Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BJ2862

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-06-2009
Datum publicatie
16-07-2009
Zaaknummer
BK-08/00194
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende houdt zich als ondernemer voor de omzetbelasting onder meer bezig met de verkoop van muziek-cd’s. Bij invoering van de euro heeft zij in het kader van de verkoop van cd’s een wisselactie, genaamd ”De Laatste Ronde” (hierna: de wisselactie), gevoerd. De wisselactie houdt in dat een klant bij belanghebbende een voorbedrukte enveloppe haalt waarop hij enkele persoonlijke gegevens invult, waarna de enveloppe wordt gevuld met bepaalde buitenlandse valuta die op de buitenzijde van de enveloppe zijn voorgedrukt. Vervolgens rekent de klant die valuta tegen de officiële, op de enveloppe vermelde wisselkoersen ten opzichte van de euro om naar de waarde in guldens of euro’s en vermenigvuldigt daarna het totaalbedrag met 0,8 casu quo vermindert dat bedrag met twintig percent. Met het aldus verkregen bedrag kan de klant tegen inlevering van de enveloppe een cd kopen. De aftrek van twintig percent is door belanghebbende tegenover haar klanten gepresenteerd als een vergoeding voor handlingskosten. De klant mag de enveloppe niet dichtplakken, zodat de inhoud in de winkel kan worden gecontroleerd.

Met betrekking tot het hoger beroep houdt partijen in het bijzonder het antwoord op de vraag verdeeld of de vergoeding voor de handlingskosten in de heffing van omzetbelasting dient te worden betrokken, welke vraag belanghebbende ontkennend en de Inspecteur bevestigend beantwoordt. Tussen partijen staat vast dat, zo het gelijk aan de zijde van belanghebbende is, de naheffingsaanslag moet worden verminderd met € 130.649, de naheffingsaanslag voor het resterende bedrag in stand moet blijven en dat, in verband daarmee, de boetebeschikking moet worden gehandhaafd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2010/6.28 met annotatie van Redactie
FutD 2009-1512
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE ’s-GRAVENHAGE

Sector belasting

nummer BK-08/00194

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer van 26 juni 2009

in het geding tussen:

[belanghebbende] te [Z], hierna: belanghebbende,

en

de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst Rijnmond (kantoor [P]), hierna: de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank ’s Gravenhage van 17 april 2008, nummer AWB 06/6397 OB, LJN: BD2536, Vakstudie Nieuws 2008/42.2.4, betreffende de hierna vermelde naheffingsaanslag.

1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende is over het tijdvak van 1 januari 2000 tot en met 30 september 2004 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting, met dagtekening 28 december 2005 en met aanslagnummer [xx.xx.xxx.X.xx.xxxx], ten bedrage van € 143.992 opgelegd. Tegelijk met de naheffingsaanslag is aan belanghebbende een boete opgelegd van € 3.875.

1.2. Bij de uitspraak op het door belanghebbende gemaakte bezwaar heeft de Inspecteur de naheffing en boete gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 281. Bij de in de aanhef vermelde uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

2. Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. De griffier heeft in verband daarmee van belanghebbende een griffierecht geheven van € 433.

2.2. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.3. Belanghebbende heeft vervolgens een conclusie van repliek ingediend, waarop de Inspecteur heeft gereageerd met een conclusie van dupliek.

2.4. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 12 juni 2009, gehouden te Den Haag. Daar zijn beide partijen verschenen. Van het ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt.

3. Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is in hoger beroep, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende zoals ook door de rechtbank is vastgesteld komen vast te staan:

3.1. Belanghebbende houdt zich als ondernemer voor de omzetbelasting onder meer bezig met de verkoop van muziek-cd’s. Bij invoering van de euro heeft zij in het kader van de verkoop van cd’s een wisselactie, genaamd ”De Laatste Ronde” (hierna: de wisselactie), gevoerd. De wisselactie houdt in dat een klant bij belanghebbende een voorbedrukte enveloppe haalt waarop hij enkele persoonlijke gegevens invult, waarna de enveloppe wordt gevuld met bepaalde buitenlandse valuta die op de buitenzijde van de enveloppe zijn voorgedrukt. Vervolgens rekent de klant die valuta tegen de officiële, op de enveloppe vermelde wisselkoersen ten opzichte van de euro om naar de waarde in guldens of euro’s en vermenigvuldigt daarna het totaalbedrag met 0,8 casu quo vermindert dat bedrag met twintig percent. Met het aldus verkregen bedrag kan de klant tegen inlevering van de enveloppe een cd kopen. De aftrek van twintig percent is door belanghebbende tegenover haar klanten gepresenteerd als een vergoeding voor handlingskosten. De klant mag de enveloppe niet dichtplakken, zodat de inhoud in de winkel kan worden gecontroleerd.

3.2. Belanghebbende levert de enveloppen in bij het bedrijf [A] waarmee zij in het kader van de uitvoering van de wisselactie een contract heeft gesloten. Voor een enveloppe ontvangt belanghebbende van [A] het bedrag dat op de enveloppe is vermeld, dat wil zeggen na aftrek van een bedrag voor handlingskosten.

3.3. Belanghebbende heeft het bedrag voor de handlingskosten buiten de heffing van omzetbelasting gelaten. Meer in het bijzonder heeft zij voor de heffing van omzetbelasting het bedrag voor de handlingskosten niet in aanmerking genomen als onderdeel van de vergoeding voor de cd die tegen inlevering van de enveloppe is geleverd.

