Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BJ2858

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-06-2009
Datum publicatie
16-07-2009
Zaaknummer
BK-08/00479
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In het kader van haar bedrijf verzorgt belanghebbende yogalessen, verricht zij massages en verkoopt zij diverse producten. De yogalessen biedt zij op verschillende niveaus aan. Zo zijn er lessen voor beginners, gevorderden, 55-plussers en personen met een fysieke beperking. De vorm van yoga waarin belanghebbende lesgeeft, wordt ook wel ”Hathayoga” genoemd. Belanghebbende maakt gebruik van een ruimte die speciaal voor het geven van de yogalessen is ingericht. Ter zake van de yogalessen heeft zij telkens omzetbelasting aangegeven en voldaan die is berekend naar het algemene tarief.

Met betrekking tot het hoger beroep houdt partijen uitsluitend het antwoord op de vraag verdeeld of met betrekking tot de door belanghebbende gegeven hathayogalessen sprake is van sportbeoefening als bedoeld in post b3 van Tabel I bij de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: post b3 van Tabel I), welke vraag de Inspecteur ontkennend en belanghebbende bevestigend beantwoordt. Voor het geval het gelijk aan de zijde van belanghebbende is, staat tussen partijen vast dat belanghebbende met de hathayogalessen diensten verricht die zijn te rangschikken onder het geven van gelegenheid tot sportbeoefening in de zin van post b3 van Tabel I en dat de uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2009-1531
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE ’s-GRAVENHAGE

Sector belasting

nummer BK-08/00479

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer van 26 juni 2009

in het geding tussen:

mevrouw [belanghebbende] (h/o [A] Yoga & Massage) te [Z], hierna: belanghebbende,

en

de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst Zuidwest (kantoor [P]), hierna: de Inspecteur,

op het hoger beroep van de Inspecteur tegen de uitspraak van de rechtbank ’s Gravenhage van 27 oktober 2008, nummer AWB 07/8908 OB, LJN: BG7410, betreffende de hierna vermelde voldoening op aangifte.

1. Voldoening op aangifte, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Belanghebbende heeft op de aangifte voor de omzetbelasting over het jaar 2006 een bedrag van € 3.575 voldaan.

1.2. Bij de uitspraak op het door belanghebbende tegen die voldoening op aangifte gemaakte bezwaar, waarbij zij om terugbetaling van omzetbelasting heeft verzocht, heeft de Inspecteur het teruggaafverzoek afgewezen.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij de in de aanhef vermelde uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de Inspecteur gelast tot terugbetaling aan belanghebbende van € 3.022 aan omzetbelasting, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 966 en de Staat aangewezen dat bedrag aan belanghebbende te voldoen, en de Staat gelast het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 143 te vergoeden.

2. Loop van het geding in hoger beroep

2.1. De Inspecteur is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof.

2.2. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

2.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 29 mei 2009, gehouden te Den Haag. Daar zijn beide partijen verschenen. Van het ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt.

2.4. Ter zitting zijn tevens behandeld de hogerberoepzaken met de kenmerken BK 08/00480 en BK-08/00481, die betrekking hebben op de door belanghebbende gedane voldoeningen op de aangiften over respectievelijk het eerste en het tweede kwartaal van het jaar 2007. Al hetgeen in de ene zaak is aangevoerd en overgelegd, geldt als aangevoerd en overgelegd in de andere zaken.

3. Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is in hoger beroep, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende zoals ook door de rechtbank is vastgesteld komen vast te staan:

In het kader van haar bedrijf verzorgt belanghebbende yogalessen, verricht zij massages en verkoopt zij diverse producten. De yogalessen biedt zij op verschillende niveaus aan. Zo zijn er lessen voor beginners, gevorderden, 55-plussers en personen met een fysieke beperking. De vorm van yoga waarin belanghebbende lesgeeft, wordt ook wel ”Hathayoga” genoemd. Belanghebbende maakt gebruik van een ruimte die speciaal voor het geven van de yogalessen is ingericht. Ter zake van de yogalessen heeft zij telkens omzetbelasting aangegeven en voldaan die is berekend naar het algemene tarief.

4. Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft met betrekking tot het in het geding in eerste aanleg tussen partijen bestaande geschil omtrent het toe te passen tarief onder meer het volgende overwogen:

4.1. Belanghebbende heeft onweersproken gesteld dat hathayoga erop is gericht om bepaalde blokkades in de doorstroming van de lichaamsenergie los te maken. Spieren die met aandacht worden gerekt, laten oude spanning weer los. Door middel van een systeem van fysieke houdingen (asana’s) en met behulp van de ademhaling wordt de rusteloze geest onder controle gebracht. Een hathayogales is als volgt ingericht:

- Even tot jezelf komen met behulp van een thema, enkele minuten concentratie of het observeren van de ademhaling (5 tot 8 minuten).

