Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BI8688

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-06-2009
Datum publicatie
18-06-2009
Zaaknummer
22-002231-08.a
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft een relatie gehad met het slachtoffer en woonde gedurende enige tijd met hem samen. Zodoende was de verdachte op de hoogte van het feit dat het slachtoffer een goedlopend bedrijf had en dat hij ook grote geldbedragen op zijn bankrekeningen had staan dan wel binnenkreeg. Op een gegeven moment heeft de verdachte via bankoverschrijvingsformulieren van het slachtoffer, waarop zij zijn handtekening had vervalst, geldbedragen van de rekening van het slachtoffer laten overschrijven naar haar eigen rekening.

Nadat de relatie tussen de verdachte en het slachtoffer was beëindigd, heeft de verdachte de woning van het slachtoffer verlaten, met medeneming van een laptop. Op de harde schijf van die laptop stond materiaal waarmee zij het slachtoffer wilde chanteren om hem te beletten aangifte van diefstal tegen haar te doen. Omdat de verdachte zich wegens mishandelingen door het slachtoffer gekrenkt voelde, wilde zij hem een lesje leren en hem (volgens medeverdachte [medeverdachte A.]) zelfs ‘kapot maken’. De verdachte heeft een van haar medeverdachten verteld dat het slachtoffer haar mishandelde en dat hij regelmatig over grote geldbedragen beschikte. De mededader heeft een vriend benaderd met het verhaal van verdachte en zo is het plan ontstaan om het slachtoffer te beroven. Er zijn door de verdachte en haar medeverdachten diverse scenario’s uitgedacht om hun gezamenlijke plan uit te voeren en uiteindelijk hebben zij afgesproken dat het slachtoffer zou worden meegelokt, waarna hij in de woning van één van de medeverdachten, zo nodig met toepassing van geweld, zou worden gedwongen om zijn bankpas en pincode af te geven. Deze beroving is uitgemond in een gekwalificeerde doodslag, omdat de mededaders zoveel geweld hebben gebruikt bij het verkrijgen van de pincode dat het slachtoffer als gevolg daarvan is overleden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2009, 200
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-002231-08

Parketnummer: 10-700185-07

Datum uitspraak: 18 juni 2009

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 22 april 2008 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1983 te [geboorteplaats],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Tilburg, HvB Koning Willem II te Tilburg.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 6 november 2008, 19 februari 2009 en 4 juni 2009.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

1.

zij in of omstreeks de periode van 1 februari 2007 tot en met 16 juni 2007 te Pernis, gemeente Rotterdam en/of Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) haar mededader(s) opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg,

- de armen en/of handen en/of benen en/of voeten van die [slachtoffer] met tape samengebonden/vastgebonden en/of

- tape op de mond van die [slachtoffer] geplakt en/of tape rond/om de nek van die [slachtoffer] gewikkeld en/of (vervolgens)

meermalen, althans éénmaal met kracht

- (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag) met de vuist(en) en/of een hard voorwerp op/tegen het (achter)hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] geslagen en/of gestompt en/of

- (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag) met geschoeide voet(en) op/tegen het (achter)hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer] geschopt en/of getrapt,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte A.] en/of [medeverdachte B.] in of omstreeks de periode van 1 februari 2007 tot en met 16 juni 2007 te Pernis, gemeente Rotterdam en/of Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade een [slachtoffer] van het leven heeft/hebben beroofd,

immers heeft/hebben die [medeverdachte A.] en/of [medeverdachte B.] opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg,

- de armen en/of handen en/of benen en/of voeten van die [slachtoffer] met tape samengebonden/vastgebonden en/of

- tape op de mond van die [slachtoffer] geplakt en/of tape rond/om de nek van die [slachtoffer] gewikkeld en/of (vervolgens)

meermalen, althans éénmaal met kracht

- (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag) met de vuist(en) en/of een hard voorwerp op/tegen het (achter)hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] geslagen en/of gestompt en/of

- (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag) met geschoeide voeten) op/tegen het (achter)hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer] geschopt en/of getrapt,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden,

tot het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 1 februari 2007 tot en met 16 juni 2007 te Pernis, gemeente Rotterdam en/of Rotterdam opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door tegen die [medeverdachte A.] en/of [medeverdachte B.] te zeggen dat

- zij, verdachte, die [slachtoffer] wilde beroven en/of (daarna) wilde chanteren met een laptop waarop kinderporno stond en/of dat zij, verdachte, (na de beroving) aangifte van mishandeling door die [slachtoffer] zou doen en/of

- zij, verdachte, de sleutel van de woning van die [slachtoffer] zou laten kopiëren en/of

- die [slachtoffer] bij zijn ouders verbleef en dat zij, verdachte, niet wist wanneer hij ([slachtoffer]) weer in zijn eigen huis ging wonen en/of

- het/de slot(en) van de woning van die [slachtoffer] niet was/waren veranderd en/of dat de beroving (daarom) bij die [slachtoffer] thuis kon/moest worden gepleegd en/of - zij ([medeverdachte A.] en/of [medeverdachte B.]) de muziek hard moesten aanzetten tijdens de beroving en/of

- die [slachtoffer] zijn pincode had veranderd en/of

- zij, verdachte, het/een bankpasje en/of overschrijvingskaarten van die [slachtoffer] aan [medeverdachte A.] en/of [medeverdachte B.] zou geven en/of opsturen en/of

- [medeverdachte A.] en/of [medeverdachte B.] moesten wachten met de beroving, omdat er meer geld op de rekening van die [slachtoffer] zou komen;

meer subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij in of omstreeks de periode van 1 februari 2007 tot en met 16 juni 2007 te Pernis, gemeente Rotterdam en/of Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk B. [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) haar mededader(s) opzettelijk

- de armen en/of handen en/of benen en/of voeten van die [slachtoffer] met tape samengebonden/vastgebonden en/of

- tape op de mond van die [slachtoffer] geplakt en/of tape rond/om de nek van die [slachtoffer] gewikkeld en/of (vervolgens)

meermalen, althans éénmaal met kracht

- (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag) met de vuist(en) en/of een hard voorwerp op/tegen het (achter)hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] geslagen en/of gestompt en/of

- (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag) met geschoeide voet(en) op/tegen het

