Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BI8203

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-05-2009
Datum publicatie
16-06-2009
Zaaknummer
200.009.283
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezamenlijk gezag, hoofdverblijfplaats en omgang. Geen wijziging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 27 mei 2009

Zaaknummer : 200.009.283/01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 07-1862

[appellant]

wonende te [woonplaats]

verzoekster, tevens incidenteel verweerster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. M.G. Cantarella,

tegen

[geïntimeerde]

wonende te [woonplaats]

verweerder, tevens incidenteel verzoeker, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. M.Y. van der Bijl.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 19 juni 2008 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 21 maart 2008 van de rechtbank ’s-Gravenhage.

De vader heeft op 21 augustus 2008 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.

De moeder heeft op 30 september 2008 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

Van de zijde van de moeder zijn bij het hof op 9 juli 2008 en 17 juli 2008 aanvullende stukken ingekomen.

De raad voor de kinderbescherming, vestiging ‘s-Gravenhage, hierna te noemen: de raad, heeft het hof bij brief van 19 november 2008, het raadsrapport van 8 oktober 2008 toegezonden.

Jeugdzorg heeft het hof bij faxbericht van 14 april 2009 laten weten niet ter terechtzitting te zullen verschijnen.

Op 22 april 2009 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de moeder en de vader, bijgestaan door hun advocaten. Namens de raad is verschenen: de heer R.C. van der Touw. Partijen en hun advocaten en de raad hebben het woord gevoerd.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking is – uitvoerbaar bij voorraad – bepaald dat na te noemen minderjarige haar hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vader en bij de moeder zal zijn:

- ieder weekend van vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur;

- iedere woensdag van 12.00 uur tot 20.00 uur;

- gedurende de helft van de vakanties en feestdagen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil is de hoofdverblijfplaats van [minderjarige], geboren uit de moeder [in 2005] te ’[woonplaats] hierna: de minderjarige, alsmede de vaststelling van de omgangsregeling. De minderjarige is door de vader erkend en de ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag.

2. De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat de verblijfplaats van de minderjarige bij de moeder zal zijn en een omgangsregeling tussen de minderjarige en de vader vast te stellen.

3. De vader bestrijdt haar beroep en verzoekt in incidenteel appel de bestreden beschikking te vernietigen, voor zover de vastgestelde omgangsregeling meer inhoudt dan de regeling ingevolge welke de moeder recht heeft om de minderjarige bij zich te hebben gedurende (naar het hof begrijpt) ieder weekend en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat de moeder de minderjarige bij zich kan hebben gedurende een weekeinde per twee weken alsmede gedurende een in overleg te bepalen deel van de schoolvakanties en feestdagen.

4. De moeder heeft twee grieven tegen de bestreden beschikking aangevoerd. In de eerste grief stelt zij dat de rechtbank ten onrechte het verzoek van de vader tot bepaling van de gewone verblijfplaats van de minderjarige bij de vader heeft toegewezen. De moeder is van mening dat zij de meest stabiele opvoeding en thuissituatie voor de minderjarige kan geven. Zij betwist dat zij, gezien haar ziekte en daardoor verminderde fysieke gesteldheid, niet in staat is voor de minderjarige (volledig) zorg te dragen. In de tweede grief stelt de moeder dat de rechtbank ten onrechte haar subsidiaire verzoek, inhoudende een omgangsregeling waarbij de minderjarige om de week één week bij de moeder verblijft, heeft afgewezen. De moeder stelt dat het in het belang van de minderjarige is dat zij zoveel mogelijk tijd bij de moeder doorbrengt.

5. De vader stelt dat de minderjarige al geruime tijd bij hem woont en dat hij haar goed verzorgt. De vader stelt dat het in het belang van de minderjarige is dat zij haar hoofdverblijfplaats bij hem heeft en zal houden. De vader acht een gedeelde zorg met de moeder niet in het belang van de minderjarige. In incidenteel appel stelt de vader dat de opgelegde omgangsregeling in de praktijk niet voldoet en niet in het belang van de minderjarige is. De vader stelt dat de minderjarige per 1 april 2009 naar school gaat en dat de minderjarige er belang bij heeft dat hij, net als de moeder, eens per twee weken een weekend met de minderjarige kan doorbrengen.