3.4. Naar aanleiding van de bevindingen van een bij belanghebbende ingesteld boekenonderzoek heeft de Inspecteur de onderwerpelijke naheffingsaanslag opgelegd. Aan de naheffing, voor zover hier van belang, ligt de opvatting ten grondslag dat de vergoeding voor de handlingskosten deel uitmaakt van de voor de omzetbelasting in aanmerking te nemen vergoeding voor de levering van de cd.

4. Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1. Met betrekking tot het hoger beroep houdt partijen in het bijzonder het antwoord op de vraag verdeeld of de vergoeding voor de handlingskosten in de heffing van omzetbelasting dient te worden betrokken, welke vraag belanghebbende ontkennend en de Inspecteur bevestigend beantwoordt. Tussen partijen staat vast dat, zo het gelijk aan de zijde van belanghebbende is, de naheffingsaanslag moet worden verminderd met € 130.649, de naheffingsaanslag voor het resterende bedrag in stand moet blijven en dat, in verband daarmee, de boetebeschikking moet worden gehandhaafd.

4.2. Voor de standpunten van partijen en voor de gronden waarop zij hun standpunten doen steunen wordt verwezen naar de stukken van het geding.

5. Conclusies van partijen in hoger beroep

5.1. Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vermindering van de naheffingsaanslag tot op € 13.343.

5.2. De Inspecteur heeft geconcludeerd tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

6. Beoordeling van het hoger beroep

6.1. De vaststaande feiten, in onderlinge samenhang met hetgeen overigens omtrent de opzet en de presentatie van de wisselactie uit de gedingstukken naar voren komt, laten naar ’s Hofs oordeel in redelijkheid geen andere conclusie toe dan dat, ook in de ogen van een modale consument, belanghebbende jegens de klant in het kader van de wisselactie twee voor de heffing van omzetbelasting afzonderlijk in aanmerking te nemen prestaties verricht, te weten de levering van een cd en de prestatie bestaande in het wisselen van valuta. Dat niet alleen in de beleving van belanghebbende zelf, maar (vooral) ook in de beleving van de klant sprake is van twee van elkaar te scheiden handelingen, vloeit voornamelijk voort uit het karakter van de wisselactie, dat aangeeft dat belanghebbende de klant in staat stelt valuta te wisselen en dat het de klant juist ook te doen is om het wisselen van valuta. Ook de Inspecteur stelt in zijn pleitnota dat belanghebbende bereid is om een cd te leveren en de daarbij behorende handling te verrichten voor een vergoeding die bestaat uit bepaalde valuta. Geenszins kan dan ook worden gezegd dat in dit geval de omstandigheden nopen beide prestaties als één handeling te beschouwen.

6.2. Voor het geval wordt geoordeeld dat voor de heffing van omzetbelasting sprake is van twee zelfstandige, onderling scheidbare handelingen, staat tussen partijen vast dat de prestatie bestaande in het wisselen van valuta een financiële prestatie is die als zodanig is vrijgesteld van omzetbelasting. Gelet op de aard van de prestatie en op het vrijstellingsregime van artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel i, punt 1, en onderdeel j, punt 2, van de Wet op de omzetbelasting 1968 volgt het Hof partijen daarin.

6.3. Het gelijk is aan de zijde van belanghebbende. De overige stellingen van belanghebbende behoeven geen behandeling.

6.4. Het vorenstaande voert het Hof tot de slotsom dat het hoger beroep gegrond is. Bijgevolg moet worden beslist als hierna is vermeld.

7. Proceskosten en griffierecht

7.1. In de omstandigheid dat het gelijk aan de zijde van belanghebbende is, vindt het Hof aanleiding de Inspecteur op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar, de behandeling van het beroep en de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten stelt het Hof aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op in totaal € 2.656,50, te specificeren als volgt: kosten gemachtigde: 2 punten x € 161 met wegingsfactor 1,5 (kosten bezwaar), 2 punten x € 322 met wegingsfactor 1,5 (kosten beroep) en 2,5 punten x € 322 met wegingsfactor 1,5 (kosten hoger beroep). Voor een hogere vergoeding acht het Hof geen termen aanwezig.

7.2. Gelet op het bepaalde in artikel 8:74 van de Algemene wet bestuursrecht dient aan belanghebbende het voor de behandeling van het beroep gestorte griffierecht ad € 281 alsook het voor de behandeling van het hoger beroep gestorte griffierecht ad € 433 te worden vergoed.

8. Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de naheffingsaanslag tot op € 13.343;

- handhaaft de boetebeschikking;

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding, aan de zijde van belanghebbende gevallen en vastgesteld op € 2.656,50, onder aanwijzing van de Staat als de rechtspersoon die dat bedrag moet vergoeden; en

- gelast de Staat aan belanghebbende de voor deze zaak gestorte griffierechten van in totaal € 714 te vergoeden.

De uitspraak is vastgesteld door mrs. U.E. Tromp, J.T. Sanders en B. van Walderveen, in tegenwoordigheid van de griffier mr. L. van den Bogerd. De beslissing is op 26 juni 2009 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel het daartoe bevoegde bestuursorgaan als de belanghebbende kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.