Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BJ2839

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-07-2009
Datum publicatie
20-07-2009
Zaaknummer
200.012.935-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Samenwonen als waren zij gehuwd; de man heeft in casu niet aan zijn stelplicht voldaan om te komen aan een beoordeling of sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 1:160 BW. Behoeftigheid vrouw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 8 juli 2009

Zaaknummer : 200.012.935.01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 07-7198

[de man],

wonende te [woonplaats],

verzoeker, tevens incidenteel verweerder, in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. M. Groenleer, kantoorhoudende te Leiden,

tegen

[de vrouw],

volgens haar mededeling ter zitting thans zonder bekende woon- of verblijfplaats,

verweerster, tevens incidenteel verzoekster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. G.G. Zwaal, kantoorhoudende te Katwijk.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 20 augustus 2008 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 24 juni 2008.

De vrouw heeft op 23 december 2008 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.

De man heeft op 21 januari 2009 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

Van de zijde van de man zijn bij het hof op 31 maart 2009 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof op 1 en 2 april 2009 aanvullende stukken ingekomen.

Op 17 april 2009 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn partijen, bijgestaan door hun advocaten. De aanwezigen hebben het woord gevoerd, de advocaten van partijen onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotities.

Nadien zijn de volgende brieven bij het hof ingekomen:

- Faxberichten van de advocaat van de vrouw van 6 mei 2009 en van 3 juni 2009;

- Faxberichten van de advocaat van de man van 8 mei 2009 en van 4 juni 2009;

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het verzoek van de man de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van 23 juli 2007 op nihil te bepalen en de vrouw te veroordelen het door haar teveel ontvangene op grond van de door de rechtbank te wijzen beschikking terug te betalen, afgewezen. Voorts heeft de rechtbank bij de bestreden beschikking de door de man met ingang van 24 juni 2008 te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw bepaald op € 345,- per maand.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPAAL EN HET INCIDENTEEL HOGER BEROEP

1. In geschil is de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud ten behoeve van de vrouw (hierna: de partneralimentatie).

2. De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, het inleidend verzoek van de man alsnog toe te wijzen en te bepalen dat de vrouw gehouden is het op grond van de door het hof te wijzen beschikking het teveel door haar ontvangene aan de man terug te betalen.

3. De vrouw bestrijdt het beroep van de man en verzoekt het hof het verzoekschrift in hoger beroep van de man niet-ontvankelijk te verklaren, althans dit verzoek af te wijzen. In incidenteel appel verzoekt de vrouw het hof te bepalen dat de man aan haar een partneralimentatie van € 900,- per maand betaalt.

4. De man verzet zich tegen het incidenteel appel van de vrouw en verzoekt het hof de vrouw in haar incidenteel appel niet-ontvankelijk te verklaren, althans het incidenteel appel af te wijzen.

Artikel 1:160 van het Burgerlijk Wetboek

5. In de eerste grief stelt de man dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat geen sprake is van samenleving in de zin van artikel 1:160 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), nu de man omtrent de vereisten ‘gemeenschappelijke huishouding’ en ‘wederzijdse verzorging’ niets heeft gesteld en ook anderszins niet is gebleken dat aan deze vereisten is voldaan. De man stelt zich op het standpunt dat hij wel degelijk heeft gesteld dat voldaan is aan deze vereisten. Zo heeft de vrouw met haar nieuwe partner een woonboot gekocht, waaruit een financiële verwevenheid blijkt, en heeft de vrouw ingeschreven gestaan op het adres van deze woonboot. Hieruit volgt volgens de man dat de vrouw en haar nieuwe partner een gemeenschappelijke huishouding voeren en elkaar wederzijds verzorgen. Hoewel uit een uittreksel uit het GBA blijkt dat de vrouw nog steeds staat ingeschreven aan de [adres], waar zij stelt te wonen, is dit adres sinds 16 juni 2008 in onderzoek, aldus de man. Er zullen daar volgens de man binnenkort andere huurders intrekken.

6. Het hof overweegt als volgt. Ingevolge artikel 1:160 BW eindigt een verplichting van een gewezen echtgenoot om uit hoofde van echtscheiding levensonderhoud te verschaffen aan de wederpartij wanneer deze opnieuw in het huwelijk treedt, een geregistreerd partnerschap aangaat dan wel is gaan samenleven met een ander als waren zij gehuwd of als hadden zij hun partnerschap laten registreren.

