Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BI8199

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-06-2009
Datum publicatie
16-06-2009
Zaaknummer
22-000704-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Oplegging PIJ-maatregel

Naar ’s hofs oordeel vindt de lezing van de raadsman dat artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering ook kan leiden tot oplegging van een minder verstrekkende maatregel geen steun in het recht.

Verwerping Panovits/Salduz verweer

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-000704-09

Parketnummer(s): 10-660294-08

Datum uitspraak: 16 juni 2009

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 27 januari 2009 in de strafzaak tegen de verdachte:

[de verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,

thans verblijvende in Rijksinrichting voor Jongens De Hartelborgt te Spijkenisse.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 2 juni 2009.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1

hij op of omstreeks 02 oktober 2008 te [stad], op de openbare weg [straat], in elk geval op een openbare weg, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van een tas (met inhoud), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, [slachtoffer] bij de hals/nek/keel heeft vastgepakt en/of vastgehouden en/of naar de grond heeft getrokken en/of heeft toegevoegd de woorden "Geef me je tas" en/of "stil of ik ga je steken", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en/of

hij op of omstreeks 02 oktober 2008 te [stad], op de openbare weg [straat], in elk geval op een openbare weg, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een tas (met inhoud), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer], te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdraad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, [slachtoffer] bij de hals/nek/keel heeft vastgepakt en/of vastgehouden en/of naar de grond heeft getrokken en/of heeft toegevoegd de woorden: “Geef me je tas” en/of “stil of ik ga je steken”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2

Primair

hij op of omstreeks 02 oktober 2008 te [stad] ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door bedreiging met geweld en/of bedreiging met (een) andere feitelijkhe(i)d(en) iemand, te weten [slachtoffer], te dwingen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, [slachtoffer] heeft vastgepakt en/of vastgehouden en of naar de grond heeft getrokken en/of op [slachtoffer] is gaan liggen en/of de vagina van [slachtoffer] heeft betast en/of heeft getracht de maillot van [slachtoffer] uit te trekken en/of [slachtoffer] heeft toegevoegd de woorden "stil of ik ga je steken”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair

Hij op of omstreeks 02 oktober 2008 te [stad] door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door bedreiging met geweld en/of door bedreiging met (een) andere feitelijkhe(i)d(en) iemand, te weten [slachtoffer], heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), namelijk het betasten van de (met kleding bedekte) vagina van [slachtoffer], het geweld en/of een andere feitelijkhe(i)d(en) en/of de bedreiging met geweld en/of de bedreiging met andere feitelijkhe(i)d(en) heeft/hebben bestaan uit het [slachtoffer] vastpakken en/of vasthouden en of naar de grond trekken en/of op [slachtoffer] gaan liggen en/of de vagina van [slachtoffer] betasten en/of trachten de maillot van [slachtoffer] uit te trekken en/of [slachtoffer] toevoegen de woorden "stil of ik ga je steken”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 eerste alternatief/cumulatief tenlastegelegde, poging tot diefstal met geweld, en het onder 2 primair tenlastegelegde vrijgesproken en is het onder 1 tweede alternatief/cumulatief tenlastegelegde poging tot afpersing en het onder 2 subsidiair tenlastegelegde bewezenverklaard. Ter zake daarvan is aan de verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (verder: PIJ-maatregel) opgelegd, met het advies deze maatregel ten uitvoer te leggen in orthopsychiatrisch centrum De Fjord te Capelle aan den IJssel.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is – overeenkomstig de conclusies van de advocaat-generaal en de verdediging - niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 eerste alternatief/cumulatief, poging tot diefstal met geweld, en onder 2 primair is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tweede alternatief/cumulatief tenlastegelegde, poging tot afpersing, en het onder 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 02 oktober 2008 te [stad], op de openbare weg [straat] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van een tas (met inhoud) toebehorende aan [slachtoffer], [slachtoffer] bij de hals/keel heeft vastgepakt en vastgehouden en naar de grond heeft getrokken en heeft toegevoegd de woorden "Geef me je tas" en "stil of ik ga je steken", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2. subsidiair

hij op 02 oktober 2008 te [stad] door geweld en door bedreiging met geweld iemand, te weten [slachtoffer], heeft gedwongen tot het dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), namelijk het betasten van de (met kleding bedekte) vagina van [slachtoffer], het geweld en de bedreiging met geweld hebben bestaan uit het [slachtoffer] vastpakken en vasthouden en naar de grond trekken en op [slachtoffer] gaan liggen en de vagina van [slachtoffer] betasten en trachten de maillot van [slachtoffer] uit te trekken en [slachtoffer] toevoegen de woorden "stil of ik ga je steken”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg.

en ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat aan de verdachte ter zake van het onder 1 als poging tot afpersing en onder 2 subsidiair tenlastegelegde een PIJ-maatregel zal worden opgelegd.

