Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BJ1722

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-06-2009
Datum publicatie
10-07-2009
Zaaknummer
105.012.979-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omgang. De moeder stelt verhuisd te zijn naar Moskou, Russische Federatie. Dit wordt betwist. Hof acht verhuizing niet bewezen en evenmin aannemelijk. Omgang tussen de vader en het kind dient in Nederland plaats te vinden. Er zijn geen ontzeggingsgronden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 24 juni 2009

Zaaknummer : 105.012.979/01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 07-3197

[appellant],

wonende op een geheim adres te Nederland,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

procesadvocaat mr. N.J.R.M. Elings te ‘s-Gravenhage,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

procesadvocaat mr. P. van Ginkel te ’s-Gravenhage.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 8 april 2008 in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 11 januari 2008 (hierna: de bestreden beschikking).

De vader heeft op 22 augustus 2008 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de moeder zijn bij het hof op 18 november 2008 aanvullende stukken ingekomen.

De raad voor de kinderbescherming gevestigd te Den Haag (hierna: de raad) heeft het hof bij brief van 18 juli 2008 laten weten niet ter terechtzitting te zullen verschijnen.

Op 29 april 2009 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vader, bijgestaan door zijn advocaat, mr. C. Simmelink, en de advocaat van de moeder, mr. P.M. van der Roest. De moeder is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De vader en de raadslieden van partijen hebben het woord gevoerd.

Ter zitting heeft het hof bepaald dat de moeder de gelegenheid zal krijgen aannemelijk te maken dat zij en de hierna te noemen minderjarige zich blijvend in het buitenland hebben gevestigd. De moeder heeft de opdracht gekregen hiertoe vóór 13 mei 2009 stukken over te leggen, zoals een inschrijving in het bevolkingsregister van Russische Federatie en stukken waaruit blijkt dat de hierna te noemen minderjarige een peuterspeelzaal dan wel basisschool bezoekt in Moskou (Russische Federatie), hierna: Moskou.

De vader heeft van het hof de mogelijkheid gekregen om vóór 29 mei 2009 op deze stukken te reageren.

Van de zijde van de moeder zijn op 15 mei 2009 stukken bij het hof ingekomen. In haar brief heeft de moeder het hof, in verband met het verzamelen en laten vertalen van verdere bewijsstukken, verzocht om een uitstel van vier weken.

De vader heeft het hof bij brief van 15 mei 2009 laten weten dat de stukken naar zijn mening niet tijdig zijn overgelegd en dat hij bezwaar heeft tegen het verzoek om uitstel.

Op 20 mei 2009 heeft de moeder enkele foto’s overgelegd die van de minderjarige zouden zijn gemaakt in Moskou op 7 mei jl.

Op 26 mei 2009 heeft de vader zijn verweer ten aanzien van de tot dan toe ingediende stukken aan het hof kenbaar gemaakt.

Het hof zal de stukken zoals ingediend op 15 mei 2009 en 20 mei 2009 in de procedure betrekken, het verzoek om vier weken uitstel niet honoreren en beschikken zoals hierna vermeld.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij deze beschikking heeft de rechtbank – voor zover thans van belang – uitvoerbaar bij voorraad een door de vader verzochte omgangsregeling vastgesteld tussen hem en de hierna te noemen minderjarige. Daarnaast heeft de rechtbank bepaald dat de moeder bij niet-nakoming van deze omgangsregeling aan de vader een dwangsom dient te voldoen van € 100,- (zegge: honderd euro) voor iedere keer dat zij in gebreke mocht blijven aan voornoemde omgangscontacten (het hof leest:) mee te werken, tot een maximum van € 10.000,- (zegge: tienduizend euro). Tevens heeft de rechtbank uitvoerbaar bij voorraad een informatieregeling bepaald inhoudende dat de moeder de vader driemaal per jaar schriftelijk informatie zal verschaffen over de ontwikkeling, het welzijn en het vermogen van de minderjarige.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil zijn de omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], hierna te noemen: de minderjarige, en de informatieregeling. De moeder is van rechtswege alleen met het ouderlijk gezag belast. De vader heeft de minderjarige erkend.

2. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het inleidende verzoek van de vader alsnog af te wijzen, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof in goede justitie juist acht.

3. De vader bestrijdt haar beroep en verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4. De moeder voert ter onderbouwing van haar beroep de navolgende grieven aan.

Allereerst betoogt de moeder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er geen contra-indicaties in de zin van artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) zijn, op grond waarvan het verzoek van de vader tot vaststelling van een omgangsregeling met de minderjarige dient te worden afgewezen. Zij stelt dat omgang, gelet op het agressieve gedrag van de vader in het verleden, ernstig nadeel zou kunnen opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van de minderjarige.

In haar tweede grief stelt de moeder dat zij zich niet kan verenigen met de door de rechtbank opgelegde dwangsom en de overwegingen die daaraan ten grondslag liggen. Volgens de moeder had de rechtbank er niet van uit mogen gaan dat omgang zou plaatsvinden in Nederland en is het voor haar niet mogelijk om de vastgestelde omgangsregeling na te komen omdat zij sinds 24 december 2007 met de minderjarige woonachtig is in Moskou.

De derde en laatste grief strekt ten betoge dat de door de rechtbank vastgestelde informatieregeling teruggebracht zou moeten worden tot een frequentie van twee maal per jaar, aangezien de vader in het verleden geen blijk heeft gegeven van vaderlijke aandacht en liefde voor de minderjarige.

5. De vader betoogt dat hij en de minderjarige recht hebben op omgang met elkaar. Volgens hem zijn er geen contra-indicaties aanwezig die aan omgang in de weg staan en heeft de raad dit ook bevestigd in een raadsrapport van oktober 2007.

