Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BJ1569

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-06-2009
Datum publicatie
06-07-2009
Zaaknummer
BK-08/00298
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:BN0631, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende recht heeft op een proceskostenvergoeding ter zake van de in de bezwaarfase door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, welke vraag belanghebbende bevestigend en de Inspecteur ontkennend beantwoordt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2009-1465
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE ’s-GRAVENHAGE

Sector belasting

nummer BK-08/00298

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer van 26 juni 2009

in het geding tussen:

[Belanghebbende] te [Z], hierna: belanghebbende,

en

de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Holland-Midden (kantoor [P]), hierna: de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de (mondelinge) uitspraak van de rechtbank ’s Gravenhage van 3 juli 2008, nummer AWB 07/7201/IB/PVV, betreffende de hierna vermelde boetebeschikking

1. Beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. De Inspecteur heeft aan belanghebbende ambtshalve een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2004 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 81.872 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.538 (hierna: de aanslag). Tevens heeft de Inspecteur bij beschikking een zogenoemde verzuimboete opgelegd tot een bedrag van € 113.

1.2. Belanghebbende heeft tegen de aanslag en de boeteschikking bezwaar gemaakt en tevens verzocht om een vergoeding inzake de kosten van het indienen van het bezwaarschrift. De Inspecteur heeft bij twee in één geschrift vervatte uitspraken de aanslag verminderd overeenkomstig het bezwaar en de boetebeschikking vernietigd. Voorts heeft de Inspecteur het verzoek om een kostenvergoeding afgewezen.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Inspecteur inzake de afwijzing van het verzoek om een kostenvergoeding beroep bij de rechtbank ingediend. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

2. Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. De griffier heeft een bedrag van € 107 aan griffierecht geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 12 juni 2009, gehouden te Den Haag. Daar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

3. Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is in hoger beroep, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1. De Inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 28 februari 2005 voor het belastingjaar 2004 een aangiftebiljet inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen uitgereikt. Belanghebbende heeft mr. [A] in persoon, toentertijd werkzaam voor een belastingadvieskantoor en thans zelfstandig werkzaam, gemachtigd zijn aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: de aangifte) in te dienen. Belanghebbende diende het aangiftebiljet vóór 1 april 2005 bij de Inspecteur in te dienen. Belanghebbende heeft op zijn verzoek uitstel verkregen voor het indienen van de aangifte tot 1 april 2006.

3.2. Op 28 april 2006 heeft de Inspecteur een aanmaning aan belanghebbendes gemachtigde gestuurd om de aangifte vóór 19 mei 2006 in te dienen. De Inspecteur heeft de aangifte niet voor laatstgenoemde datum ontvangen.

3.3. Met dagtekening 18 januari 2007 heeft de Inspecteur ambtshalve de onder 1.1 vermelde aanslag vastgesteld en gelijktijdig bij beschikking een verzuimboete van € 113 aan belanghebbende opgelegd.

3.4. De gemachtigde van belanghebbende heeft bij brief van 19 januari 2007 bezwaar gemaakt tegen zowel de aanslag als tegen de verzuimboete. Tevens is in het bezwaarschrift verzocht om een kostenvergoeding ter zake van de in de bezwaarprocedure door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

3.5. De gemachtigde heeft ter zitting verklaard dat hij de in concept gereed zijnde aangifte en begeleidende brief per abuis niet heeft verzonden.

3.6. De Inspecteur heeft in zijn uitspraak op het bezwaar, met dagtekening 17 september 2007 – voor zover hier van belang – inzake de opgelegde verzuimboete het volgende overwogen:

”Vaststaat dat uw cliënt c.q. u als gemachtigde de aangifte inkomstenbelasting 2004 te laat, dat wil zeggen ná de termijn die in de aanmaning van 28 april 2006 stond vermeld (12 mei 2006) heeft ingediend. In dat verband is uw cliënt op grond van de wettelijke bepalingen een verzuimboete opgelegd.

Een verzuimboete blijft achterwege wanneer komt vast te staan dat sprake is van afwezigheid van alle schuld bij uw cliënt. De bewijslast daarvoor ligt bij hem en daartoe dienen feiten en omstandigheden te worden aangevoerd. Dat hebt u gedaan.

De toerekeningsarresten van de Hoge Raad van december 2006 zijn naar mijn oordeel niet van toepassing op verzuimboeten. Het feit dat u aangeeft dat u als gemachtigde de aangifte voor uw cliënt te laat heeft ingezonden is, anders dan u meent, dan ook geen ’automatische’ grond om de verzuimboete te laten vervallen.

Naar mijn oordeel dient beoordeeld te worden of uw cliënt de maximaal van hem te vergen zorg heeft betracht om tijdig zijn aangifte te doen. Ik vind dat dat in de omstandigheden van dit geval zo is. U hebt hem bij brief van 12 mei 2006 ingelicht dat zijn aangifte inmiddels (en gelet op de data: tijdig) was ingezonden aan de Belastingdienst (wat niet zo was). Het komt mij voor dat uw cliënt in dat licht kon vertrouwen op uw zorgvuldige handelwijze, welk vertrouwen jammer genoeg onjuist is gebleken. In de omstandigheden van dit geval zal ik de opgelegde verzuimboete dan ook vernietigen.”

4. Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft – voor zover van belang – het volgende overwogen:

”2.7. Ingevolge artikel 8:75, eerste lid, van de Algemeen wet bestuursrecht (hierna: Awb) is de rechtbank bevoegd een verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken. Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, eerste volzin, van de Awb worden de kosten die eiser in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend op verzoek van de belanghebbende voor zover het onrechtmatig besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

2.8. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de bestreden besluiten, te weten de aanslag en de boetebeschikking, niet herroepen wegens een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid.

De aanslag

2.9. Verweerder heeft gesteld dat hij de aangifte van eiser niet tijdig heeft ontvangen. Gemachtigde heeft daartegenover gesteld dat de aangifte elektronisch door gemachtigde is ingediend en dat er in het verleden darmee ook problemen zijn ontstaan. Voor zover hij daarmee beoogt te stellen dat het aan verweerder is te wijten dat de aangifte niet tijdig is ingediend en dat daardoor de aanslag tot een te hoog bedrag is vastgesteld, oordeelt de rechtbank als volgt. De verantwoordelijkheid om de aangifte tijdig in te dienen ligt bij eiser, ongeacht of hij een ander persoon daartoe heeft gemachtigd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft gemachtigde met de enkele stelling dat de aangifte elektronisch is ingediend en dat en dat er in het verleden daarmee ook problemen zijn ontstaan niet aannemelijk gemaakt dat de aanslag is herroepen wegens een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid.

De boeteschikking

2.10. Verweerder heeft naar aanleiding van het toezenden van het aangiftebiljet dit biljet niet terugontvangen. Evenmin heeft hij het biljet, nadat hij een aanmaning heeft verzonden, binnen de in die aanmaning gestelde termijn, ontvangen. Gelet hierop was eiser in verzuim als bedoeld in artikel 67a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Op basis van dit artikel was verweerder bevoegd aan eiser een verzuimboete van maximaal € 1.134 op te leggen. De omstandigheid dat eiser het doen van zijn aangifte heeft toevertrouwd aan een gemachtigde, die de aangifte niet tijdig heeft ingediend, doet er niet aan af dat eiser in verzuim was. Bij afwezigheid van alle schuld (avas) is sprake van een uitzondering waarbij geen boete wordt opgelegd of waarbij de boete wordt vernietigd. Het ligt op de weg van eiser om te stellen en aannemelijk te maken dat er sprake is van avas. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet onrechtmatig gehandeld door niet vóór het opleggen van de verzuimboete onderzoek te doen naar het al dan niet aanwezig zijn van avas. Het arrest van de Hoge Raad van 5 oktober 2007, nr. 43.329 waar eiser naar verwijst is, naar het oordeel van de rechtbank, in het onderhavige geval niet van toepassing. In het onderhavige geval gaat het om een kostenvergoeding voor in de bezwaarfase gemaakte kosten. De voorwaarde voor een dergelijke vergoeding, namelijk dat het besluit is herroepen wegens een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid, is wezenlijk anders dan de voorwaarde voor proceskostenvergoeding in de beroepsfase, namelijk dat bij een gegrond beroep een vergoeding dient te worden toegekend tenzij de noodzaak tot het instellen van beroep uitsluitend voortvloeide uit de handelswijze van eiser. Voorts volgt uit het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 niet dat verweerder is gehouden, alvorens een verzuimboete op te leggen, naar de redenen van de te late indiending van de aangifte te vragen. De toelichting op dat besluit geeft verweerder zelfs de mogelijkheid de boete na het opleggen te vernietigen.”

5. Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

5.1. In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende recht heeft op een proceskostenvergoeding ter zake van de in de bezwaarfase door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, welke vraag belanghebbende bevestigend en de Inspecteur ontkennend beantwoordt.

5.2. Belanghebbende heeft ter ondersteuning van zijn standpunt – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd. Belanghebbende in persoon mocht vertrouwen dat diens beroepshalve optredende belastingadviseur tijdig en regelmatig de aangifte zou indienen. Hem kan geen verwijt worden gemaakt. Voorts heeft belanghebbende de nodige zorgvuldigheid betracht en kan de nalatigheid van zijn gemachtigde hem niet worden toegerekend. Er is sprake van afwezigheid van alle schuld (avas). Het van belanghebbende te verlangen bewijs wordt geleverd door het gegeven dat de Inspecteur de boetebeschikking op het bezwaar van belanghebbende heeft vernietigd. Dat belanghebbende de kosten in verband met het indienen van bezwaar (en beroep) redelijkerwijs heeft moeten maken is niet in geschil. De rechtbank heeft het bepaalde in artikel 7: 15 van de Algemene wet bestuursrecht miskend.

