Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BJ0519

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-04-2009
Datum publicatie
20-07-2009
Zaaknummer
200.026.475.01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing. Ontvankelijkheid van door minderjarige zelf ingestelde appel. Netwerkplaatsing en plaatsing in residentiële instelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 29 april 2009

Zaaknummer : 200.026.475.01

Rekestnr. rechtbank : J1 RK 09-67

[verzoeker],

in rechte vertegenwoordigd door

[XX],

kantoorhoudend te [adres],

in zijn hoedanigheid van bijzondere curator over deze minderjarige,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de minderjarige

advocaat mr. M. D. van Velthoven, te [adres],

tegen

de Stichting Bureau Jeugdzorg Utrecht,

kantoor houdende te Utrecht,

hierna te noemen: Jeugdzorg.

Als belanghebbende zijn aangemerkt:

1. [de ouders],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de ouders,

advocaat mr. A.J.H.M. Hopmans

2. [belanghebbende 2],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: [belanghebbende sub 2].

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De minderjarige is op 20 februari 2009 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 9 februari 2009 van de rechtbank Rotterdam.

Jeugdzorg heeft op 24 maart 2009 een verweerschrift ingediend.

De ouders hebben op 24 maart 2009 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de minderjarige zijn op 20 maart 2009, 24 maart 2009 en 9 april 2009 aanvullende stukken ingekomen.

De Raad voor de Kinderbescherming Rotterdam heeft bij brief van 18 maart 2009 laten weten niet ter zitting te zullen verschijnen.

Op 1 april 2009 is de mondelinge behandeling van de zaak aangevangen en aangehouden tot 16 april 2009. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt.

Op 16 april 2009 is de mondeling behandeling voortgezet. Verschenen zijn: de minderjarige, in het bijzijn van zijn bijzondere curator en bijgestaan door zijn advocaat. Namens Jeugdzorg zijn verschenen [X], [Y], en [Z]. Voorts zijn verschenen de ouders, bijgestaan door hun advocaat, en [belanghebbende sub 2]. De aanwezigen hebben het woord gevoerd, [Y] onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotitie.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is - uitvoerbaar bij voorraad - met ingang van 9 februari 2009 machtiging verleend tot plaatsing van de minderjarige in een netwerkpleeggezin gevolgd door een plaatsing in een residentiële instelling tot 7 mei 2009.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige, geboren [in] 1992 te [woonplaats]. De ouders hebben gezamenlijk het gezag over de minderjarige, die feitelijk verblijft in een netwerkpleeggezin te weten: ten huize van [belanghebbende sub 2].

2. De minderjarige verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, naar het hof begrijpt, het inleidend verzoek af te wijzen voor zover dit voorziet in een machtiging tot uithuisplaatsing op een andere plaats dan het netwerkpleeggezin waar hij thans verblijft.

3. Jeugdzorg verzoekt primair de minderjarige niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep en subsidiair de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4. De ouders verzoeken primair de minderjarige niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep en subsidiair het hoger beroep af te wijzen.

5. Met de eerste grief keert de minderjarige zich ertegen dat de kinderrechter in overweging heeft genomen dat bij de op 23 juli 2008 uitgesproken verlenging van de machtiging uithuisplaatsing is gekozen om de beoordeling van de ontstane zorgen over de geschiktheid van het netwerkpleeggezin te koppelen aan de uitkomsten van een begin 2008 aangevraagd onderzoek door Altrecht. Van dergelijke zorgen was hem niets meegedeeld en het onderzoek door Altrecht, waartoe hij zich had gewend om de problemen met zijn ouders te verwerken, was niet bestemd om de geschiktheid van het netwerkpleeggezin te onderzoeken. Uit kort voordien op verzoek van Jeugdzorg verricht onderzoek door het kenniscentrum voor Diagnostiek was immers gebleken dat het netwerkpleeggezin de beste plaats voor hem was, omdat hij zich daar positief ontwikkelde.

De tweede grief is gericht tegen de overweging dat niet kan worden vastgesteld dat de minderjarige zich adequaat en in vrijheid ontwikkelt. Anders dan bij zijn ouders, waar hij zich niet vrij kon ontwikkelen, krijgt hij bij [belanghebbende sub 2] wel de vrijheid om zich te ontwikkelen en dit werpt ook al zijn vruchten af op gebieden als vrienden, een sociaal leven, buitenschoolse activiteiten, het zelfstandig vinden van een stageplaats en vorderingen op school.

