Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BI8207

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-05-2009
Datum publicatie
16-06-2009
Zaaknummer
105.011.449
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ouderschapsonderzoek: Het onderzoek kon niet plaatsvinden. Het hof is na de regiezitting voldoende geinformeerd om de zaak inhoudelijk af te doen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 27 mei 2009

Zaaknummer : 105.011.449/01

Rekestnummer : 878-R-07

Rekestnr. rechtbank : F2 RK 05-2457

[appellant]

wonende te [woonplaats]

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. J.P. Vandervoordt,

tegen

[geïntimeerde]

wonende te [woonplaats]

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. H.C. van Asperen.

VERDER PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

Het hof handhaaft al hetgeen is overwogen en beslist in zijn tussenbeschikking van 5 november 2008. Bij die beschikking heeft het hof de heer A.A. van der Meulen tot deskundige benoemd in het kader van een ouderschapsonderzoek en hem daarbij opdracht gegeven antwoord te geven op de in rechtsoverweging 10 van die tussenbeschikking vermelde vragen. Voorts is daarbij als raadsheer-commissaris benoemd mr. C. van Nievelt en is de verdere behandeling aangehouden.

Nadien zijn stukken bij het hof ingekomen:

- van de zijde van de deskundige op 4 december 2008;

- van de zijde van de moeder op 29 december 2008;

Het hof heeft een zitting bepaald.

Op 15 april 2009 heeft ten overstaan van raadsheer-commissaris mr. C. van Nievelt de zitting plaatsgevonden. Verschenen zijn: de moeder, bijgestaan door mr. H. Vrijhof, advocaat en kantoorgenoot van mr. J.P. Vandervoordt, de vader, bijgestaan door zijn advocaat, en de deskundige de heer A.A. van der Meulen, die allen het woord hebben gevoerd.

VERDERE BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. Tijdens de zitting hebben partijen en de deskundige ten overstaan van het hof een begin gemaakt met het ouderschapsonderzoek. Dit onderzoek was nog niet begonnen omdat de moeder niet tegelijkertijd met de vader op gesprek wilde komen bij de deskundige. Partijen en de deskundige stemden in met een start van het onderzoek tijdens de zitting. De deskundige is het onderzoek aangevangen aan de hand van de vragen zoals opgenomen in de tussenbeschikking. Vervolgens bleek uit de loop van het onderzoek tijdens de zitting dat de moeder haar bezwaar tegen verdere voortzetting van het ouderschapsonderzoek handhaafde. De mondelinge behandeling is daarop afgerond.

2. Het hof overweegt dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende gegevens naar voren zijn gekomen om thans tot een oordeel te kunnen komen omtrent de verzoeken in hoger beroep. Het hof stelt allereerst vast dat het geen zin heeft het deskundigenonderzoek voort te zetten, gelet op de houding die de moeder hierbij inneemt. Het gevolg dat het hof niet in alle opzichten kan worden voorgelicht, betreft een omstandigheid die het hof meer in de risicosfeer van de moeder laat dan van die van de vader, voor zover althans de kinderen daarvan geen onaanvaardbare gevolgen lijken te dragen.

3. Op 1 maart 2009 is in werking getreden de Wet van 27 november 2008 tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met het bevorderen van voortgezet ouderschap na echtscheiding en het afschaffen van de mogelijkheid tot het omzetten van een huwelijk in een geregistreerd partnerschap (Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding; Stb. 2008, 500). Nu daarin overgangsrechtelijke bepalingen ontbreken, gaat het hof uit van de onmiddellijke werking van de wet. Waar het vóór eerstgenoemde datum, in het geval ouders gezamenlijk het gezag hebben over hun minderjarige kind(eren), in gerechtelijke procedures gangbaar was te spreken van “omgang”, in de zin van de duur van het verblijf van de minderjarige(n) bij de andere ouder dan die waar hij zijn hoofdverblijfplaats heeft, omschrijft de wet in artikel 1:253a BW dit nu als “een toedeling van de zorg- en opvoedingstaken”, als onderdeel van een regeling inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Het hof zal in deze zaak het begrip “omgang”verstaan als toedeling van zorg- en opvoedingstaken en beoordelen in het licht van de Wet bevordering voortgezet ouderschap. Hoewel het hof in de hierna volgende overwegingen de oude terminologie zal hanteren, wijst het hof partijen erop dat in plaats daarvan dient te worden gelezen: een verdeling van zorg- en opvoedingstaken.

4. Op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep overweegt het hof als volgt. Vooropgesteld moet worden dat in een geding als het onderhavige het belang van het kind tot uitgangspunt moet worden genomen, welk belang in de regel gediend is met omgang tussen het kind en zijn niet-verzorgende ouder en met de nakoming van een door de rechter vastgestelde omgangsregeling. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit. Slechts indien sprake is van één van de ontzeggingsgronden als benoemd in artikel 1:377a lid 3 BW ligt dit anders.