(achter)hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer] geschopt en/of getrapt, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden,

welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten diefstal (met geweld) van een bankpas en/of afpersing van een bankpas en/of (daarbij behorende) pincode, en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

nog meer subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte A.] en/of [medeverdachte B.] in of omstreeks de periode van 1 februari 2007 tot en met 16 juni 2007 te Pernis, gemeente Rotterdam en/of Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk B. [slachtoffer] van het leven heeft/hebben beroofd, immers heeft/hebben verdachte(n) en/of (een of meer van) hun mededader(s) opzettelijk

- de armen en/of handen en/of benen en/of voeten van die [slachtoffer] met tape samengebonden/vastgebonden en/of

- tape op de mond van die [slachtoffer] geplakt en/of tape rond/om de nek van die [slachtoffer] gewikkeld en/of (vervolgens)

meermalen, althans éénmaal met kracht

- (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag) met de vuist(en) en/of een hard voorwerp op/tegen het (achter)hoofd en/of het op/tegen het (achter)hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] geslagen en/of gestompt en/of

- (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag) met geschoeide voet(en) op/tegen het (achter)hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer] geschopt en/of getrapt,

tengevolge waarvan voomoemde [slachtoffer] is overleden,

welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten diefstal (met geweld) van een bankpas en/of afpersing van een bankpas en/of (daarbij behorende) pincode, en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

tot het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 1 februari 2007 tot en met 16 juni 2007 te Pernis, gemeente Rotterdam en/of Rotterdam opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door tegen die [medeverdachte A.] en/of [medeverdachte B.] te zeggen dat

- zij, verdachte, die [slachtoffer] wilde beroven en/of (daarna) wilde chanteren met een

laptop waarop kinderporno stond en/of dat zij, verdachte, (na de beroving) aangifte van mishandeling door die [slachtoffer] zou doen en/of

- zij, verdachte, de sleutel van de woning van die [slachtoffer] zou laten kopiëren en/of

- die [slachtoffer] bij zijn ouders verbleef en dat zij, verdachte, niet wist wanneer hij ([slachtoffer]) weer in zijn eigen huis ging wonen en/of

- het/de slot(en) van de woning van die [slachtoffer] niet was/waren veranderd en/of dat de beroving (daarom) bij die [slachtoffer] thuis kon/moest worden gepleegd en/of

- zij ([medeverdachte A.] en/of [medeverdachte B.]) de muziek hard moesten aanzetten tijdens de beroving en/of

- die [slachtoffer] zijn pincode had veranderd en/of

- zij, verdachte, het/een bankpasje en/of overschrijvingskaarten van die [slachtoffer] aan [medeverdachte A.] en/of [medeverdachte B.] zou geven en/of opsturen en/of

- [medeverdachte A.] en/of [medeverdachte B.] moesten wachten met de beroving, omdat er meer geld op de rekening van die [slachtoffer] zou komen;

(tweede) nog meer subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij in of omstreeks de periode van 1 februari 2007 tot en met 16 juni 2007 te Pernis, gemeente Rotterdam en/of Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een portemonnee met inhoud en/of een bankpas, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

en/of

dat zij in of omstreeks de periode van 1 februari 2007 tot en met 16 juni 2007 te Pernis, gemeente Rotterdam en/of Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld, [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een bankpas en/of (daarbij bijbehorende) pincode, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan verdachte en/of haar mededader(s),

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld (telkens) bestond(en) uit het

- vastbinden/samenbinden van de armen en/of handen en/of benen en/of voeten van die [slachtoffer] met tape en/of

- plakken van tape op de mond van die [slachtoffer] en/of het wikkelen van tape rond/om de nek van die [slachtoffer] en/of (vervolgens) het meermalen, althans éénmaal met kracht

- (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag) met de vuist(en) en/of een hard voorwerp op/tegen het (achter)hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] slaan en/of stompen en/of

- (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag) met geschoeide voet(en) op/tegen het (achter)hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer] schoppen en/of trappen,

en welk(e) feit(en) de dood van die [slachtoffer] ten gevolge heeft/hebben gehad;

meest subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte A.] en/of [medeverdachte B.] in of omstreeks de periode van 1 februari 2007 tot en met 16 juni 2007 te Pernis, gemeente Rotterdam en/of Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft/hebben weggenomen een portemonnee met inhoud en/of een bankpas, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte(n) en/of zijn/hun mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

en/of

dat [medeverdachte A.] en/of [medeverdachte B.] in of omstreeks de periode van 1 februari 2007 tot en met 16 juni 2007 te Pernis, gemeente Rotterdam en/of Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld, [slachtoffer] heeft/hebben gedwongen tot de afgifte van een bankpas en/of (daarbij bijbehorende) pincode, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan verdachte(n) en/of zijn/hun mededader(s),

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld (telkens) bestond(en) uit het

- vastbinden/samenbinden van de armen en/of handen en/of benen en/of voeten van die [slachtoffer] met tape en/of

- plakken van tape op de mond van die [slachtoffer] en/of het wikkelen van tape rond/om de nek van die [slachtoffer] en/of (vervolgens) het meermalen, althans éénmaal met kracht

- (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag) met de vuist(en) en/of een hard voorwerp op/tegen het (achter)hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] slaan en/of stompen en/of

- (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag) met geschoeide voet(en) op/tegen het (achter)hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer] schoppen en/of trappen,

en welk(e) feit(en) de dood van die [slachtoffer] ten gevolge heeft/hebben gehad;

tot het plegen van welke misdrijf/misdrijven verdachte in of omstreeks de periode van 1 februari 2007 tot en met 16 juni 2007 te Pernis, gemeente Rotterdam en/of Rotterdam opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door tegen die [medeverdachte A.] en/of [medeverdachte B.] te zeggen dat

- zij, verdachte, die [slachtoffer] wilde beroven en/of (daarna) wilde chanteren met een laptop waarop kinderporno stond en/of dat zij, verdachte, (na de beroving) aangifte van mishandeling door die [slachtoffer] zou doen en/of

- zij, verdachte, de sleutel van de woning van die [slachtoffer] zou laten kopiëren en/of

- die [slachtoffer] bij zijn ouders verbleef en dat zij, verdachte, niet wist wanneer hij ([slachtoffer]) weer in zijn eigen huis ging wonen en/of

- het/de slot(en) van de woning van die [slachtoffer] niet was/waren veranderd en/of dat de beroving (daarom) bij die [slachtoffer] thuis kon/moest worden gepleegd en/of - zij ([medeverdachte A.] en/of [medeverdachte B.]) de muziek hard moesten aanzetten tijdens de beroving en/of