De derde grief betreft het karakter van de verleende machtiging als zogenaamde trajectmachtiging op een neutrale plaats. Of er sprake is van belemmering of blokkering van het onderzoek wordt geheel overgelaten aan de gezinsvoogd, in wie de minderjarige, gelet op diens opstelling tot nog toe, geen enkel vertrouwen heeft. De minderjarige zal de liefde, zorg en aandacht die hij als beschadigd kind niet kan missen, in een instelling niet krijgen. Bovendien doet een dergelijke plaatsing afbreuk aan schoolresultaten en de gevonden stageplaats.

6. Jeugdzorg stelt zich op het standpunt dat het voor haar nauwelijks mogelijk is uitvoering te geven aan de ondertoezichtstelling en de daarmee samenhangende uithuisplaatsing. Volgens haar komt de samenwerking met het pleeggezin niet van de grond en legt het pleeggezin te veel verantwoordelijkheid bij de minderjarige. Jeugdzorg acht het rapport van het kenniscentrum Diagnostiek uit november 2007 inmiddels gedateerd en stelt dat uit een door Altrecht verricht nieuw onderzoek duidelijk blijkt dat er een stabiele woon/leefsituatie moet zijn alvorens een succesvolle behandeling kan plaatshebben. Jeugdzorg stelt voorts dat de ontwikkeling van de minderjarige niet goed verloopt als gevolg van loyaliteitsconflicten die worden gevoed door de slechte relatie van zijn familie en [belanghebbende sub 2]. Volgens ambulant onderzoek van 9 november 2007 is van belang dat [belanghebbende sub 2] een neutrale, steunende houding aanneemt ten aanzien van de relatie minderjarige-ouders. Het wordt Jeugdzorg in contacten onvoldoende duidelijk of de wens van de minderjarige om bij [belanghebbende sub 2] te blijven wonen wordt ingegeven door zijn eigen wil of door zijn loyaliteit aan [belanghebbende sub 2]. Volgens Jeugdzorg kunnen de beoogde doelen alleen worden behaald indien de minderjarige wordt doorgeplaatst naar een neutrale plek en de verblijfsduur in het huidige netwerkgezin wordt beperkt.

7. De ouders stellen zich op het standpunt dat de plaatsing van de minderjarige bij het netwerkpleeggezin een onjuiste keuze is geweest en dat de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing niet kunnen leiden tot het doel waarvoor ze zijn opgelegd. De gezinsvoogd kan door de relatie tussen betrokken partijen geen inhoud geven aan zijn taak. De ouders zijn van mening dat met name [belanghebbende sub 2] de werkzaamheden van de voogd frustreert. Zij blijkt op geen enkele wijze bereid om mee te werken aan het herstel van contact tussen de minderjarige en zijn ouders. Dit kan voor de minderjarige nadelige gevolgen hebben in zijn ontwikkeling. Het is van belang dat de relatie tussen de minderjarige en zijn ouders zo spoedig mogelijk hersteld wordt. De plaatsing van de minderjarige in een neutrale omgeving is een grote stap, maar het is ook een trauma voor hem wanneer hij het contact met de ouders niet kan herstellen. Het is niet duidelijk in welke positie de minderjarige verkeert. De ouders moeten de kans krijgen om het contact met hem te herstellen.

8. Het hof overweegt als volgt.

9. Vooropgesteld dient te worden dat het hoger beroep, door tussenkomst van zijn advocaat, door de minderjarige zelf is ingesteld. Met betrekking tot het verweer van Jeugdzorg en de ouders dat de minderjarige in zijn hoger beroep niet ontvankelijk is, overweegt het hof als volgt.

Bij beschikking van 3 april 2009 heeft de rechtbank Rotterdam, sector kanton, locatie Rotterdam [XX] tot bijzonder curator over de minderjarige benoemd. Ter terechtzitting van 16 april 2009 heeft [XX] in deze hoedanigheid verklaard alle in de onderhavige procedure tot dan toe in naam van de minderjarige verrichte proceshandelingen als in naam van hemzelf in zijn hoedanigheid verrichte proceshandelingen voor zijn rekening te nemen.

Gelet hierop kan de minderjarige in zijn hoger beroep worden ontvangen en treffen de daartegen gerichte weren van Jeugdzorg en de ouders geen doel.

10. In geschil is de machtiging tot uithuisplaatsing voor zover zij strekt tot verblijf in een residentiële instelling.

Bij beoordeling of voor een daartoe strekkende machtiging grond bestaat, dient te worden onderzocht of een dergelijke plaatsing noodzakelijk is in het belang is van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

Daarbij verdient de aandacht dat het vereiste van noodzaak zich onderscheidt van enkel wenselijkheid of enkel nuttigheid, doordat het met de plaatsing beoogde en realiseerbare belang zwaarder dient te wegen dan de met die plaatsing niet te verenigen belangen.

