 1] in de richting van [medeverdachte 2], het vorenstaande is door de raadsvrouw van [medeverdachte 2] niet als uitdrukkelijk verweer naar voren gebracht en evenmin van een duidelijke conclusie voorzien, zodat het geen verdere bespreking behoeft.

Gelet op het bovenstaande is wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 2] het onder 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan op de wijze dat:

hij op 29 juli 2007 te Spijkenisse ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd

[slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet tegen het hoofd en tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft geslagen en/of gestompt en/of geschopt en/of getrapt, terwijl die [slachtoffer 1] (buiten bewustzijn) op de grond lag, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsmotivering en bewezenverklaring feit 3

Van de volgende feiten en omstandigheden is uitgegaan.

Op 10 augustus 2007 heeft [medeverdachte 2] in café El Hombre te Spijkenisse een geladen revolver bij zich gedragen.38

Aan [medeverdachte 2] is tenlastegelegd het bezit van een vuurwapen, te weten een revolver en/of munitie van het kaliber .357 Magnum of .38 Speciaal, gepleegd te Spijkenisse op 10 augustus 2007.

Hieromtrent overweegt het hof als volgt.

Uit eerder aangehaald munitieonderzoek is vastgesteld dat de aangetroffen munitiedelen (T030 en T-032) en kogels (T-00l, T-l14 en T-l15) zeer waarschijnlijk van het kaliber .38 Special of .357 Magnum zijn.39 Met betrekking tot deze kogels wordt aangenomen dat deze afkomstig zijn uit wapen 3, een revolver van het kaliber .38 Special of .357 Magnum.

Voorts wordt - gelet op de eigen verklaring van [medeverdachte 2]40 dat hij in café El Hombre met een revolver heeft geschoten - aangenomen dat [medeverdachte 2] degene is geweest die wapen 3 voorhanden heeft gehad, nu de andere twee bij de schietpartij gebruikte wapens geen revolvers zijn.

Het vorenstaande is niet betwist door de raadsvrouw van [medeverdachte 2]. Derhalve is het hof van oordeel dat gelet op het bovenstaande wettig en overtuigend is bewezen dat [medeverdachte 2] het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan op de wijze dat:

hij op 10 augustus 2007 te Spijkenisse een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 categorie III onder 1° van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3° van die wet in de vorm van een revolver voorhanden heeft gehad en munitie van categorie III, te weten .357 Magnum en/of .38 Special voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid feiten en verdachte

Ten aanzien van feit 1:

De raadslieden van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] hebben namens hun cliënten een beroep gedaan op noodweer dan wel noodweerexces en op basis daarvan betoogd dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] moeten worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Zij hebben die stelling onderbouwd en toegelicht in de door hen aan het hof overgelegde pleitnotities. De advocaat-generaal acht een noodweersituatie c.q. noodweerexcessituatie niet aanwezig en druist in casu in tegen het rechtsgevoel.

Het hof verwerpt die verweren en overweegt daartoe als volgt.

Uit het dossier en uit het verhandelde ter terechtzitting kan vastgesteld worden dat [slachtoffer 1] op 10 augustus 2007 café El Hombre te Spijkenisse is binnengekomen en vrijwel direct het vuur op [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] heeft geopend. Er was daarmee naar het oordeel van het hof sprake van een noodweersituatie. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] hebben daarop teruggeschoten waarbij niet [slachtoffer 1], maar wel een aantal cafébezoekers gewond zijn geraakt.

De gedragingen van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] voorafgaand aan het moment dat [slachtoffer 1] hen heeft beschoten staan echter in de weg aan het slagen van een beroep op noodweer of noodweerexces.

Daarbij is het volgende van belang:

Nadat [slachtoffer 1] op 29 juli 2008 door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] ernstig is mishandeld rekenden [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] op een verdere escalatie van het conflict in de toekomst. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] hebben daarover in dit verband ter terechtzitting beaamd dat de "situatie op scherp stond". Ook de omgeving van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] heeft hen gewaarschuwd voor een verdere escalatie.

Op grond daarvan hielden zij er ernstig rekening mee, dan wel, verwachtten zij dat [slachtoffer 1] bij een volgend treffen met vuurwapengeweld zou reageren. Vanwege deze dreiging hebben zij beiden een vuurwapen aangeschaft.

Hoewel [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] naar eigen zeggen voor het eerst in hun leven over een vuurwapen beschikten en dus ongeoefende schutters waren, hebben zij hun geladen wapens meegenomen naar café El Hombre, waar zich op dat moment een groot aantal bezoekers bevond. Omdat zij wisten dat ook [slachtoffer 1] dat café bezocht, zij het minder frequent dan [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1], hadden zij een confrontatie met [slachtoffer 1] op die plaats en onder die omstandigheden dienen te voorkomen.

Nu zij het op een confrontatie met [slachtoffer 1] in dat druk bezochte café hebben laten aankomen kan het beroep op noodweer niet worden aanvaard.

Ook het beroep op noodweerexces moet om die reden worden afgewezen.