7. Voor de vaststelling dat een gescheiden echtgenoot samenleeft met een ander als waren zij gehuwd, als bedoeld in artikel 1:160 BW, is niet alleen vereist dat de gescheiden echtgenoot en die ander elkaar wederzijds verzorgen, maar ook dat zij met elkaar samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren (HR 10 april 1981, NJ 1981, 348). Gelet op het feit dat toepassing van deze bepaling tot gevolg heeft dat de onderhoudsgerechtigde definitief een aanspraak op levensonderhoud jegens de onderhoudsplichtige verliest, wordt de zinsnede ‘samenleven als waren zij gehuwd’ in de jurisprudentie restrictief uitgelegd. Er dienen dan ook hoge eisen te worden gesteld aan de motivering van de beslissing dat zodanige situatie zich voordoet.

In onderhavige zaak erkent de vrouw dat sprake is van een duurzame affectieve relatie tussen haar en haar nieuwe partner, doch zij betwist dat voldaan is aan voormelde criteria. De enkele na tegenspraak van de vrouw niet nader met feiten en omstandigheden onderbouwde stelling van de man dat aan voormelde criteria wel wordt voldaan, acht het hof onvoldoende. De omstandigheid dat de vrouw met haar nieuwe partner een woonboot heeft gekocht en op het adres van de woonboot ingeschreven zou hebben gestaan, is daartoe onvoldoende. Nu de man onvoldoende heeft gesteld gaat het hof aan de stelling dat sprake is van een ‘samenleven als waren zij gehuwd’ in de zin van artikel 1: 160 BW voorbij. Gelet op het voorgaande faalt de eerste grief van de man en komt het hof niet toe aan het door de man gedane bewijsaanbod.

De behoefte aan partneralimentatie

8. In de tweede grief klaagt de man dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de vrouw haar verdiencapaciteit, gelet op haar leeftijd en haar opleidingsniveau, voldoende benut. De man stelt zich op het standpunt dat de vrouw haar werkzaamheden kan uitbreiden, nu zij niet de zorg over minderjarige kinderen heeft en geen sprake is van fysieke belemmeringen.

9. Het hof is van oordeel dat, hoewel de man zijn tweede grief buiten de beroepstermijn heeft aangevoerd, acht dient te worden geslagen op deze grief nu de wederpartij, al dan niet expliciet, met het alsnog aanvoeren van die grief heeft ingestemd.

10. Het hof stelt vast dat niet in geschil is dat de behoefte van de vrouw € 919,80 bruto per maand bedraagt.

11. Het hof is van oordeel dat, anders dan de man betoogt, aan de vrouw niet een grotere verdiencapaciteit kan worden toegerekend, nu de vrouw, gelet op haar leeftijd en haar opleidingsniveau, haar verdiencapaciteit voldoende benut. Ook heeft de vrouw genoegzaam aannemelijk gemaakt dat zij haar huidige werkzaamheden niet kan uitbreiden. De vrouw kan met het inkomen dat zij verdient voor een deel in haar eigen levensonderhoud voorzien. Gelet op hetgeen de vrouw per maand bruto verdient, is de vrouw slechts behoeftig voor een bedrag van € 345,- bruto per maand. De rechtbank heeft mitsdien terecht de in de beschikking van 20 november 2006 vastgestelde alimentatie gewijzigd en bepaald dat de man met ingang van 24 juni 2008 aan de vrouw een bedrag van € 345,- per maand in de kosten van levensonderhoud verschuldigd is.

Draagkracht van de man

12. In incidenteel appel stelt de vrouw zich op het standpunt dat de man draagkracht heeft een partneralimentatie van € 900,- per maand te voldoen. De man betwist dat hij voldoende draagkracht heeft een dergelijke partneralimentatie te voldoen Niet in geschil is dat de man draagkracht heeft een partneralimentatie van € 345,- per maand te voldoen.

13. Gelet op hetgeen onder rechtsoverweging 11 is overwogen, behoeft het incidenteel appel van de vrouw en het daartegen gerichte verweer van de man geen bespreking meer.

14. Gelet op het vorenstaande zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen. Mitsdien beslist het hof als volgt.

BESLISSING OP HET PRINCIPAAL EN HET INCIDENTEEL HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Husson, Van de Poll en Van Wijk, bij gestaan door mr. Van der Kamp als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 juli 2009.