- die [slachtoffer] zijn pincode had veranderd en/of

- zij, verdachte, het/een bankpasje en/of overschrijvingskaarten van die [slachtoffer] aan [medeverdachte A.] en/of [medeverdachte B.] zou geven en/of opsturen en/of

- [medeverdachte A.] en/of [medeverdachte B.] moesten wachten met de beroving, omdat er meer geld op de rekening van die [slachtoffer] zou komen;

2.

zij in of omstreeks de periode van 21 februari 2007 tot en met 16 juni 2007 te Rotterdam en/of elders in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag van euro 3112,45 en/of een geldbedrag van euro 2365,- en/of een laptop, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in Rotterdam en/of elders in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag van euro 3112,45 en/of een geldbedrag van euro 2365,- en/of een laptop, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 primair, 1 subsidiair en 1 meer subsidiair tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 nog meer subsidiair en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van voorarrest en met beslissing omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep het verweer gevoerd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van verdachte, nu de politie ten tijde van de tenlastegelegde gebeurtenissen aan de [adres] zoveel fouten heeft gemaakt en het slachtoffer bij eerder adequaat ingrijpen van de politie wellicht niet was komen te overlijden.

Het hof is, met de rechtbank, van oordeel dat in het algemeen heeft te gelden dat een niet tijdig ingrijpen van de politie, waardoor schade die door de verdachten is toegebracht is opgelopen, niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie leidt, nu die schade niet door de gestelde nalatigheid van de politie is veroorzaakt maar door het onrechtmatig handelen van de verdachten. Ook in deze zaak was dat het geval: het dodelijk letsel van het slachtoffer is niet veroorzaakt door het door de raadsman gestelde niet tijdige ingrijpen van de politie, maar door de handelingen van de medeverdachten. Bovendien zijn het niet de belangen van verdachte die kunnen worden geschaad door een mogelijk niet tijdig ingrijpen van de politie, maar hooguit die van het slachtoffer.

Het hof verwerpt het verweer van de raadsman en oordeelt dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet in alle opzichten verenigt.

Vaststelling van de feiten

De rechtbank heeft in haar vonnis van 22 april 2008 de feiten als volgt vastgesteld, waarbij het hof zich op basis van het onderzoek ter terechtzittingen in hoger beroep geheel aansluit.

In de nacht van 15 op 16 juni 2007 is [slachtoffer], hierna "het slachtoffer", in de woning op de [adres] te Pernis overleden. Daaraan is het volgende voorafgegaan.

Het slachtoffer heeft met verdachte [verdachte] (hierna "[verdachte]") een relatie gehad. Zij woonden tot 30 mei 2007 samen. Op die datum heeft zij de woning verlaten nadat tussen hen een vechtpartij had plaatsgevonden waarbij [verdachte] letsel aan haar voorhoofd had opgelopen. (blz. 171 en 638 e.v. dossier TGO [naam onderzoek]) [verdachte] en verdachte [medeverdachte A.] (hierna "[medeverdachte A.]") hebben in de periode vanaf medio januari 2007 regelmatig contact met elkaar gehad, waarbij [verdachte] onder meer over haar relatie met het slachtoffer sprak. (verklaring [medeverdachte A.] als getuige bij rechter-commissaris) Zij vertelde dat zij door hem in elkaar werd geslagen en dat zij geld van zijn rekening naar haar rekening had overgemaakt. (blz. 126 en blz.175) [verdachte] vertelde verder dat het slachtoffer goed zijn geld verdiende. (blz. 34) [verdachte] en [medeverdachte A.] hebben zeven of acht keer gesproken over de beroving van het slachtoffer. [verdachte] heeft een keer tegen [medeverdachte A.] gezegd dat hij de beroving moest uitstellen omdat er op dat moment onvoldoende geld op de rekening van het slachtoffer stond. Ook heeft zij aan hem gevraagd hoe hij de beroving wilde fiksen, omdat het slachtoffer hem zou herkennen. (blz. 176) [medeverdachte A.] wilde dat [verdachte] een valse handtekening zou zetten onder een overschrijvingsformulier van het slachtoffer. Het op die manier op een bankrekening van derden overgemaakte geld zou worden gedeeld. (blz. 176)

Op metrostation Tussenwater in Hoogvliet heeft een ontmoeting plaatsgevonden tussen [verdachte] en [medeverdachte A.], waarbij verdachte [medeverdachte B.] (hierna "[medeverdachte B.]") ook aanwezig was. (blz. 127 en blz. 176) Daar is overlegd op welke manier het slachtoffer van zijn geld beroofd zou worden. Aanvankelijk is besproken dat [verdachte] een sleutel van de woning van het slachtoffer zou laten bijmaken zodat [medeverdachte A.] en [medeverdachte B.] 's nachts zijn woning zouden kunnen binnengaan. [verdachte] heeft gezegd dat het slot niet was veranderd. Om te voorkomen dat het slachtoffer aangifte zou doen, zou hij worden gechanteerd met het feit dat er op zijn laptop - die [verdachte] in haar bezit had - kinderporno stond. Daarnaast zou [verdachte] aangifte doen van mishandeling. (blz. 127 en verklaringen [medeverdachte A.] bij de rechter-commissaris)

Hierna zijn nog verschillende contacten geweest tussen de verdachten waarbij de plannen om het slachtoffer te beroven zijn besproken. (blz. 128 e.v. en blz. 176 e.v.) Uit de verschillende verklaringen maakt de rechtbank op dat [verdachte] en [medeverdachte A.] hierover samen spraken en ook [medeverdachte A.] en [medeverdachte B.] hierover samen spraken, waarbij [medeverdachte A.] zowel [verdachte] als [medeverdachte B.] op de hoogte hield van de zaken die buiten elkaars aanwezigheid waren besproken.

