Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BJ1442

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-06-2009
Datum publicatie
10-07-2009
Zaaknummer
200.016.961.01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie. Man vraagt bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud van de vrouw. Vaststelling van de behoefte: in dit geval niet op basis van de 60% norm, omdat concrete gegevens beschikbaar zijn. Geen behoeftigheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 24 juni 2009

Zaaknummer : 200.016.961.01

Rekestnr. rechtbank : F1 RK 07-1778

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep, tevens verweerster in incidenteel appel,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat voorheen mr. D.C.H. Berris-Donkersloot, thans mr. A.M. Blom, te Amsterdam.

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep, tevens verzoeker in incidenteel appel,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. R.H. de Vries, te Capelle aan den IJssel.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vrouw is op 29 september 2008 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 30 juni 2008 van de rechtbank Rotterdam.

De man heeft op 12 januari 2009 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.

De vrouw heeft op 3 maart 2009 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof op 5 december 2008 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de man zijn bij het hof op 5 januari 2009 aanvullende stukken ingekomen.

Op 3 april 2009 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, en de man, bijgestaan door zijn advocaat. Partijen hebben het woord gevoerd, de advocaat van de man onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotitie.

Nadien is, volgens afspraak ter zitting, bij het hof ingekomen:

- de jaaropgave van de man over 2008.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking heeft de rechtbank tussen partijen de echtscheiding uitgesproken en heeft de rechtbank voorts, onder meer en uitvoerbaar bij voorraad, ten laste van de vrouw aan de man een bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud toegekend van € 1.250,-- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van de dag dat de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

In hoger beroep is voorts komen vast te staan dat de echtscheidingsbeschikking op 19 januari 2009 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil is de door de vrouw aan de man te betalen bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud (hierna ook: partneralimentatie).

2. De vrouw verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat het verzoek van de man om vaststelling van partneralimentatie wordt afgewezen, althans een zodanige bijdrage te bepalen als het hof redelijk acht, gelimiteerd tot een termijn die het hof redelijk acht.

3. De man bestrijdt het beroep en verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw in haar grieven niet-ontvankelijk te verklaren, althans deze af te wijzen, althans het door de vrouw in appel verzochte af te wijzen.

In incidenteel appel verzoekt de man het hof de bestreden beschikking met betrekking tot de bepaalde partneralimentatie ad € 1.250,-- per maand te vernietigen en, opnieuw beschikkende, de partneralimentatie ten behoeve van de man te bepalen op een bedrag ad € 1.500,-- bruto per maand, bij vooruitbetaling te voldoen en de bestreden beschikking voor het overige te bekrachtigen.

4. De vrouw verzet zich daartegen en verzoekt het hof de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek, althans het verzoek van de man af te wijzen. Daarnaast verzoekt de vrouw het hof de kosten tussen partijen te compenseren.

Behoefte van de man

5. In haar eerste en tweede grief stelt de vrouw de behoefte van de man aan de orde. De vrouw stelt dat de rechtbank ten onrechte van een hogere behoefte is uitgegaan (€ 3.153,-- per maand) dan de man zelf bij zijn zelfstandig verzoek in verweerschrift had gesteld (€ 2.500,-- per maand). Voorts stelt de vrouw dat de rechtbank buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden doordat zij ten onrechte van een hoger netto gezinsinkomen van partijen is uitgegaan (€ 5.255,-- per maand) dan partijen zelf hadden opgevoerd (max. € 4.650,-- per maand).

6. De man voert aan dat de berekening van zijn behoefte in eerste aanleg ad € 2.500,-- per maand een globale en niet uitputtende begroting betrof. Thans, bij incidenteel appel in hoger beroep, heeft de man een nieuwe behoefteberekening gemaakt en stelt hij dat zijn netto behoefte € 3.475,-- per maand bedraagt. Wat betreft het netto gezinsinkomen ten tijde van het huwelijk betwist de man dat partijen overeenstemming hadden over een bedrag van € 4.650,-- per maand en stelt hij dat de rechtbank het netto gezinsinkomen terecht op € 5.255,-- per maand heeft vastgesteld.