Voorts stelt de vader dat de rechtbank, gelet op de weigerachtige houding van de moeder, terecht een dwangsom heeft opgelegd. Hij betwijfelt of de moeder zich daadwerkelijk met de minderjarige blijvend in Moskou heeft gevestigd en meent dat de moeder deze stelling enkel inneemt om uitvoering van de bestreden beschikking te ontlopen.

Tot slot stelt hij dat de moeder geen redenen heeft gegeven om de, naar zijn mening niet onredelijke, informatieregeling buiten toepassing te laten.

Bevoegdheid en toepasselijk recht

6. Ingevolge artikel 8, eerste lid, Brussel II-bis is bij de beoordeling van de bevoegdheid en het toepasselijk recht doorslaggevend waar de minderjarige zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij een gerecht aanhangig wordt gemaakt. Als onweersproken staat vast dat de minderjarige ten tijde van het indienen van het verzoekschrift in eerste aanleg, te weten op 19 juni 2007, zijn gewone verblijfplaats in Gouda (Nederland) had. De rechtbank ’s-Gravenhage was dan ook bevoegd in eerste aanleg over de onderhavige zaak haar oordeel te geven, waarmee in beginsel tevens de bevoegdheid van het hof ’s-Gravenhage vaststaat.

7. De moeder stelt dat zij met de minderjarige op 24 december 2007 uit Nederland is vertrokken en zich blijvend heeft gevestigd in Moskou. Ten bewijze daarvan heeft de moeder een viertal kopieën overgelegd. Daarbij zijn twee vertalingen gevoegd waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de overgelegde kopieën afkomstig zijn van paspoorten van de moeder en de minderjarige, afgegeven op 28 december 2007, met daarop de vermelding: “Woonregistratie: (...Moskou...) GEREGISTREERD [adres].” Het hof merkt daarbij op dat de naam van de minderjarige in deze stukken afwijkt van de naam zoals die in Nederland is geregistreerd.

Uit de overgelegde stukken blijkt naar het oordeel van het hof niet dat de moeder zich blijvend in Moskou heeft gevestigd. Ook de door de moeder overgelegde foto’s – ervan uitgaande dat het de minderjarige is die op de foto’s staat en dat de foto’s daadwerkelijk zijn genomen op 7 mei jl. - geven er geen blijk van dat de moeder en de minderjarige als inwoners van Moskou deelnemen aan het dagelijks leven. Uit het hoger beroepschrift volgt dat de moeder op de datum van de indiening woonachtig was (op een geheim adres) in Nederland. Van een uitschrijving is tot op heden niet gebleken. Uit het voorgaande kan niet worden afgeleid dat de moeder en de minderjarige Nederland blijvend hebben verlaten.

Het hof is op basis van het hiervoor overwogene van oordeel dat niet kan worden aangenomen dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige permanent is gewijzigd, zodat het hof op grond van artikel 8, eerste lid, Brussel II-bis bevoegd is om naar Nederlands recht te beslissen op het hoger beroep. Het verzoek van de moeder zal derhalve in het navolgende inhoudelijk worden behandeld.

Omgang

8. Naar het oordeel van het hof volgt uit de stukken, in het bijzonder uit het raadsrapport van oktober 2007, dat er weliswaar sprake is geweest van agressief gedrag van de vader jegens de moeder, maar dat deze agressie relationeel was en geen betrekking had op de minderjarige. De verhouding tussen de vader en de minderjarige is niet zodanig dat er geen sprake kan zijn van een normale omgangsregeling tussen vader en zoon. Volgens het hof zijn er geen contra-indicaties aanwezig die het bestaan van een omgangsregeling beletten, zodat de eerste grief faalt.

9. Op grond van artikel 1:377e BW kan de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de omgang alsmede een door de ouders onderling getroffen omgangsregeling wijzigen op grond dat nadien omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

Zoals reeds in rechtsoverweging 7 is overwogen, acht het hof de stelling van de moeder dat zij zich met de minderjarige blijvend in Moskou heeft gevestigd, niet bewezen en evenmin aannemelijk. Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank terecht een omgangsregeling bepaald die in Nederland zal plaatsvinden. Uit de vaststelling dat niet bewezen en ook niet aannemelijk is dat de minderjarige in Moskou woont, volgt dat de moeder zonder een behoorlijke rechtvaardiging het recht op omgang van de vader structureel en langdurig frustreert. De vastgestelde omgangsregeling is in het belang van de minderjarige en de moeder dient (in dit belang) uitvoering te geven aan de vastgestelde omgangsregeling. De tweede grief die ziet op de opgelegde dwangsom faalt derhalve.

Informatieregeling

10. Ingevolge artikel 1:377b, eerste lid, BW is de ouder die met het gezag is belast, gehouden de niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind en deze te raadplegen over daaromtrent te nemen beslissingen. Op verzoek van een ouder kan de rechter ter zake een regeling vaststellen.

Naar het oordeel van het hof heeft de moeder onvoldoende onderbouwd waarom het belang van de minderjarige zich verzet tegen de door de rechtbank vastgestelde informatieregeling. Deze informatieregeling is in overeenstemming met het belang van de minderjarige en de moeder dient ook hieraan, in het belang van de minderjarige, gevolg te geven. De derde grief faalt eveneens.

11. Het hof zijn geen feiten of omstandigheden gebleken waardoor een andere beslissing dan door de rechtbank gegeven dient te volgen. Het voorgaande brengt mee dat het hof de bestreden beschikking zal bekrachtigen.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Leuven, De Haan-Boerdijk en Hulsebosch, bijgestaan door mr. Zandbergen als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 juni 2009.