[medeverdachte A.] wist van [verdachte] dat het slachtoffer een hoop geld op zijn rekening had staan. (blz 92)

Op 7 juni 2007 is [medeverdachte B.] samen met getuige [getuige A.] in de woning van [medeverdachte A.] geweest waar eveneens is gesproken over de beroving van het slachtoffer. [medeverdachte B.] en [medeverdachte A.] hebben toen afgesproken de beroving in de woning van het slachtoffer te laten plaatsvinden, hem te slaan en zijn bankpas af te pakken en dan te gaan pinnen. [medeverdachte A.] heeft gezegd dat hij het slachtoffer zou slaan totdat hij zijn pincode zou geven. (blz. 92, blz. 129 en blz.185)

Op 8 juni 2007 is [medeverdachte B.] wederom naar de woning van [medeverdachte A.] gegaan. Toen is besproken dat de beroving dat weekeinde niet door zou gaan omdat het slachtoffer dat weekend bij zijn ouders was. Dit had [verdachte] aan [medeverdachte A.] verteld, evenals dat zij niet wist wanneer het slachtoffer weer in zijn eigen huis ging wonen. [medeverdachte B.] heeft nog aan [medeverdachte A.] voorgesteld om zijn vuurwapen mee te nemen naar de beroving, maar [medeverdachte A.] vond dat geen goed idee (blz. 92, blz. 93 en blz. 129)

Op 14 juni 2007 heeft een ontmoeting plaatsgevonden tussen de verdachten op het metrostation Pernis. (blz. 130, blz. 177 en blz. 956 e.v.) Daar is met z'n drieën afgesproken dat de beroving in de woning van [medeverdachte A.] zou plaatsvinden. Het slachtoffer zou naar die woning worden meegenomen en in de woning worden besprongen en vastgetapet. Om te voorkomen dat de buren dat zouden horen stelde [verdachte] voor om de muziek hard aan te zetten. [medeverdachte B.] zou een dvd met harde muziek meenemen. (blz. 132) [verdachte] zou later die nacht horen of het was gelukt. (blz. 130 e.v.) De opbrengst van de beroving zou door verdachten worden gedeeld. (blz. 181 en blz. 928) Zij verklaarden bij deze gelegenheid alle drie dat zij het geld goed konden gebruiken (blz. 131). Het was de bedoeling dat in de nacht van de beroving alle rekeningen van het slachtoffer zouden worden leeggehaald. (verklaring [medeverdachte A.] bij rechter-commissaris) [medeverdachte A.] heeft aan het slachtoffer gevraagd om mee uit te gaan. (blz. 132) Rond 22.15 uur (aanvulling hof: op 15 juni 2007) is [medeverdachte B.] bij de woning van [medeverdachte A.] gearriveerd. Rond 22.30 uur hebben [medeverdachte B.] en [medeverdachte A.] wat gedronken in een café. Daarna zijn zij naar de woning van het slachtoffer gereden. In de auto op weg naar het slachtoffer is (nogmaals) besproken hoe de beroving zou plaatsvinden. (blz. 133) Toen is ook afgesproken dat gebruik gemaakt zou worden van het feit dat [medeverdachte A.] zijn portemonnee was vergeten, en met vermelding van deze reden het slachtoffer meegenomen zou worden naar de woning van [medeverdachte A.]. (verklaring verdachte/getuige [medeverdachte A.] ter zitting)

[medeverdachte A.] en [medeverdachte B.] hebben het slachtoffer bij zijn woning opgehaald en zijn naar de woning van [medeverdachte A.] aan de [adres] gereden (blz. 39 e.v.), waar ze rond 23.15 uur zijn aangekomen. (blz. 522)

In de woning heeft het volgende plaatsgevonden.

[medeverdachte A.] en [medeverdachte B.] zijn met het slachtoffer de woning binnengegaan. In de woning hebben de verdachten en het slachtoffer cocaïne gebruikt, die [medeverdachte B.] had meegenomen. Hierna is het slachtoffer vastgepakt, waarna een worsteling is ontstaan en het slachtoffer op de grond terecht is gekomen. Terwijl [medeverdachte A.] op het slachtoffer zat en hem in bedwang hield, heeft [medeverdachte B.] de benen en de armen van het slachtoffer vastgetapet waarbij het slachtoffer zich verzette. (verklaring verdachte/getuige [medeverdachte A.] ter zitting) [medeverdachte B.] heeft hem toen met kracht in zijn buik geschopt. (blz. 96) Ook de mond van het slachtoffer werd getapet.

[medeverdachte A.] heeft, toen het slachtoffer op de grond lag, ongeveer 15 maal geschopt en geslagen, onder meer tegen het hoofd, zodat het slachtoffer zijn pincode zou geven. (verklaring verdachte/getuige [medeverdachte A.] ter zitting)

Nadat het slachtoffer zijn pincode had gegeven en deze door [medeverdachte A.] was gecontroleerd met behulp van internet, heeft [medeverdachte B.] de woning verlaten met het doel te gaan pinnen. Toen [medeverdachte B.] het portiek verliet zag hij dat de politie ter plaatse was gekomen.

Over het op het slachtoffer uitgeoefende geweld hebben [medeverdachte B.] en [medeverdachte A.] verschillend verklaard. [medeverdachte B.] heeft verklaard dat hij slechts één schop heeft gegeven. Naar zijn zeggen was [medeverdachte A.] helemaal doorgedraaid. Hij heeft [medeverdachte A.] horen schreeuwen: "hou je bek anders maak ik je dood" en hem meerdere keren heel hard op het achterhoofd van het slachtoffer zien stompen. Hij vond het zo erg wat hij zag dat hij op een gegeven moment niet meer durfde te kijken. (blz. 42) Wel was naar zijn zeggen het slachtoffer nog aanspreekbaar toen hij de woning verliet. [medeverdachte A.] heeft ter zitting verklaard dat hij samen met [medeverdachte B.] het slachtoffer heeft mishandeld en dat [medeverdachte B.] - weliswaar minder vaak en minder hard dan hijzelf - ook meerdere malen heeft geschopt en geslagen. Verder heeft [medeverdachte A.] verklaard dat hij het slachtoffer niet meer heeft geschopt of geslagen nadat [medeverdachte B.] de woning had verlaten.

De buren en de politie hebben het volgende verklaard over de gebeurtenissen.