6. De moeder verzet zich tegen het incidenteel appel van de vader.

7. Namens Jeugdzorg is ten aanzien van de hoofdverblijfplaats het navolgende gerapporteerd. Jeugdzorg stelt vast dat de huidige zorgregeling goed wordt nageleefd door de ouders en gunstig lijkt te werken voor de minderjarige. De ouders slagen er geleidelijk beter in om onderling flexibel met de zorgregeling om te gaan en zorg te dragen door te ‘ruilen’ als dat nodig is. Daarnaast leren zij onderling goede afspraken te maken. Voor de minderjarige ontstaat zo voorspelbaarheid en stabiliteit. Ten aanzien van de omgangsregeling is Jeugdzorg van mening dat de minderjarige het goed heeft bij de vader als ook bij de moeder in de weekenden. De beslissing van de moeder vrijwillig af te zien van de het recht om de minderjarige op de woensdagen te bezoeken, vanwege te veel onrust voor de minderjarige, ondersteunt Jeugdzorg.

8. Namens de raad is ter zitting in hoger beroep verklaard dat een beschermingsonderzoek is verricht daar de omgangsregeling niet goed werd nagekomen. Het is de raad gebleken dat de ouders thans op de goede weg zijn en dat deze weg niet veranderd moet worden.

9. Op 1 maart 2009 is in werking getreden de Wet van 27 november 2008 tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met het bevorderen van voortgezet ouderschap na scheiding en het afschaffen van de mogelijkheid tot het omzetten van een huwelijk in een geregistreerd partnerschap (Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding; Stb. 2008, 500). Nu daarin overgangsrechtelijke bepalingen ontbreken, gaat het hof uit van de onmiddellijke werking van de wet. Waar het vóór eerstgenoemde datum, in het geval ouders gezamenlijk het gezag hebben over hun minderjarige kind(eren), in gerechtelijke procedures gangbaar was te spreken van "omgang", in de zin van de duur van het verblijf van de minderjarige(n) bij de andere ouder dan die waar hij zijn hoofdverblijfplaats heeft, benoemt de wet in artikel 1:253a BW dit nu als: toedeling van de zorg- en opvoedingstaken, als onderdeel van een regeling inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag (hierna: toedeling van de zorg- en opvoedingstaken). Waar in deze zaak nog gesproken wordt over “omgang”, zal het hof dit verstaan als “toedeling van de zorg- en opvoedingstaken”.

10. Op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting ziet het hof geen aanleiding om de huidige verblijfplaats van de minderjarige te wijzigen. Het hof acht beide ouders in staat de minderjarige de verzorging en opvoeding te bieden die aansluit bij haar basisbehoeften en beiden tonen een grote betrokkenheid op haar. Feit is echter dat de minderjarige sinds 19 november 2007 bij de vader verblijft. Het is in haar belang niet nodig in te grijpen in haar dagelijkse leefomgeving. Niet is gebleken dat de vader de minderjarige onvoldoende structuur en stabiliteit biedt. De relatie tussen de ouders is verstoord geweest, maar zoals ook ter terechtzitting is gebleken, lijkt de communicatie verbeterd te zijn. Partijen hebben vertrouwen over en weer dat zij eruit gaan komen en dat zij zelfstandig tot afspraken kunnen komen omtrent een omgangsregeling, waarbij zij zich flexibel zullen opstellen. In hetgeen door de moeder en de vader is aangevoerd, ziet het hof onvoldoende aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan.

11. Het vorenstaande brengt met zich dat de bestreden beschikking moet worden bekrachtigd.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Bouritius, Pannekoek-Dubois en Van der Kuijl, bijgestaan door mr. Steenks als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 mei 2009.