Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BJ2865

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-06-2009
Datum publicatie
16-07-2009
Zaaknummer
BK-08-00520
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:BM3338, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uit een bij belanghebbende ingesteld boekenonderzoek is gebleken dat hij geen ondernemer is in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968. Belanghebbende bestrijdt dit niet. De Inspecteur heeft aan belanghebbende over het tijdvak van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2005 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd, omdat belanghebbende in 2005 twee facturen met vermelding van omzetbelasting heeft uitgereikt.

Tijdens de behandeling van het door belanghebbende ingediende bezwaarschrift heeft de Inspecteur vastgesteld dat belanghebbende creditfacturen heeft uitgereikt en dat de afnemer van de prestaties de in aftrek gebrachte omzetbelasting op aangifte heeft voldaan.

De Inspecteur is vervolgens aan het bezwaar van belanghebbende voor zover het de heffing van omzetbelasting betreft tegemoetgekomen en heeft bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag verminderd tot nihil.

In hoger beroep is in geschil het antwoord op de vraag of belanghebbende recht heeft op een schadevergoeding. De Inspecteur weerspreekt de eis om schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2009/51.1.2
FutD 2009-1533
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE ’s-GRAVENHAGE

Sector belasting

nummer BK-08/00520

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer van 26 juni 2009

in het geding tussen:

[belanghebbende] te [Z], hierna: belanghebbende,

en

de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Rijnmond (kantoor [P]), hierna: de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de (mondelinge) uitspraak van de rechtbank ’s Gravenhage van 11 december 2008, nummer AWB 07/8023 OB, betreffende de hierna vermelde naheffingsaanslag.

1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende is, gedagtekend 27 juni 2007, een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd over het tijdvak van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2005. De nageheven belasting bedraagt € 4.750.

1.2. Op 3 juli 2007 heeft de Inspecteur een bezwaarschrift van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag ontvangen.

1.3. Aan het tegen de naheffingsaanslag door belanghebbende ingediende bezwaar is bij uitspraak van de Inspecteur van 5 september 2007 met kenmerk [xxx.xx.xxx] voor zover het de heffing van omzetbelasting betreft volledig tegemoet gekomen.

1.4. Het tegen de uitspraak op bezwaar door belanghebbende ingestelde beroep is door de rechtbank ongegrond verklaard.

2. Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 12 juni 2009, gehouden te Den Haag. Daar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

3. Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is in hoger beroep, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1. Uit een bij belanghebbende ingesteld boekenonderzoek is gebleken dat hij geen ondernemer is in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968. Belanghebbende bestrijdt dit niet. De Inspecteur heeft aan belanghebbende over het tijdvak van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2005 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd, omdat belanghebbende in 2005 twee facturen met vermelding van omzetbelasting heeft uitgereikt.

3.2. Tijdens de behandeling van het door belanghebbende ingediende bezwaarschrift heeft de Inspecteur vastgesteld dat belanghebbende creditfacturen heeft uitgereikt en dat de afnemer van de prestaties de in aftrek gebrachte omzetbelasting op aangifte heeft voldaan.

3.3. De Inspecteur is vervolgens aan het bezwaar van belanghebbende voor zover het de heffing van omzetbelasting betreft tegemoetgekomen en heeft bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag verminderd tot nihil.

4. Beoordeling door de rechtbank

Bij de uitspraak waarvan hoger beroep heeft de rechtbank het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard.

5 Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

5.1. In hoger beroep is in geschil het antwoord op de vraag of belanghebbende recht heeft op een schadevergoeding. De Inspecteur weerspreekt de eis om schadevergoeding.

5.2. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen, verwijst het Hof naar de gedingstukken.

6. Conclusies van partijen

6.1. De conclusie van belanghebbende strekt tot gegrondverklaring van het hoger beroep en tot toekenning van een schadevergoeding ter hoogte van de door hem gestelde schade van € 5.000.

6.2. De conclusie van de Inspecteur strekt tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

7. Overwegingen omtrent het hoger beroep

7.1. Nu de Inspecteur in de bezwaarfase volledig aan het bezwaar van belanghebbende is tegemoet gekomen en de naheffingsaanslag heeft vernietigd, heeft belanghebbende in zoverre geen belang. Het belang betreft enkel nog de aanspraak van belanghebbende op een schadevergoeding.

7.2. Met betrekking tot de door belanghebbende gevraagde schadeloosstelling oordeelt het Hof dat voor toekenning van een schadevergoeding geen plaats is, nu tegenover de betwisting door de Inspecteur belanghebbende onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld en, voor zover gesteld, onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt, die de conclusie rechtvaardigen dat door het handelen van de Inspecteur de gestelde schade is ontstaan. De stelling van belanghebbende faalt, zodat moet worden beslist als volgt.

8. Proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding een proceskostenveroordeling uit te spreken.

9. Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is vastgesteld door mrs. U.E. Tromp, J.T. Sanders en B. van Walderveen, in tegenwoordigheid van de griffier mr. L. van den Bogerd. De beslissing is op 26 juni 2009 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.