De buurman van verdachte [medeverdachte A.], getuige [getuige B.] (blz. 380) heeft om 23.45 uur (verslag meldkamer blz. 1863) de politie gebeld met de melding dat hij zag dat er een persoon in de woning van verdachte [medeverdachte A.] werd vastgetapet. Ongeveer vijf minuten voor de melding had hij hard gestommel en gebonk gehoord, dat klonk alsof er gevochten werd in de woning. Hij hoorde iemand constant "help" roepen. Toen hij op het balkon ging kijken zag hij iemand op de grond liggen die waarschijnlijk tegen de keukenkast aanlag. Hij zag dat er benen werden ingetapet en zag spartelen. Daarop heeft hij de politie gebeld. Tot aan het moment dat zijn zoon thuis kwam, heeft de buurman ongeveer een kwartier lang gebonk gehoord en - met tussenpauzes - hulpgeroep vanuit de woning van [medeverdachte A.]. (blz. 381)

Getuige [getuige C.] bevond zich in een café aan de [adres]. Hij zag rond 23.55 uur politie voor het huis van zijn ouders aan de [adres] staan. Rond 00.00 uur kwam hij de woning van zijn ouders binnen. Hij hoorde vanuit de woning van [medeverdachte A.] een hoop gestommel. Hij heeft met een glas tegen de muur geluisterd en heeft in de woning van [medeverdachte A.], ter hoogte van de keuken, een soort doffe klappen gehoord en een hoop gekreun. Iets later heeft hij [medeverdachte A.] horen zeggen: "waar is ze" of "waar is het" en hierna hoorde hij weer een hoop gestommel alsof er iemand klappen kreeg en gekreun. Tot slot hoorde hij een hoop enorm harde klappen die wel een minuut aanhielden. Daarna heeft hij niemand meer horen kreunen. Alles bij elkaar hoorde hij het slachtoffer een kwartier schreeuwen en daarna nog tien minuten kreunen. (blz. 384 en de verklaring van de getuige bij de rechter-commissaris)

Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zien om 00.10 uur (blz. 001)(aanvulling hof: op 16 juni 2007) of 00.07 uur (blz. 423) een man uit het portiek van de woning komen. Deze man blijkt later [medeverdachte B.] te zijn. In het meldkamerverslag wordt vermeld dat deze verbalisanten om 00.03 uur een persoon zien die vermoedelijk uit de woning komt. De rechtbank neemt aan dat dit [medeverdachte B.] is. Om 00.06 uur hebben de verbalisanten contact met [medeverdachte B.]. (blz. 1865)

De patholoog-anatoom heeft een groot aantal letsels geconstateerd aan in het bijzonder het hoofd, de hals en de rug van het slachtoffer. Daarnaast was er toegenomen bewegelijkheid van de halswervelkolom ter plaatse van de eerste en tweede wervel en het ruggenmerg was hier beschadigd. Tevens was er bloed onder de harde hersenvliezen. Al deze letsels kunnen het gevolg zijn van (hevig) herhaaldelijk (hard) slaan, al dan niet met een zwaar voorwerp en/of schoppen. Deze letsels verklaren het intreden van de dood zonder meer. Het is waarschijnlijk dat het slachtoffer na het oplopen van de geweldsinwerking nog enige tijd heeft geleefd. Het is waarschijnlijker dat de meeste verwondingen één of enkele uren voor het overlijden zijn toegebracht dan enkele minuten voor het overlijden. Het letsel aan de wervelkolom kan mogelijk recenter van aard zijn. (blz. 1833)

Uit het rapport van de patholoog-anatoom volgt dat de kans groot is dat het merendeel van de letsels niet vlak voor het overlijden is aangebracht. Het tijdstip van het overlijden is niet exact bekend, maar toen de politie binnentrad tussen 00.41 en 00.44 uur (blz. 8, blz. 1836) werd er geen pols meer gevoeld. (blz. 431)

Gelet op het tijdstip dat [medeverdachte B.] de woning uitkomt (tussen 00.03 en 00.10 uur) en de verklaringen van de getuigen [getuigen B. en C.] stelt de rechtbank vast dat er in elk geval gedurende een kwartier geweld is gebruikt jegens het slachtoffer door [medeverdachte A.] en [medeverdachte B.] samen, althans in elk geval waar [medeverdachte B.] bij was. Gelet op de marges die de patholoog-anatoom heeft aangegeven bij zijn poging om de datering van de letsels weer te geven, kan de rechtbank niet vaststellen op welk moment de dodelijke letsels zijn toegebracht.

Uit onderzoek is gebleken dat er bloed van het slachtoffer aan beide handen en de rechterschoen van [medeverdachte A.] zat. (blz. 1808)

Na het overlijden van het slachtoffer heeft [verdachte] op 30 juni 2007 geprobeerd om na te gaan of er geld was afgeschreven van de rekening van het slachtoffer. (blz. 602)

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair (medeplegen van moord) en 1 subsidiair (medeplichtigheid aan medeplegen van moord) is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken, overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal.

Op grond van de zich in het dossier bevindende stukken en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, is het hof van oordeel dat de verdachte eveneens dient te worden vrijgesproken van het onder 1 meer subsidiair tenlastegelegde, medeplegen van gekwalificeerde doodslag, nu er naar het oordeel van het hof onvoldoende bewijsmiddelen voorhanden zijn om medeplegen in de zin van artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht bewezen te kunnen verklaren.

Het hof zal de verdachte dan ook vrijspreken van het haar onder 1 meer subsidiair tenlastegelegde.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 nog meer subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

nog meer subsidiair:

[medeverdachte A.] en [medeverdachte B.] in de periode van 15 juni 2007 tot en met 16 juni 2007 te Pernis, gemeente Rotterdam, tezamen en in vereniging, opzettelijk [slachtoffer] van het leven hebben beroofd, immers hebben verdachten opzettelijk

- de armen en benen van die [slachtoffer] met tape samengebonden/vastgebonden en

- tape op de mond van die [slachtoffer] geplakt en (vervolgens)

meermalen, met kracht

- (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag) met de vuist(en) op/tegen het (achter)hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] geslagen en/of gestompt en

- (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag) met geschoeide voet op/tegen het (achter)hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer] geschopt en/of getrapt,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden,

welke vorenomschreven doodslag werd vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten diefstal (met geweld) van een bankpas en/of afpersing van een bankpas en/of (daarbij behorende) pincode, en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken;

tot het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode van 1 februari 2007 tot en met 16 juni 2007 te Pernis, gemeente Rotterdam opzettelijk inlichtingen heeft verschaft door tegen die [medeverdachte A.] en/of [medeverdachte B.] te zeggen dat

- zij, verdachte, die [slachtoffer] wilde beroven en/of (daarna) wilde chanteren met een laptop waarop kinderporno stond en/of dat zij, verdachte, (na de beroving) aangifte van mishandeling door die [slachtoffer] zou doen en

- zij, verdachte, de sleutel van de woning van die [slachtoffer] zou laten kopiëren en

- die [slachtoffer] bij zijn ouders verbleef en dat zij, verdachte, niet wist wanneer hij ([slachtoffer]) weer in zijn eigen huis ging wonen en

- het/de slot(en) van de woning van die [slachtoffer] niet was/waren veranderd en/of dat de beroving (daarom) bij die [slachtoffer] thuis kon/moest worden gepleegd en/of

- zij ([medeverdachte A.] en/of [medeverdachte B.]) de muziek hard moesten aanzetten tijdens de beroving en

- die [slachtoffer] zijn pincode had veranderd en

- [medeverdachte A.] en/of [medeverdachte B.] moesten wachten met de beroving, omdat er meer geld op de rekening van die [slachtoffer] zou komen;

2.

zij in de periode van 21 februari 2007 tot en met 16 juni 2007 te Rotterdam en/of elders in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag van euro 3112,45 en een geldbedrag van euro 2365,- en een laptop, toebehorende aan [slachtoffer].

