Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BJ1584

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
31-03-2009
Datum publicatie
06-07-2009
Zaaknummer
BK-08/00189
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:BL2134, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2010:BL2134
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is in geschil of de Ontvanger mevrouw [X] terecht aansprakelijk heeft gesteld voor de helft van de belastingschuld van [B], welke vraag door de Ontvanger bevestigend en door belanghebbende ontkennend wordt beantwoord.

De Ontvanger stelt zich in het principaal ingestelde hoger beroep op het standpunt dat de belastingschuld van [B] is ontstaan als gevolg van in zijn onderneming aangegane verbintenissen, die moeten aangemerkt als te zijn aangegaan ten behoeve van de gewone gang van de huishouding. Van de aansprakelijkheid voor - na ontbinding van de huwelijksgemeenschap: de helft van - dergelijke schulden kan men zich niet bevrijden door afstand van de gemeenschap. Voorts neemt de Ontvanger het standpunt in dat het mevrouw [X] niet vrijstond afstand van de gemeenschap te doen, aangezien zij zich door de ontvangst van belastingteruggaven over 2001 en 2003 de goederen der gemeenschap heeft aangetrokken.

Belanghebbende heeft de standpunten van de Ontvanger gemotiveerd bestreden en stelt zich op het standpunt dat artikel 1:85 BW niet van toepassing is op de belastingschuld van [B] en voorts dat de ontvangst van belastingteruggaven door mevrouw [X] niet aan de door haar gedane afstand in de weg staat.

In het incidenteel ingestelde hoger beroep stelt belanghebbende zich op het standpunt dat de aan de beslissingen van de rechtbank ten grondslag liggende motivering niet geheel juist is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RN 2009, 91
V-N 2009/42.1.5
FutD 2009-1482
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-08/00189

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer d.d. 31 maart 2009

op het hoger beroep van de Ontvanger, de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Zuidwest, tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 21 april 2008, nr. AWB 07/3044, LJN: BD2530, betreffende na te noemen ten aanzien van mevrouw [X] te [Z] gegeven beschikking.

Beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Bij beschikking van 25 oktober 2006 heeft de Ontvanger mevrouw [X] aansprakelijk gesteld voor een bedrag van € 22.951. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Ontvanger het bezwaar tegen de beschikking afgewezen.

1.2. Mr. [A], kantoorhoudende te [Z], heeft in zijn hoedanigheid van bewindvoerder van mevrouw [X], ten aanzien van wie de toepassing van de schuldsanering is uitgesproken, tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar en de beschikking vernietigd en de Staat der Nederlanden gelast het door mr. [A] - hierna aan te duiden als: belanghebbende - betaalde griffierecht van € 39 te vergoeden.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. De Ontvanger is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend en heeft tevens incidenteel hoger beroep ingesteld. De Ontvanger heeft het incidenteel ingestelde hoger beroep beantwoord. Belanghebbende heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 17 februari 2009, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

3. Het Hof gaat uit van de door de rechtbank in haar uitspraak onder 2.1 tot en met 2.5 vastgestelde feiten, waarbij belanghebbende als eiser en de Ontvanger als verweerder is aangeduid. In hoger beroep zijn geen nadere feiten komen vast te staan.

Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1. Tussen partijen is in geschil of de Ontvanger mevrouw [X] terecht aansprakelijk heeft gesteld voor de helft van de belastingschuld van [B], welke vraag door de Ontvanger bevestigend en door belanghebbende ontkennend wordt beantwoord.

4.2. De Ontvanger stelt zich in het principaal ingestelde hoger beroep op het standpunt dat de belastingschuld van [B] is ontstaan als gevolg van in zijn onderneming aangegane verbintenissen, die moeten aangemerkt als te zijn aangegaan ten behoeve van de gewone gang van de huishouding. Van de aansprakelijkheid voor - na ontbinding van de huwelijksgemeenschap: de helft van - dergelijke schulden kan men zich niet bevrijden door afstand van de gemeenschap. Voorts neemt de Ontvanger het standpunt in dat het mevrouw [X] niet vrijstond afstand van de gemeenschap te doen, aangezien zij zich door de ontvangst van belastingteruggaven over 2001 en 2003 de goederen der gemeenschap heeft aangetrokken.

4.3. Belanghebbende heeft de standpunten van de Ontvanger gemotiveerd bestreden en stelt zich op het standpunt dat artikel 1:85 BW niet van toepassing is op de belastingschuld van [B] en voorts dat de ontvangst van belastingteruggaven door mevrouw [X] niet aan de door haar gedane afstand in de weg staat.

4.4. In het incidenteel ingestelde hoger beroep stelt belanghebbende zich op het standpunt dat de aan de beslissingen van de rechtbank ten grondslag liggende motivering niet geheel juist is.

Conclusies van partijen

5.1. Het hoger beroep van de Ontvanger strekt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en tot ongegrond verklaring van het tegen de uitspraak op bezwaar ingestelde beroep.

5.2. Belanghebbende heeft in het incidenteel ingestelde hoger beroep ertoe geconcludeerd dat het Hof de uitspraak van de rechtbank "bekrachtigt, met verbetering en/of aanvulling van de gronden".