Wel zal het hof, wanneer aan de overige vereisten voor bestraffing is voldaan, met het bestaan van de noodweersituatie bij de bepaling van de strafmaat, meer dan de rechtbank en de advocaat-generaal, rekening houden.

De bewezen feiten leveren op:

1.

Medeplegen van poging tot doodslag, meermalen gepleegd;

2. subsidiair

Poging tot zware mishandeling;

3.

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie.

De feiten zijn strafbaar.

De verdachte is strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 impliciet subsidiair, 2 subsidiair en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van [medeverdachte 2], zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

[Medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] hebben op de bewezenverklaarde wijze zwaar lichamelijk letsel toegebracht aan [slachtoffer 1]. [Medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] hebben aldus excessief geweld gebruikt.

Dit feit heeft tot gevolg gehad dat nadien een schietpartij heeft plaatsgevonden in café El Hombre, waarbij [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] als ongeoefende schutters in dit druk en niet al te groot café, meermalen hebben teruggeschoten op [slachtoffer 1], zonder deze te raken. Evenwel zijn daarbij een aantal andere cafébezoekers (zwaar) gewond geraakt. Het is niet aan [medeverdachte 2] of de andere schutters te danken dat er geen doden zijn gevallen.

[Medeverdachte 2] heeft met deze handelwijze een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers en verontrusting veroorzaakt in de samenleving. Voorts wordt het kennelijke gemak waarmee [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] in deze zaak zijn omgegaan met het bezit en gebruik van vuurwapens uitermate zorgwekkend geacht.

Blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 22 juni 2009, is de verdachte eerder veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Voor wat betreft de overschrijding van de inzendingstermijn volstaat het hof in het licht van de hierna te nemen beslissing met de vaststelling dat de inzendingstermijn van acht maanden met één maand is overschreden.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van navermelde duur een passende en geboden reactie vormt.

Vorderingen tot schadevergoeding

[slachtoffer 6]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 6] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan [medeverdachte 2] onder 1 tenlastegelegde, tot een bedrag van in totaal € 18.157,-.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

Naar het oordeel van het hof is de vordering van de benadeelde partij niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het onderhavige strafproces.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu door of namens [medeverdachte 2] niet is gesteld dat deze met het oog op de verdediging tegen de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij kosten heeft gemaakt, kan een kostenveroordeling achterwege blijven.

[slachtoffer 3]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 3] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan [medeverdachte 2] onder 1 tenlastegelegde, tot een bedrag van in totaal

€ 57.615,26.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

Naar het oordeel van het hof is de vordering van de benadeelde partij niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het onderhavige strafproces.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu door of namens [medeverdachte 2] niet is gesteld dat deze met het oog op de verdediging tegen de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij kosten heeft gemaakt, kan een kostenveroordeling achterwege blijven.

[slachtoffer 2]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan [medeverdachte 2] onder 1 tenlastegelegde, tot een bedrag van in totaal

€ 13.284,81.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in de vordering.

Naar het oordeel van het hof is de vordering van de benadeelde partij niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het onderhavige strafproces.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu door of namens [medeverdachte 2] niet is gesteld dat deze met het oog op de verdediging tegen de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij kosten heeft gemaakt, kan een kostenveroordeling achterwege blijven.

[slachtoffer 5]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 5] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan [medeverdachte 2] onder 1 tenlastegelegde, tot een bedrag van in totaal € 1.500,-, bij wijze van voorschot.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in de vordering.

Naar het oordeel van het hof is de vordering van de benadeelde partij niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het onderhavige strafproces.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu door of namens [medeverdachte 2] niet is gesteld dat deze met het oog op de verdediging tegen de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij kosten heeft gemaakt, kan een kostenveroordeling achterwege blijven.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 45, 47, 57, 287 en 302 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet primair en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet subsidiair, 2 subsidiair en 3 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

4 (vier) jaren.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 6] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering dan ook slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 3] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering dan ook slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering dan ook slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 5] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering dan ook slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit arrest is gewezen door mr. P.J. Wurzer,

mr. S.J.A.M. van Gend en mr. J.C.F. van Gelder, in bijzijn van de griffier mr. S. Imami.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 20 juli 2009.

1 Ambtsedig proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond, nummer 2007273124, opgemaakt en op 13 augustus 2007 ondertekend door de opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende veiliggestelde videobeelden, p. 1 van 2 en p. 6 van 17 en overzichtstekening van Café El Hombre, zijnde een print van de 3D-reconstructie, p. 198, 199 en 205.

2 Ambtsedig proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond, nummer 2007273124-86, opgemaakt en op 21 augustus 2007 ondertekend door opsporingsambtenaren (verhoor [slachtoffer 1]), p. 255.

3 Proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 3] d.d. 22 april 2008, opgemaakt door mr. Van der Bijl, rechter-commissaris en proces-verbaal van verhoor [getuige 1] d.d. 12 maart 2008, opgemaakt door mr. Van der Bijl, rechter-commissaris.