- Rekoefeningen van de spieren en spiergroepen, losmaken van de wervelkolom door het doen van bewegingen als het strekken van de wervelkolom, voorover buigen, achterover buigen, zijwaarts buigen, omgekeerde houdingen en torsies, losmaken van gewrichten en eenvoudige ritmische bewegingen, al dan niet uitgevoerd synchroon met het eigen ademritme (10 tot 15 minuten).

- Het aannemen van yogahoudingen (30 tot 50 minuten). Elke houding wordt opgebouwd met vooroefeningen waarbij de moeilijkheidsgraad toeneemt.

- Afbouw: rustige minimale bewegingen, spannen en ontspannen van onderdelen van het lichaam, bewust waarnemen van de ervaringen in het lichaam en van de adem. Ten slotte stil worden en totaal ontspannen (maximaal 15 minuten).

Het is de bedoeling om te leren de houdingen voor langere tijd aan te houden. Gewerkt wordt aan verdieping en/of extra activering en beïnvloeding van de ademhaling. Bij de opbouw van de les wordt rekening gehouden met alle delen van het lichaam, zodat het hele lichaam in actie komt.

4.2. Naar maatschappelijke opvatting is sprake van sportbeoefening bij een actieve inspanning van het eigen lichaam, ter ontspanning of als beroep, die een goede lichamelijke conditie vereist of die is bedoeld om een zodanige conditie te verkrijgen, te behouden of te verbeteren. Aan de hiervoor omschreven actieve inspanning van het eigen lichaam is eigen dat de sportbeoefenaar zelf lichaamsbewegingen uitvoert en zelf de daarvoor benodigde kracht levert. Belanghebbende heeft onweersproken verklaard dat het in haar hathayogalessen gaat om de lichamelijke oefeningen en dat door het doen van die oefeningen kracht en lenigheid worden ontwikkeld en dat ook haar lessen wat betreft de fysieke belasting en inspanning, min of meer op één lijn zijn te stellen met de in het algemeen als sportbeoefening beschouwde activiteiten Pilates, stretching, statische gymnastiek en poweryoga.

4.3. De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat bij de deelname aan de hathayogalessen geen sprake is van sportbeoefening. Het betreft een combinatie van rek-, ademhalings- en ontspanningsoefeningen gericht op het werken aan het evenwicht tussen lichaam en geest en op ademhaling die een lichamelijke en geestelijke inspanning vereisen, die volgens de Inspecteur niet is gericht op training van het lichaam, conditietraining en het krachtiger en behendiger worden.

4.4. In het onderhavige geval is naar maatschappelijke opvatting sprake van sportbeoefening. Het al dan niet aanwezig zijn van een competitief element is niet doorslaggevend bij de beoordeling of sprake is van sportbeoefening. Dat bij de lessen (veel) aandacht wordt besteed aan de ademhaling en eventuele (energie)blokkades doet evenmin daaraan af. Juist door het resultaat van de hathayogaoefeningen, een soepeler, krachtiger lichaam, kan voornoemd evenwicht worden bereikt. Het element van sportbeoefening staat derhalve bij de hathayogalessen van belanghebbende voorop.

5. Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

5.1. Met betrekking tot het hoger beroep houdt partijen uitsluitend het antwoord op de vraag verdeeld of met betrekking tot de door belanghebbende gegeven hathayogalessen sprake is van sportbeoefening als bedoeld in post b3 van Tabel I bij de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: post b3 van Tabel I), welke vraag de Inspecteur ontkennend en belanghebbende bevestigend beantwoordt. Voor het geval het gelijk aan de zijde van belanghebbende is, staat tussen partijen vast dat belanghebbende met de hathayogalessen diensten verricht die zijn te rangschikken onder het geven van gelegenheid tot sportbeoefening in de zin van post b3 van Tabel I en dat de uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd.

5.2. De Inspecteur heeft ter bestrijding van het oordeel van de rechtbank en tegenover de gemotiveerde stellingname van belanghebbende staande gehouden dat te dezen geen sprake is van activiteiten die in het algemeen als sportbeoefening zijn te beschouwen, in het bijzonder omdat het bij hathayoga niet gaat om een actieve fysieke inspanning die is gericht op het verbeteren van de conditie, kracht of vaardigheid.