11. De kinderrechter heeft aan de bestreden beschikking het oordeel ten grondslag gelegd dat verlenging van de duur van de machtiging tot plaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige. Uit de ten overstaan van de kinderrechter door Jeugdzorg gegeven onderbouwing alsmede uit de overwegingen van de bestreden beschikking blijkt echter dat de verleende trajectmachtiging voor zover deze strekt tot plaatsing in een residentiële inrichting, noodzakelijk werd geacht tot onderzoek van de minderjarige. De kinderrechter heeft immers overwogen dat indien een onderzoek in multidisciplinair verband wordt belemmerd of geconditioneerd door het netwerkpleeggezin of (de) minderjarige, een neutrale plaatsing geïndiceerd is en dat de verzochte trajectmachtiging om die reden zal worden verleend.

Het hof zal dan ook de noodzaak van dit onderzoek afwegen tegen de overige betrokken belangen.

12. Het hof stelt voorop dat de voorlopige OTS destijds is uitgesproken naar aanleiding van meldingen van respectievelijk Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam en de school van de minderjarige, [X]. Volgens de melding van Jeugdzorg hebben de ouders erkend dat de vader de minderjarige bij wijze van corrigerende tikken heeft geslagen en zijn op 11 februari 2007 in het ziekenhuis bij de minderjarige een lichte hersenschudding en enkele kneuzingen geconstateerd. Volgens de melding van [X] is op 9 februari 2007 op school door een mentor en een leerlingbegeleidster met de vader van de minderjarige gesproken over het rapport van de minderjarige en de rol van de vader hierin en is de minderjarige hierna en op 10 februari 2007 opnieuw door zijn vader geslagen.

De OTS is vervolgens definitief verleend op basis van een rapport van de Raad voor de kinderbescherming waarin de raad concludeert dat de minderjarige slachtoffer is van lichamelijke en psychische mishandeling door zijn vader. Volgens de raad lijkt er sprake van huiselijk geweld en ontkenning bij de ouders. De opvoedingsstijl die de ouders hanteren is prestatie-gericht waarbij mishandeling en vernedering door met name de vader als ”methodes” (worden) toegepast. De raad acht hulpverlening in het kader van een ondertoezichtstelling voor de minderjarige noodzakelijk omdat bij de ouders het inzicht ontbreekt, zij de problemen niet onderkennen en niet geneigd zijn hulp te zoeken. Tegen plaatsing van de minderjarige bij [belanghebbende sub 2] had de raad vooralsnog geen bezwaar aangezien dit een prettige en veilige omgeving leek en hier de kans op herstel en rust het grootst leek.

13. In het daaropvolgende halfjaar werd deze vooronderstelling kennelijk door de met het verblijf in dit netwerkpleeggezin opgedane ervaringen alsmede door psycho-diagnostisch onderzoek bevestigd.

Blijkens de brief van Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam van 20 november 2007 aan de advocaat van de minderjarige immers, is met de toenmalig met de uitvoering van de ondertoezichtstelling belaste gezinsvoogdij-instelling het volgende afgesproken:

“ [de minderjarige] heeft duidelijkheid over zijn toekomst. [de minderjarige] blijft bij [belanghebbende sub 2], mevrouw [X], in [woonplaats] wonen. BJZ volgt het advies op dat voortkomt uit het psycho-diagnostisch onderzoek, afgenomen in oktober 2007 door het Kennis en Servicecentrum voor Diagnostiek, waarin staat dat [de minderjarige] zich veilig voelt bij [belanghebbende sub 2], zich langzaam positief ontwikkelt en aansluiting vindt op school. Daarnaast sluit dit beleid aan bij [de minderjarige] zijn wens om bij [belanghebbende sub 2] te willen blijven wonen. Wel dienen wij toe te voegen dat formeel de kinderrechter hierin het laatste woord heeft.”.

14. Anders dan in de bestreden beschikking wordt overwogen, blijkt uit de beschikking van 23 juli 2008, waarop de bestreden beschikking kennelijk voortbouwt, op geen enkele wijze dat “zorgen ontstonden over de geschiktheid van het netwerkpleeggezin”. Weliswaar wordt als mening van de ouders weergegeven dat zij het in verband met de loyaliteitsproblemen die daarbij spelen niet eens zijn met plaatsing bij [belanghebbende sub 2], maar van het verbinden van consequenties aan deze mening heeft de kinderrechter zich onthouden. Het onderzoek waarop de kinderrechter met de beschikking van 23 juli 2008 het oog had betrof kennelijk dan ook niet de geschiktheid van het pleeggezin, maar de vraag waar de minderjarige het meest op zijn plaats zou zijn: bij [belanghebbende sub 2], bij een ander pleeggezin of bij de ouders. De eerste grief is gegrond.