Overwegingen omtrent het geschil

In het incidenteel ingestelde hoger beroep

6.1. Belanghebbende heeft geen belang bij het door hem ingestelde hoger beroep, aangezien gegrond bevinding ervan niet tot een voor hem gunstiger resultaat zou kunnen leiden. Het hoger beroep is mitsdien niet-ontvankelijk.

In het principaal ingestelde hoger beroep

6.2. De rechtbank heeft, voor zover voor de beoordeling van het hoger beroep van belang, geoordeeld:

1) dat de belastingschulden van [B] van rechtswege zijn opgekomen door het uitoefenen van diens onderneming en de aanwending van de gelden die hij had dienen te besteden aan het voldoen van die schulden of die hij met het oog daarop had moeten of kunnen reserveren, van die belastingschulden nog geen verbintenissen maakt die zijn aangegaan ten behoeve van de gewone gang van de huishouding als bedoeld in artikel 1:85 BW;

2) dat mevrouw [X] daarom niet reeds voor de ontbinding van de huwelijksgemeenschap aansprakelijk was voor die belastingschulden, zodat de afstand van de gemeenschap haar kan ontheffen van de na ontbinding krachtens artikel 1:102, tweede volzin, BW gevestigde extra aansprakelijkheid voor die schulden;

3) dat mevrouw [X] rechtsgeldig afstand heeft gedaan van de gemeenschap en het beroep van de Ontvanger op artikel 1:107, eerste lid, BW faalt, aangezien mevrouw [X] zich in de periode tussen de ontbinding van de gemeenschap en de inschrijving van de akte van afstand geen goederen van de gemeenschap heeft aangetrokken;

4) dat de Ontvanger op grond van het voorgaande mevrouw [X] ten onrechte aansprakelijk heeft gesteld voor de helft van de belastingschulden van [B] en ten onrechte € 5.571 met deze schulden heeft verrekend.

6.3. Deze oordelen zijn juist.

6.4. In hoger beroep voert de Ontvanger aan dat belastingaanslagen, in het bijzonder aanslagen in de inkomstenbelasting, in essentie behoren tot de kosten van de gewone gang van de huishouding. Met deze stelling miskent de Ontvanger evenwel dat in artikel 1:85 BW wordt gesproken van ten behoeve van de gewone gang van de huishouding aangegane verbintenissen. Als zodanig kunnen de door [B] in zijn onderneming aangegane verbintenissen niet gelden. Dergelijke verbintenissen worden immers naar hun aard buiten de gewone gang van de huishouding aangegaan. Bovendien kan van de verbintenis tot belastingbetaling, die voortvloeit uit de wet, niet worden gezegd dat deze door de echtgenoot wordt aangegaan en nog minder dat zulks geschiedt ten behoeve van de gewone gang van de huishouding.

6.5. Volgens de Ontvanger heeft mevrouw [X] zich goederen van de gemeenschap aangetrokken door belastingteruggaven te accepteren. Voorts heeft belanghebbende bezwaar aangetekend tegen de verrekening van een tweetal teruggaven en gevorderd dat deze aan hem als bewindvoerder worden uitbetaald.

6.6. Voor zover de verrekening van de teruggaven heeft plaatsgevonden buiten de periode tussen de ontbinding van de gemeenschap en de inschrijving van de akte van afstand, derhalve voor 28 april 2004 of na 9 juni 2004, kan reeds om die reden niet worden geoordeeld dat de door de Ontvanger gestelde handelingen aan de bevoegdheid tot het doen van afstand in de weg stonden. Voor zover die handelingen hebben plaatsgevonden na 9 juni 2004 zou wellicht de afstand aan mevrouw [X] of belanghebbende kunnen worden tegengeworpen, doch hebben zij geen invloed op de rechtsgeldigheid van de afstand. Voorts geldt voor alle verrekende aanslagen, ongeacht of de verrekening binnen of buiten voormelde periode heeft plaatsgehad, dat daaraan geen wilsbesluit van mevrouw [X] ten grondslag heeft gelegen, zodat niet kan worden geoordeeld dat zij zich door de betaling aan haar van de verrekende bedragen aan teruggaven goederen van de ontbonden gemeenschap heeft aangetrokken.

6.7. Op grond van het vorenoverwogene is het hoger beroep ongegrond.

Proceskosten en griffierecht

7.1. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

7.2. Omdat de uitspraak van de rechtbank in stand blijft, wordt van de Staat der Nederlanden wegens het door de Ontvanger ingestelde hoger beroep een griffierecht geheven van € 447.

Beslissing

Het Gerechtshof:

In het principaal ingestelde hoger beroep

bevestigt de uitspraak van de rechtbank;

gelast dat de griffier van de Staat der Nederlanden wegens het door de Ontvanger ingestelde hoger beroep een griffierecht zal heffen van € 447.

In het incidenteel ingestelde hoger beroep

verklaart belanghebbende niet-ontvankelijk in het hoger beroep.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. J.W. Savelbergh, J.W. baron van Knobelsdorff en P.J.J. Vonk, in tegenwoordigheid van de griffier mr. L. van den Bogerd. De beslissing is op

31 maart 2009 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.