5.3. In beroep en hoger beroep heeft belanghebbende aangevoerd en ter zitting, mede aan de hand van een daar getoonde DVD-opname, toegelicht (zakelijk weergegeven):

- dat bij hathayoga niet meditatie en ontspanning maar kracht, snelheid, behendigheid en denkvermogen vooropstaan;

- dat hathayoga wat dat betreft volledig verschilt van de meditatieve yoga;

- dat van alle vormen van yoga in feite alleen hathayoga hoofdzakelijk fysiek van aard is;

- dat hathayoga als derde stap in de yogaontwikkeling de yoga van de lichamelijke oefeningen is;

- dat een hathayogales altijd uit oefeningen bestaat waarbij het gaat om een combinatie van fysieke inspanning en ademhaling;

- dat bij de beoefening van hathayoga de nadruk ligt op het bevorderen van een krachtige gezondheid en het aanboren van de latente energieën van het lichaam;

- dat hathayoga tegelijkertijd een integrerend en kalmerend effect op de geest heeft;

- dat hathayogaoefeningen vooral erop zijn gericht om in de doorstroming van de lichaamsenergie veroorzaakte blokkades als stijfheid van spieren en gewrichten en ook gevoelens van spanning in het lichaam op te heffen;

- dat met hathayogaoefeningen een actieve fysieke inspanning is gemoeid die erop is gericht om door het trainen van vaardigheid en kracht een goede conditie te verkrijgen;

- dat al naar gelang de doelgroep de intensiteit van de hathayogaoefeningen wordt aangepast;

- dat de meeste hathayogacursisten vooral komen om op verantwoorde wijze bezig te zijn met het lichaam, om een betere ademhaling te ontwikkelen, om de concentratie te bevorderen en om te leren ontspannen;

- dat de DVD-opname laat zien dat op het ministerie van Financiën, speciaal in het kader van het door het NISB (Nederlands Instituut voor Sport en Beweging) gestimuleerde ”bewegen op het werk”, aan de beoefening van hathayoga wordt gedaan met het doel het personeel lichamelijk fitter te maken en beter te laten presteren en dat hathayoga ook daar wordt beschouwd als een vorm van sport, net als fitness en gymnastiek.

5.4. Voor de standpunten van partijen en voor de gronden waarop zij hun standpunten doen steunen wordt verder verwezen naar de stukken van het geding.

6. Conclusies van partijen in hoger beroep

6.1. Het hoger beroep van de Inspecteur strekt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en tot handhaving van de uitspraak op bezwaar.

6.2. Belanghebbende heeft geconcludeerd tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

7. Beoordeling van het hoger beroep

7.1. De rechtbank heeft naar ’s Hofs oordeel met juistheid beslist dat hathayoga is aan te merken als sportbeoefening in de zin van post b3 van Tabel I. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat de uit de gedingstukken omtrent de opzet en de doelstelling van de in geding zijnde specifieke vorm van yogabeoefening naar voren komende gegevens, in samenhang met de in 5.3 vermelde, door de Inspecteur niet, althans niet afdoende, bestreden en overigens alleszins aannemelijk te achten uiteenzetting, er in redelijkheid geen twijfel over laten bestaan, gelet ook op de ter zitting door belanghebbende getoonde DVD-opname, dat de door belanghebbende gegeven hathayogalessen van dien aard zijn, dat de cursisten aan actieve sportbeoefening doen. De beoefening van hathayoga mag zijn ingebed in de bijzondere gedachtewereld van de yoga, doch wat de aard van de inspanning en de activiteiten betreft is de hier zich voordoende vorm van yogabeoefening zonder meer gelijk te stellen aan bijvoorbeeld aerobics en gymnastiek. De Inspecteur van zijn kant heeft met hetgeen hij in beroep en hoger beroep heeft aangevoerd geen feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt op grond waarvan daarover redelijkerwijs anders is te oordelen. Het gelijk is bijgevolg aan de zijde van belanghebbende.

7.2. Het vorenstaande voert het Hof tot de slotsom dat het hoger beroep ongegrond is.

8. Proceskosten en griffierecht

8.1. In de omstandigheid dat het gelijk aan de zijde van belanghebbende is vindt het Hof aanleiding de Inspecteur op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, waarbij het Hof deze zaak en de in 2.4 vermelde zaken, gelet op de inhoud van de desbetreffende dossiers, aanmerkt als met elkaar samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De kosten stelt het Hof aan de hand van dat besluit vast op in totaal € 966, te specificeren als volgt: kosten gemachtigde: 2 punten x € 322 met wegingsfactor 1,5. Voor een hogere vergoeding acht het Hof geen termen aanwezig. Van de kosten ad € 966 rekent het Hof een derde, zijnde € 322, toe aan de onderhavige zaak.

8.2. Omdat de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd, wordt van de Staat ter zake van het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep een griffierecht geheven van € 447.

9. Beslissing

Het Gerechtshof:

- bevestigt de uitspraak van de rechtbank;

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding, aan de zijde van belanghebbende gevallen en vastgesteld op € 322, onder aanwijzing van de Staat als de rechtspersoon die dat bedrag moet vergoeden; en

- verstaat dat de griffier van de Staat een griffierecht zal heffen van € 447.

De uitspraak is vastgesteld door mrs. U.E. Tromp, J.T. Sanders en B. van Walderveen, in tegenwoordigheid van de griffier mr. L. van den Bogerd. De beslissing is op 26 juni 2009 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel het daartoe bevoegde bestuursorgaan als de belanghebbende kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.