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Verweren van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte - kort gezegd - dient te worden vrijgesproken van alle varianten van het onder 1 tenlastegelegde feit, nu er niet alleen onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is, maar ook het voor medeplichtigheid aan gekwalificeerde doodslag vereiste dubbel opzet ontbreekt en de verdachte de plannen om het slachtoffer te beroven nooit serieus heeft genomen, hetgeen zou passen bij de persoonlijkheid van de verdachte.

Met betrekking tot het hiervoor weergegeven verweer is het hof niet tot andere overwegingen of een ander oordeel gekomen dan de rechtbank. Daarom geeft het hof die overwegingen van de rechtbank hierna grotendeels woordelijk weer en maakt die tot de zijne.

Ten aanzien van de twee hoofddaders ([medeverdachte A.] en [medeverdachte B.]) is bewezen verklaard dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan het medeplegen van gekwalificeerde doodslag. Uit de zich in het dossier bevindende stukken en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is naar het oordeel van het hof, voor wat betreft de rol van de verdachte, voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden om te kunnen spreken van medeplichtigheid aan gekwalificeerde doodslag in de zin van artikel 48 van het Wetboek van Strafrecht, ook al is het opzet van de verdachte niet gericht geweest op de dood van het slachtoffer. Uit voornoemd artikel dient te worden afgeleid dat de medeplichtige de kwalificatie van de dader volgt indien het opzet van de medeplichtige tenminste op een deel van de bewezenverklaring was gericht. In het geval dat de pleger meer heeft gedaan dan waarop het opzet van de medeplichtige was gericht, wordt met dat mindere opzet pas bij de strafoplegging rekening gehouden.

De verdachte en haar mededaders hadden geld nodig en het plan om het slachtoffer te beroven is samen door de verdachte en haar mededaders gemaakt. Ook de wijze waarop de beroving zou plaatsvinden, namelijk dat er geweld zou worden gebruikt en dat de buit zou worden verdeeld, is besproken. Uit haar eigen verklaringen en die van de medeverdachte [medeverdachte A.] blijkt dat de verdachte in verschillende stadia van overleg en ook bij het bespreken van het uiteindelijke plan heeft meegedacht over de manier waarop het slachtoffer zou worden beroofd. De plannen voor de beroving die zijn besproken waren zodanig concreet dat verdachte zich er achteraf niet meer met vrucht op kan beroepen dat zij er geen rekening mee hield dat deze ook echt zouden worden uitgevoerd. Het opzet van de verdachte is dan ook gericht geweest op de gewelddadige beroving van het slachtoffer. Daarmee is de verdachte medeplichtig aan gekwalificeerde doodslag.

Bij het bovenstaande heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het rapport van drs. I.I. Schultze, psycholoog, opgemaakt op 12 december 2007. Het hof is op grond van de inhoud van genoemd rapport van oordeel dat niet is gebleken dat de verdachte de reikwijdte van haar handelen niet heeft kunnen overzien nu zij blijkens genoemd rapport slechts enigszins verminderd toerekeningsvatbaar kan worden geacht. Deze mate van toerekeningsvatbaarheid impliceert immers niet dat de verdachte de reikwijdte van haar handelen niet of in onvoldoende mate heeft kunnen overzien.

De verweren van de raadsman worden verworpen.

Voorzover de raadsman van de verdachte heeft willen betogen dat de verklaringen van de medeverdachte [medeverdachte A.] dermate onbetrouwbaar zijn dat deze verklaringen van het bewijs dienen te worden uitgesloten, overweegt het hof het volgende.

Het hof is van oordeel dat de verklaringen van de medeverdachte [medeverdachte A.], in onderlinge samenhang bezien, kunnen worden aangemerkt als in essentie consistent en op essentiële punten strokend met de overige bewijsmiddelen, en acht deze derhalve betrouwbaar. Het hof heeft in dit verband de omstandigheid laten meewegen dat [medeverdachte A.] in zijn verklaringen ook zichzelf heeft belast, niet in de laatste plaats wat betreft de tenlastegelegde geweldshandelingen. De omstandigheid dat [medeverdachte A.] aanvankelijk niets heeft willen verklaren, kennelijk teneinde zichzelf niet te incrimineren, doet aan het vorenstaande niet af.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 nog meer subsidiair bewezenverklaarde:

Medeplichtigheid aan medeplegen van doodslag, vergezeld of voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden of gemakkelijk te maken.

Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

Diefstal, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat - kort gezegd - een mogelijk feitelijke rol van de verdachte in de connectie tussen enerzijds [medeverdachte A.] en anderzijds het slachtoffer niet kan worden gekwalificeerd als een strafbaar feit, zodat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het hof is van oordeel dat, nu uit de bewezenverklaring volgt dat (het handelen van) de verdachte strafbaar is, er voor ontslag van rechtsvervolging geen plaats is.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte van het onder 1 primair en 1 subsidiair tenlastegelegde zal worden vrijgesproken en ter zake van het onder 1 meer subsidiair (medeplegen van gekwalificeerde doodslag) en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Wat de verdere motivering van de op te leggen straf betreft zal het hof ook hier vrijwel woordelijk aansluiten bij hetgeen de rechtbank dienaangaande in het beroepen vonnis heeft overwogen, omdat het hof zich daarmee zo goed als geheel verenigt, terwijl die overwegingen ook in hoger beroep nog onverkort van toepassing zijn.

De verdachte heeft zich op de bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan gekwalificeerde doodslag en aan diefstal.