5.3. De Inspecteur heeft het standpunt van belanghebbende gemotiveerd bestreden.

5.4. Voor een nadere uiteenzetting van de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

6. Conclusies van partijen

6.1. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot het toekennen van een proceskostenvergoeding ter zake van een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase, de beroepsfase en ter zake van het hoger beroep en tot vergoeden van het bij de rechtbank en het Hof betaalde griffierecht.

6.2. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

7. Beoordeling van het hoger beroep

7.1. Naar ’s Hofs oordeel bestaan geen termen voor het toekennen van de namens belanghebbende verzochte proceskostenvergoeding noch tot het vergoeden van de betaalde bedragen aan griffierechten. Daartoe overweegt het Hof het volgende.

7.2. Vaststaat dat belanghebbendes gemachtigde naar het Hof aanneemt per abuis - heeft verzuimd de onderhavige aangifte in te dienen. De gemachtigde heeft uitstel voor het indienen gekregen en, nadat de Inspecteur de aangifte niet heeft ontvangen, een aanmaning ontvangen welke aan hem is toegezonden, hetgeen niet tot het (alsnog) tijdig indienen van de aangifte heeft geleid. De Inspecteur is, nu het tijdig indienen van de aangifte uitbleef, naar het oordeel van het Hof op goede gronden overgegaan tot het ambtshalve opleggen van de aanslag (vergelijk artikel 11, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr) en eveneens tot het nemen van een boetebeschikking. Het enkele gegeven dat ook nadat belanghebbende dan wel de door hem ingeschakelde gemachtigde na te zijn aangemaand de aangifte niet heeft gedaan, vormt de wettelijke grondslag (vergelijk artikel 67a, eerste lid, Awr).

7.3. Eerst in het bezwaarschrift en de daarna gevoerde correspondentie tussen de Inspecteur en de gemachtigde zijn feiten en omstandigheden gesteld, welke de Inspecteur voldoende aannemelijk heeft geoordeeld om tot vernietiging van de boetebeschikking te komen. Dusdoende kan niet worden geoordeeld dat het herroepen van de boetebeschikking het gevolg is van een aan de Inspecteur te wijten onrechtmatigheid bij het ambtshalve vaststellen van de aanslag gelijktijdig met het nemen van de boetebeschikking, welke besluiten niet los van elkaar kunnen worden gezien.

7.4. Naar ’s Hofs oordeel is het aanvankelijk belopen van de verzuimboete en het nadien op het bezwaar van belanghebbende vernietigen van de boetebeschikking, geheel gelegen in de risicosfeer van belanghebbende. Deze heeft er immers voor gekozen het indienen van de aangifte uit te besteden zodat de kosten van bezwaar (en beroep en het betalen van griffierecht), welke door het abuis van belanghebbendes gemachtigde worden opgeroepen, voor eigen rekening dienen te blijven, hetgeen het Hof ook maatschappelijk als alleszins aanvaardbaar voorkomt.

7.5. Voorts is het Hof van oordeel dat de onderhavige situatie niet op één lijn kan worden geplaatst met het opleggen van een vergrijpboete nu de inspecteur deze voorafgaand aan het opleggen schriftelijk aankondigt en een belastingplichtige in de gelegenheid wordt gesteld binnen een redelijke termijn zijn standpunt dienaangaande kenbaar te maken (vergelijk artikel 67k, eerste en tweede lid, Awr). Dat in het onderhavige geval de Inspecteur voorafgaand aan het opleggen van de aanslag en de gelijktijdig genomen boetebeschikking welke een verzuimboete betreft en geen vergrijpboete - contact met belanghebbende respectievelijk de gemachtigde heeft gehad, is niet gesteld noch gebleken. Gelet op het massale karakter van het proces van het opleggen van ambtshalve aanslagen is de Inspecteur daartoe naar ’s Hofs oordeel redelijkerwijs niet gehouden en ligt zulks ook overigens niet in de rede, hetgeen te meer klemt nu aan belanghebbende een aanmaning is verzonden om (alsnog) binnen een nader gestelde termijn tijdig aangifte te doen, althans het nemen van een verzuimboetebeschikking te vermijden.

7.6. Het Hof wijst in dit verband nog op het bepaalde in paragraaf 4 respectievelijk 15 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 en de bij paragraaf 4 behorende toelichting, welke bepalingen naar ’s Hofs oordeel een juiste uitleg van de onder 7.4 vermelde artikelen uit de Awr vormen. Ook in zoverre zijn er geen gronden een vergoeding voor proceskosten toe te kennen.

7.7. Bijgevolg moet worden beslist als hierna is vermeld.

8. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

9. Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is vastgesteld door mrs. U.E. Tromp, J.T. Sanders en B. van Walderveen, in tegenwoordigheid van de griffier mr. L. van den Bogerd. De beslissing is op 26 juni 2009 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.