5. Naar het oordeel van het hof leveren de door de moeder aangevoerde redenen onvoldoende aanwijzing op dat de huidige omgangsregeling niet in het belang van de kinderen zou zijn. De stelling van de moeder dat zij geen vertrouwen heeft in de vader en dat er in het verleden incidenten zijn voorgevallen, heeft de moeder niet nader onderbouwd. De vader heeft die stelling ook gemotiveerd weersproken.

6. Het hof overweegt dat door de huidige opstelling van de moeder geen ruimte wordt geboden voor het nakomen van een omgangsregeling, met name omdat de moeder niet wil meewerken aan enig compromis. De moeder lijkt daardoor niet in staat te zijn haar ouderlijke verantwoordelijkheid te nemen. Dit schaadt de kinderen. Van de moeder mag verwacht worden dat zij een andere houding aanneemt. Het hof krijgt de indruk dat de moeder eraan blijft vasthouden dat de vader onbetrouwbaar is en dat zij in verband daarmee de omgangsregeling tussen de vader en de kinderen blijvend wil blokkeren. Het zelfstandig verzoek van de vader tot het vaststellen van een omgangsregeling dateert van januari 2006. De moeder heeft in die periode een mogelijke omgangsregeling telkens voor zich uit geschoven en blijft volharden dat er eerst voldoende rust moet komen voor de kinderen. Sinds de bestreden beschikking (2 april 2007) zijn er inmiddels ruim een jaar en vijf maanden verstreken. Het hof is van oordeel dat – voor zover de benodigde rust in deze periode van bijna anderhalf jaar niet is bereikt – de rust ook niet kan worden bereikt door nu de verzochte omgangsregeling tussen de vader en de kinderen af te wijzen. Het hof is van oordeel dat de periode zonder omgang tussen de vader en de kinderen al te lang heeft geduurd. Gezien de leeftijd van de kinderen dient verder uitstel voorkomen te worden.

7. Het hof is ervan doordrongen dat de moeder van grote betekenis is voor het welslagen van de omgang. Zij zal zich ertoe moeten zetten om de kinderen te ondersteunen en te begeleiden op weg naar de omgang. Het hof is ervan overtuigd dat de moeder hiertoe is staat is en dat zij haar eigen weerzin tegen de vader ondergeschikt kan maken aan het belang van de kinderen om een onbelast contact te hebben met de vader.

8. Een en ander leidt het hof tot het oordeel dat in beginsel niet is gebleken van enige omstandigheden die tot het oordeel zouden kunnen leiden dat een omgangsregeling tussen de vader en de kinderen niet in het belang van hen is.

Kosten deskundige/ouderdag

9. Het hof zal bij deze beschikking met betrekking tot de kosten een oordeel uitspreken, zulks gelet op het feit dat de deskundige zijn werkzaamheden inmiddels heeft afgerond en hij er belang bij heeft dat betaling plaatsvindt en dat de ouderdag heeft plaatsgevonden.

10. Bij beschikking van 5 november 2008 heeft het hof bepaald dat de kosten van de deskundige, begroot op € 4.500,- inclusief verschotten, de kosten verbonden aan de ouderdag en omzetbelasting, ten laste van ’s Rijks kas worden voldaan. De deskundige heeft zijn begroting bij het hof ingediend. Gelet op deze begroting, die het hof redelijk acht, stelt het hof hierbij de vergoeding van de deskundige vast op € 832,57 (inclusief B.T.W.). Het hof zal de griffier van dit hof opdragen voornoemd bedrag aan de deskundige, de heer A.A. van der Meulen, Rabobank rekeningnummer 32.82.91.919 ten name van Beks & Beks advocaten te Hilversum onder vermelding van het factuurnummer 35458, te voldoen.

11. Voorts heeft Phoenix Opleidingen te Utrecht haar nota ingediend. De kosten voor de ouderdag bedragen € 500,- (inclusief BTW). Dit bedrag acht het hof redelijk en het hof stelt hierbij de vergoeding aan Phoenix Opleidingen vast op € 500,-. Voornoemd bedrag is reeds voldaan aan Phoenix Opleidingen te Utrecht onder factuurnummer 200892587.

12. Het vorenstaande leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

stelt de kosten van het deskundigenbericht vast op € 832,57 (inclusief BTW);

geeft last aan de griffier van dit hof om de deskundige A.A. van der Meulen dit bedrag te betalen;

stelt de kosten van de ouderdag vast op € 500,- (inclusief BTW);

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. van Nievelt, Mos-Verstraten en van Leuven, bijgestaan door mr. Steenks als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 mei 2008.