De verdachte heeft een relatie gehad met het slachtoffer en woonde gedurende enige tijd met hem samen. Zodoende was de verdachte op de hoogte van het feit dat het slachtoffer een goedlopend bedrijf had en dat hij ook grote geldbedragen op zijn bankrekeningen had staan dan wel binnenkreeg. Op een gegeven moment heeft de verdachte via bankoverschrijvingsformulieren van het slachtoffer, waarop zij zijn handtekening had vervalst, geldbedragen van de rekening van het slachtoffer laten overschrijven naar haar eigen rekening.

Nadat de relatie tussen de verdachte en het slachtoffer was beëindigd, heeft de verdachte de woning van het slachtoffer verlaten, met medeneming van een laptop. Op de harde schijf van die laptop stond materiaal waarmee zij het slachtoffer wilde chanteren om hem te beletten aangifte van diefstal tegen haar te doen.

Omdat de verdachte zich wegens mishandelingen door het slachtoffer gekrenkt voelde, wilde zij hem een lesje leren en hem (volgens medeverdachte [medeverdachte A.]) zelfs 'kapot maken'. De verdachte heeft een van haar medeverdachten verteld dat het slachtoffer haar mishandelde en dat hij regelmatig over grote geldbedragen beschikte. De mededader heeft een vriend benaderd met het verhaal van verdachte en zo is het plan ontstaan om het slachtoffer te beroven. Er zijn door de verdachte en haar medeverdachten diverse scenario's uitgedacht om hun gezamenlijke plan uit te voeren en uiteindelijk hebben zij afgesproken dat het slachtoffer zou worden meegelokt, waarna hij in de woning van één van de medeverdachten, zo nodig met toepassing van geweld, zou worden gedwongen om zijn bankpas en pincode af te geven. Deze beroving is uitgemond in een gekwalificeerde doodslag, omdat de mededaders zoveel geweld hebben gebruikt bij het verkrijgen van de pincode dat het slachtoffer als gevolg daarvan is overleden.

Verdachtes koelbloedigheid en onverschilligheid met betrekking tot het lot van het slachtoffer blijkt uit de omstandigheid dat zij twee weken na het overlijden van het slachtoffer heeft geprobeerd navraag te doen naar het saldo op zijn bankrekeningen. Dat verdachte oprecht berouw heeft van haar handelen heeft het hof niet uit de verklaringen van de verdachte, noch anderszins uit haar gedrag kunnen afleiden.

Het bewezenverklaarde is buitengewoon ernstig. De meedogenloosheid, de brutaliteit en de berekenende manier waarop de verdachte en haar medeverdachten hebben geprobeerd het slachtoffer van diens geld te beroven is zeer schokkend. Op agressieve wijze is een jonge man het leven ontnomen. Vast staat dat het slachtoffer daarbij enige tijd is doodsnood heeft verkeerd door het gewelddadige en nietsontziende handelen van verdachtes mededaders. Verdachte en haar medeverdachten hebben zich enkel laten leiden door financieel gewin en zich niet bekommerd om het slachtoffer en zijn dierbaren. Aan de nabestaanden van het slachtoffer is onmetelijk veel verdriet aangedaan. Het is weliswaar niet de bedoeling van de verdachte geweest dat het slachtoffer zou overlijden, maar door haar berekenende en onverschillige houding heeft zij wel aan zijn gewelddadige dood bijgedragen.

Gelet op de aard en de bijzondere ernst van dit misdrijf en gelet op de aan de medeverdachten op te leggen langdurige gevangenisstraffen is een straf hoger dan door de rechtbank in eerste aanleg is opgelegd naar het oordeel van het hof zonder meer gerechtvaardigd. Daaraan doet niet af dat het hof in de navolgende, in de persoon van de verdachte gelegen omstandigheden, aanleiding ziet de in beginsel geboden geachte straf enigszins te matigen.

In de eerste plaats is de verdachte blijkens een haar betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van

6 februari 2009 niet eerder veroordeeld voor enig misdrijf.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van het hiervoor reeds genoemde psychologisch rapport, d.d. 12 december 2007, opgemaakt door drs. I.I. Schultze, psycholoog, waarin - kort samengevat - het volgende wordt geconcludeerd:

Bij betrokkene is sprake van een gebrekkige ontwikkeling, te weten een borderline persoonlijkheidsstoornis. Deze stoornis was ook ten tijde van het tenlastegelegde aanwezig. Deze stoornis gaat gepaard met kwetsbaarheid, impulsiviteit, emotionele labiliteit, relationele problemen, een instabiele identiteitsbeleving en kortdurende cognitieve stoornissen, zoals dissociatieve verschijnselen. Op basis daarvan lijkt het aannemelijk dat verdachte de mogelijk verstrekkende gevolgen, zoals beschreven in het tenlastegelegde, minder goed dan een gemiddelde ander heeft kunnen voorzien. De psycholoog acht verdachte, op basis van de gebrekkige ontwikkeling van haar geestvermogens minder dan de gemiddelde ander in staat om adequaat met een dergelijke situatie om te kunnen gaan. Op basis van het voorgaande wordt het recidive gevaar op de korte termijn als klein gezien. Op langere termijn acht de psycholoog, gezien de kwetsbaarheid en beïnvloedbaarheid van verdachte, de kans op herhaling van een soortgelijk delict aanwezig. Betrokkene neigt immers, vanuit haar persoonlijkheidsproblematiek, meer dan een gemiddelde ander tot het aangaan van een pathologische relatie. Het is niet voorspelbaar wat zich binnen een dergelijke relatie kan afspelen. De psycholoog concludeert dat de verdachte op grond van het voorgaande als enigszins verminderd toerekingsvatbaar kan worden beschouwd.

Het hof kan zich verenigen met de inhoud van voornoemd rapport en komt op grond daarvan tot het oordeel dat het bewezenverklaarde de verdachte in enigszins verminderde mate kan worden toegerekend.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van navermelde duur een passende en geboden reactie vormt.

Vorderingen tot schadevergoeding

In het onderhavige strafproces hebben zich ter zake van beide feiten in het geding gevoegd [benadeelde partij A., de ouders van het slachtoffer, alsook [benadeelde partij B.], de minderjarige zoon van het slachtoffer.

a. De gezamenlijke vordering van [benadeelde partij A.].