15. Waar de bestreden beschikking met betrekking tot het onderwerp van het onderzoek kennelijk voortbouwt op de beschikking van 23 juli 2008, is het hof van oordeel dat het belang van het beoogde onderzoek niet opweegt tegen het belang bij continuering van het verblijf van de minderjarige bij [belanghebbende sub 2], waarop hij, gegeven de op 20 november 2007 met Jeugdzorg gemaakte afspraken, mocht en mag vertrouwen, behoudens andersluidend oordeel van de rechter, die daarbij vanzelfsprekend ook de gerechtvaardigde verlangens van de ouders zal betrekken.

16. Uit de stukken blijkt dat na 23 juli 2008 aanwijzigen zijn gerezen dat de minderjarige gebukt gaat onder effecten van de ruzie die binnen zijn familie van moederszijde zou bestaan. Er zou sprake zijn van een blokkade van het contact met het ouderlijk gezin en twijfel is gerezen of de minderjarige zich adequaat en in vrijheid ontwikkelt. Deze omstandigheden maken echter het belang van de minderjarige bij continuering van het huidige verblijf bij [belanghebbende sub 2] niet minder zwaarwegend. Dit zou anders kunnen zijn indien het ontstaan van het loyaliteitsconflict geheel of in overwegende mate aan [belanghebbende sub 2] dient te worden toegeschreven. Daarvan is het hof echter niet dan wel onvoldoende gebleken. Ook de tweede grief is gegrond.

Het hof acht aannemelijk dat de moeizame contacten tussen Jeugdzorg, de minderjarige en [belanghebbende sub 2] mede zijn veroorzaakt door de beleidswijziging van Jeugdzorg, waarmee de minderjarige niet gelukkig was. Door deze omstandigheden zijn contacten tussen de minderjarige en zijn ouders, of in ieder geval zijn moeder en zijn broertje en zusje onvoldoende van de grond gekomen. Het is aannemelijk dat deze situatie ook heeft geleid tot een verharding aan de zijde van de minderjarige. Het verbeteren van de contacten tussen Jeugdzorg en de minderjarige kan een eerste stap zijn om deze situatie te doorbreken.

17. Het had het op de weg van Jeugdzorg gelegen een zorgvuldige afweging te maken tussen de met het beoogde onderzoek te dienen belangen en de belangen van de minderjarige bij behoud van de resultaten en vooruitzichten die hij tijdens zijn verblijf bij [belanghebbende sub 2] gedurende de afgelopen twee jaar heeft bereikt.

Ter terechtzitting heeft Jeugdzorg evenwel verklaard daarvan sedert medio 2008 weloverwogen te hebben afgezien. Naar de overtuiging van Jeugdzorg dient alles in het werk gesteld te worden om de relatie tussen de minderjarige en zijn ouders een kans te geven en dienen daarvoor desnoods, zoals in het onderhavige geval waar de beoogde residentiële instelling te Rotterdam is gelegen, de vooruitzichten die de minderjarige zich de afgelopen twee jaar in Nieuwegein heeft verworven, te worden opgegeven. Jeugdzorg verwacht dat de minderjarige weerstand zal bieden, maar stelt dat de ervaring bij kinderen leert dat die weerstand snel doorbroken zal worden.

18. Het hof acht niet aannemelijk dat met deze rigide benadering van een zo kwetsbaar kind als de minderjarige het met de traject-uithuisplaatsing beoogde doel zal worden bereikt. Bovendien acht het hof het de vraag of de ondertoezichtstelling, die nog maximaal anderhalf jaar kan voortduren, zich in haar uitvoering exclusief moet richten op herstel van de band van de minderjarige met de ouders. Ofschoon Jeugdzorg ter onderbouwing van haar visie ter terechtzitting uitvoerig beroep heeft gedaan op wetenschappelijke inzichten onder de noemer contextuele therapie, is het hof van oordeel dat aan deze inzichten, die ook volgens Jeugdzorg bestaan naast andersluidende inzichten, in de onderhavige zaak geen doorslaggevende betekenis toekomt.

Nu onzeker is of het met deze machtiging beoogde doel kan worden gerealiseerd, terwijl vaststaat dat door de minderjarige zelf bereikte positieve resultaten verloren zullen gaan, ontbreekt voor uithuisplaatsing in zoverre de wettelijk vereiste noodzaak.

Derhalve zal de bestreden beschikking worden vernietigd en zal het inleidend verzoek, in zoverre daarop niet bij eerdere beschikking was beslist, in na te melden zin gedeeltelijk worden toegewezen.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en opnieuw beschikkende:

verleent met ingang van 9 februari 2009 machtiging tot plaatsing van de minderjarige in een netwerkpleeggezin tot 7 mei 2009;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Bouritius, De Haan-Boerdijk en Hulsebosch, bijgestaan door mr. Pol als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 april 2009.