7. Het hof overweegt als volgt. De behoefte van de alimentatiegerechtigde wordt in het algemeen gerelateerd aan de mate van welstand gedurende het huwelijk. De mate van welstand wordt onder meer bepaald aan de hand van het netto gezinsinkomen, het uitgavenpatroon van partijen ten tijde van het huwelijk en de omstandigheden van het geval. In dit verband merkt het hof nog op dat de zogenaamde 60% regel slechts een hulpmiddel betreft om de huwelijksgerelateerde behoefte globaal te berekenen. De behoefte zal daarnaast zo veel mogelijk aan de hand van concrete gegevens betreffende de reële of de met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud door de rechter worden bepaald. In dit kader is door de man in hoger beroep een behoefteberekening overgelegd. Nu de behoefte van de man op deze wijze is geconcretiseerd, zal het hof deze berekening als uitgangspunt nemen. Op grond van zijn berekening stelt de man dat zijn behoefte € 3.475,-- per maand bedraagt. De vrouw heeft ter terechtzitting een aantal van de door de man opgevoerde posten uit zijn behoefteberekening gemotiveerd betwist. Wat betreft de door de man opgevoerde extra huurlasten ad € 142,-- per maand voor een garagebox in verband met zijn (hobby)auto is het hof van oordeel dat hiermee rekening kan worden gehouden, gezien de welstand van het huwelijk van partijen en het feit dat de man thans een appartement bewoont. Het hof zal geen rekening houden met de kosten voor een hulp in de huishouding, nu de vrouw deze kosten gemotiveerd heeft betwist en de man de kosten niet nader heeft onderbouwd. Het hof zal met de kosten vervoer (totaal € 528,--) geen rekening houden voor zover dit een bedrag van € 175,-- per maand te boven gaat, omdat het hof deze kosten (betrekking hebbende op de eventuele aanschaf van een andere auto) niet redelijk acht en bovendien deze kosten niet feitelijk zijn gemaakt. Het hof zal voorts wat betreft de post ontspanning geen rekening houden met een bedrag boven € 200,-- per maand, aangezien het hof een hoger bedrag in dit geval niet redelijk acht. Verder houdt het hof geen rekening met het door de man opgevoerde bedrag van € 375,-- per maand aan reserveringen (vervanging inboedel), nu de vrouw deze post gemotiveerd heeft betwist en de man de noodzaak van deze post niet nader heeft onderbouwd. Ook zal het hof geen rekening houden met een bedrag van € 236,-- per maand ter zake van een pensioenvoorziening, nu de vrouw deze post gemotiveerd heeft betwist en de man de aanwezigheid noch de noodzaak daarvan heeft aangetoond.

Aangezien de vrouw wenst uit te gaan van een behoefte van € 2.500,-- per maand en gezien het hiervoor overwogene zal het hof uitgaan van een behoefte van € 2.500,-- per maand.

Behoeftigheid

8. In haar derde en vierde grief (grief 5) heeft de vrouw de behoeftigheid van de man aan de orde gesteld. De man heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd.

9. Het hof overweegt als volgt. Uit de jaaropgave 2008 van de man blijkt dat zijn gemiddelde netto maandinkomen ruim € 2.300,-- bedraagt. Daarenboven beschikt de man uit hoofde van de verdeling van de huwelijkgemeenschap thans over een vermogen van € 149.000,-- waaruit hij enige inkomsten kan genereren, zodat de man naar het oordeel van het hof geheel in eigen behoefte kan voorzien.

10. Onder deze omstandigheden, nu de man geheel in zijn eigen behoefte kan voorzien, acht het hof een alimentatie ten laste van de vrouw niet aan de orde. Het beroep van de vrouw slaagt dan ook op dit punt. Dit brengt mee dat de bestreden beschikking dient te worden vernietigd en dat het verzoek van de man, zowel in eerste aanleg als in incidenteel appel, dient te worden afgewezen.

Duur alimentatie

11. In grief 6 stelt de vrouw zich op het standpunt dat de periode waarover partneralimentatie verschuldigd is, in afwijking van de wettelijke termijn, dient te worden gelimiteerd en dat de rechtbank dit ten onrechte niet heeft gedaan. De vrouw voert daartoe aan dat het huwelijk van partijen weliswaar langer dan vijf jaar, doch relatief kort heeft geduurd en dat de verdiencapaciteit van de man door het huwelijk niet is geschaad. De man betwist de stelling van de vrouw en stelt dat zijn financiële situatie wel negatief is beïnvloed door het huwelijk, zowel wat betreft zijn verdiencapaciteit, als wat betreft zijn vermogen, alsmede wat betreft zijn pensioenvoorziening.

12. Het hof overweegt als volgt. Gelet op het ingrijpende karakter van een beëindiging van de partneralimentatie voor de alimentatiegerechtigde, hetgeen het vaststellen van een termijn eerder dan de wettelijke termijn van twaalf jaren met zich brengt, worden aan een beëindiging strenge eisen gesteld. Het hof is van oordeel dat het vaststellen van een termijn in dit geval niet aan de orde is, nu de vrouw hiertoe onvoldoende heeft gesteld en bovendien op dit moment geen partneralimentatie zal worden toegekend.

13. Gezien hetgeen het hof onder 10 heeft overwogen, komt het hof niet meer toe aan een beoordeling van grief 7 van de vrouw.

14. Uit het vorengaande volgt dat de bestreden beschikking dient te worden vernietigd.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw beschikkende:

wijst het verzoek van de man, tot toekenning van een bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud ten laste van de vrouw, alsnog af;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Pannekoek-Dubois, Labohm en Mos-Verstraten, bijgestaan door mr. Wijkstra als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 juni 2009.