De benadeelde partij vordert vergoeding van materiële schade bestaande uit:

1. Telefoonkosten ad € 90,33;

2. Representatiekosten ad € 339,35;

3. Reiskosten ad € 253,50;

4. Griffierechten in verband met beneficiaire aanvaarding ad € 98,-;

5. Kosten uitvaart ad € 2.100,26;

6. Studiekosten [benadeelde partij A.]

ad € 2.087,18;

7. Grafmonument ad € 4.284,85;

8. Urnengraf ad € 1.334,50;

9. Notariskosten ad € 928,62;

10. Verzekering voor grafmonument ad € 299,94;

Dit betreft een bedrag van in totaal € 11.816,53.

Daarnaast vordert de benadeelde partij een bedrag van

€ 1.449,40 aan kosten voor rechtsbijstand.

In hoger beroep heeft de benadeelde partij gepersisteerd bij de in eerste aanleg ingediende vordering onder de toevoeging op het antwoordformulier: 'voor zover het gevorderde bedrag in tweede instantie (wederom) niet (geheel) wordt toegewezen op de aangedragen grondslag, wordt de grondslag van het niet toe te wijzen gedeelte hierbij aangevuld met 'extra kosten voor rechtsbijstand in hoger beroep'.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de posten onder 1, 2, 3, 5, 7 en 8 alsook tot toewijzing van extra kosten voor rechtsbijstand tot een bedrag van € 1.000,-, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor wat betreft de overige posten heeft de advocaat-generaal geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij, nu deze posten niet van eenvoudige aard zijn.

Namens de verdachte is geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in haar vordering tot schadevergoeding.

Het hof is van oordeel dat de posten 5 en 8, de kosten van de uitvaart en het urnengraf, vallen aan te merken als schade die rechtstreeks aan de benadeelde partij is toegebracht als gevolg van het eerste bewezenverklaarde feit en dat deze posten genoegzaam zijn onderbouwd. Dit onderdeel van de vordering, met een totaalbedrag van € 3.434,76, is derhalve toewijsbaar.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op € 1.449,40 in eerste aanleg en € 1.000,- in hoger beroep, alsmede in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Het hof is van oordeel dat, hoewel voldoende aannemelijk is geworden dat er door de benadeelde partij ook andere materiele schade is geleden, de omvang daarvan in het kader van deze strafzaak niet op eenvoudige wijze valt vast te stellen, zodat de benadeelde partij in de overige posten niet-ontvankelijk wordt verklaard. Deze onderdelen van de vordering kunnen slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

b. De vordering van [benadeelde partij B.]

De benadeelde partij vordert vergoeding van schade bestaande uit:

1. Affectieschade ad € 10.000,-;

2. Verduisterd geld ten bedrage van € 5.477,45;

3. Laptop ad € 1.000,-;

4. De posten van [benadeelde partij A.] die niet voor toewijzing in aanmerking komen bij de beoordeling van hun eigen vordering.

Dit betreft (afgezien van post 4) een totaal bedrag van

€ 16.477,45. Daarnaast vordert de benadeelde partij een bedrag van € 1.000,- aan kosten voor rechtsbijstand.

Blijkens het antwoordformulier voor de behandeling van de vordering van de benadeelde partij in hoger beroep, heeft de benadeelde partij zijn vordering verhoogd tot een bedrag van € 30.793,38. Onder het kopje 'opmerkingen' wordt aangegeven: 'Voorzover het gevorderde bedrag in tweede instantie (wederom) niet (geheel) wordt toegewezen op de aangedragen grondslag, wordt de grondslag van het niet toegewezen gedeelte hierbij aangevuld met 'kosten voor gederfd levensonderhoud'.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de post 2 tot het gevorderde bedrag van € 5.477,45, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor wat betreft de overige posten heeft de advocaat-generaal geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij, omdat de laptop reeds aan de familie van het slachtoffer zou zijn teruggegeven en de overige posten niet van eenvoudige aard zijn.

De vordering van de benadeelde partij is tot een bedrag van € 5.447,45 door of namens de verdachte niet betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij genoegzaam aangetoond dat tot een bedrag van € 5.447,45 materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het onder 2 bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Voor het overige acht het hof de vordering van de benadeelde partij niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het onderhavige strafproces.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk is in de vordering. Deze vordering kan in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 3.434,76 aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij A.].

Nu tevens vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van

€ 5.447 aansprakelijk is voor de schade die door het onder 2 bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij B.].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 48, 49, 57, 287, 288 en 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 1 subsidiair en 1 meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 eerste nog meer subsidiair en 2 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

5 (vijf) jaren.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij A.] tot een bedrag van

€ 3.434,76 (drieduizend vierhonderdvierendertig

euro en zesenzeventig cent)

en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij B.] tot een bedrag van

€ 5.477,45 (vijfduizend vierhonderdzevenenzeventig euro en vijfenveertig cent)

en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partijen voor het overige niet-ontvankelijk in de vorderingen.

Bepaalt dat de benadeelde partijen de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij [benadeelde partij A.] in verband met de vordering heeft gemaakt - welke kosten tot aan deze uitspraak vooralsnog zijn begroot op € 2.449,40 (tweeduizend vierhonderdnegenenveertig euro en veertig eurocent) - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Verstaat dat indien een mededader geheel of deels aan deze betalingsverplichting heeft voldaan, de verdachte daarvan in zoverre is bevrijd.

Legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij van een bedrag van € 3.434,76 (drieduizend vierhonderd-vierendertig euro en zesenzeventig cent) voor welk bedrag in het geval volledige betaling noch volledig verhaal volgt vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 47 (zevenenveertig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis deze betalingsverplichting niet opheft.

Verstaat dat indien een mededader geheel of deels aan de betalingsverplichting van € 3.434,76 heeft voldaan, de verdachte daarvan in zoverre is bevrijd.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer

[benadeelde partij B.], van een bedrag van € 5.477,45 (vijfduizend vierhonderdzevenenzeventig euro en vijfenveertig cent) voor welk bedrag in het geval volledige betaling noch volledig verhaal volgt vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van

57 (zevenenvijftig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis deze betalingsverplichting niet opheft.

Verstaat dat betaling aan de benadeelde partijen tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer en omgekeerd.

Dit arrest is gewezen door mr. S.K. Welbedacht,

mr. A.H. de Wild en mr. S. van Dissel, in bijzijn van de griffier mr. M. Wegter.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 18 juni 2009.

Mr. A.H. de Wild is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.