4 Zie 2.

5 Verklaring van [medeverdachte 1] op de terechtzitting van 20 mei 2008.

6 Verklaring van [medeverdachte 2] op de terechtzitting van 20 mei 2008.

7 Ander geschrift, te weten geneeskundige verklaring van de FARR d.d. 27 augustus 2007, betreffende [slachtoffer 6], opgemaakt door de forensisch arts L.C. Los, p. 422.

8 Ander geschrift, te weten geneeskundige verklaring van de FARR d.d. 20 februari 2008, betreffende, [medeverdachte 1], opgemaakt door de forensisch arts L.C. Los, p. 621.

9 Ander geschrift, te weten geneeskundige verklaring van de FARR d.d. 4 april 2008, betreffende [slachtoffer 3], opgemaakt door de forensisch arts L.C. Los, ongenummerd.

10 Ander geschrift, te weten geneeskundige verklaring van de FARR d.d. 19 september 2007, betreffende [slachtoffer 2], opgemaakt door de forensisch arts L.C. Los, p. 425.

11 Ander geschrift, te weten geneeskundige verklaring van de FARR d.d. 4 december 2007, betreffende [slachtoffer 5], opgemaakt door de forensisch arts L.C. Los, p. 620.

12 Ander geschrift, te weten geneeskundige verklaring van de FARR d.d. 19 oktober 2007, betreffende [slachtoffer 4], opgemaakt door de forensisch arts L.C. Los, p. 426.

13 Ambtsedig rapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Rijswijk d.d. 20 september 2007, nummer 2007.08.20.125, opgemaakt door de vast gerechtelijk deskundige R. Hermsen, voor zover

inhoudende Munitieonderzoek naar aanleiding van een schietpartij in Spijkenisse op 10 augustus 2007, p. 516 e.v.

14 Zie 13, p. 515.

15 Zie 13, p. 516.

16 Zie 15 en bijlage bij ambtsedig proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond, nummer 0708100100AMB, opgemaakt en op 24 september 2007 ondertekend door opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende technisch onderzoek door forensische opsporing, p. 525-589.

17 Ambtsedig proces-verbaal van politie Rotterdam-Rijnmond, nummer 2007273124, opgemaakt en op 24 september 2007 ondertekend door opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende technisch onderzoek door forensische opsporing, inclusief bijlagen, waaronder Goederen- en sporenlijst, p. 591-605 en zie 13, p. 518.

18 Zie 6.

19 Ambtsedig rapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Rijswijk d.d. 7 december 2007, nummer 2007.08.20.125, opgemaakt door de vast gerechtelijk deskundige ing. R.C. Roepnarain, voor zover inhoudende Schotrestenonderzoek naar aanleiding van een schietincident in Spijkenisse op 10 augustus 2007, p. 656.

20 Zie 19.

21 Zie 19 en 11.

22 Zie 19 en 10.

23 Zie 19 en 9.

24 Ambtsedig proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond, nummer 2007273124, opgemaakt en op 24 september 2007 ondertekend door opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende technisch onderzoek door forensische opsporing, inclusief bijlagen, waaronder Goederen- en sporenlijst, p. 605 en zie 9.

25 Zie 13.

26 Zie 17.

27 Ambtsedig rapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Rijswijk d.d. 10 maart 2008, nummer 2007.08.20.125. opgemaakt door de vast gerechtelijk deskundige W. Kerkhoff, voor zover inhoudende Aanvullend munitieonderzoek naar aanleiding van een schietincident in Spijkenisse op 10 augustus 2007, p. 712, zie 7 en zie 13.

28 Zie 27.

29 Zie 8.

30 Zie 8.

31 Proces-verbaal van verhoor getuige [medeverdachte 1] d.d. 13 maart 2008, opgemaakt door mr. Van der Bijl, rechter-commissaris.

32 Zie 6, p. 173 en 174.

33 Verklaring van [medeverdachte 2] op de terechtzitting van 20 en 22 mei 2008 en het verhoor van [medeverdachte 2] bij de rechter-commissaris op 21 augustus 2007.

34 Ambtsedig proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond, nummer 2007273124, opgemaakt en op 24 september 2007 ondertekend door opsporingsambtenaren. voor zover inhoudende technisch onderzoek door forensische opsporing + bijlagen, p. 589.

35 Ambtsedig proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond, nummer 2007260026-5, opgemaakt en op 18 augustus 2007 ondertekend door opsporingsambtenaren (verhoor [medeverdachte 2]), p.16 en p. 17.

36 Verklaring van [medeverdachte 1] op de terechtzitting van 20 mei 2008.

37 Ambtsedig proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond, nummer 2007260026-1, opgemaakt en op 29 juli 2007 ondertekend door de opsporingsambtenaar met fotobijlagen (verhoor aangever [slachtoffer 1]), p. 2.

38 Verklaring van [medeverdachte 2] op de terechtzitting van 20 mei 2008.

39 Zie 13, p. 515.

40 Verklaring van [medeverdachte 2] ter terechtzitting van 20 mei 2008,