Door de raadsman is onvoorwaardelijke jeugddetentie of een voorwaardelijke PIJ-maatregel bepleit. In de eerste plaats heeft hij betoogd dat een onvoorwaardelijk PIJ-maatregel niet meer geboden is vanwege de reeds in werking gezette gesloten jeugdzorg en ondertoezichtstelling. De PIJ-maatregel is niet in het belang van een zo gunstige mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte, zodat niet voldaan kan worden aan het in artikel 77s, eerste lid onder c van het Wetboek van Strafrecht genoemde criterium.

In de tweede plaats heeft hij - op gronden als nader omschreven in zijn pleitnota - betoogd dat er sprake is van vormverzuimen die verdisconteerd zouden moeten worden in de op te leggen sanctie. De raadsman heeft betoogd dat op grond van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering vormverzuimen ook kunnen leiden tot een minder verstrekkende maatregel, zodat in casu afgezien zou moeten worden van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel. Deze vormverzuimen bestonden hierin dat de inverzekeringstelling onrechtmatig is geweest en dat de belangen van de verdachte zijn geschaad tijdens de verhoren: de verdachte is verhoord voordat hij zijn raadsman kon consulteren en heeft een bekentenis afgelegd zonder dat zijn raadsman aanwezig kon zijn (waarbij een beroep is gedaan op uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens inzake Panovits en Salduz) en daarnaast heeft de politie gehandeld in strijd met het pressieverbod.

Ten aanzien van de gestelde vormverzuimen en de daaraan te verbinden consequenties overweegt het hof als volgt.

Naar ’s hofs oordeel vindt de lezing van de raadsman dat artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering ook kan leiden tot oplegging van een minder verstrekkende maatregel geen steun in het recht. In het geval het hof komt tot oplegging van een maatregel, kan het hof derhalve enkel eventuele vormverzuimen constateren. Voorts is het hof niet gebleken van een vergelijkbare situatie als inzake Panovits of Salduz. De verdachte heeft immers pas bekend na consultatie van zijn raadsman. Dat zijn raadsman daar zelf niet bij aanwezig was, doet daar niets aan af. Bovendien heeft de verdachte ook nadien ter terechtzitting in eerste aanleg en hoger beroep de tenlastegelegde feiten bekend, zodat het hof in deze geen vormverzuim constateert. Daarnaast is evenmin gebleken van het gebruik van pressie om de verdachte tot een bekentenis te brengen. Hetgeen de raadsman hieromtrent gesteld heeft, is daarvoor althans onvoldoende en ook overigens blijkt hiervan niet uit het dossier. Het enkel stellen dat een getuige de verdachte voor 50% heeft herkend, kan niet als een ontoelaatbaar pressiemiddel worden beschouwd, ook niet in het onderhavige geval met de persoon van deze verdachte.

De inverzekeringstelling tot slot was onrechtmatig wegens overschrijding van de termijn ex artikel 59a van het Wetboek van Strafvordering. De rechter-commissaris verbond hier echter geen gevolgen aan in zoverre dat deze het noodzakelijk achtte rauwelijks de inbewaringstelling te bevelen en ook het hof is van oordeel dat dit vormverzuim in de onderhavige situatie niet zo ernstig is, dat dit tot een andere maatregel zou moeten leiden dan de maatregel die door de rapporterende psychologe en psychiater wordt geadviseerd.

Het hof acht gelet op het vorenstaande geen termen aanwezig voor een eventuele verdiscontering van vormverzuimen in de op te leggen sanctie.

Ten aanzien van het verweer dat een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel thans niet in het belang is van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van de verdachte, overweegt het hof als volgt.

Het hof heeft de op te leggen sanctie bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte is van huis weggegaan met het plan om iemand geld afhandig te maken. Hij heeft uiteindelijk geprobeerd een zwangere vrouw af te persen. Daarbij heeft hij tevens de vagina van de vrouw betast en geprobeerd haar maillot uit te trekken. Dergelijke feiten zijn zeer beangstigend voor een slachtoffer, worden enkel gepleegd om aan de eigen behoeften te voldoen en zijn zeer laakbaar.

Het hof heeft acht geslagen op de rapportages omtrent de verdachte, in het bijzonder de navolgende:

* De rapportage naar aanleiding van een psychologisch onderzoek, d.d. 18 december 2008, opgemaakt door mw. J.S.H. Stolk, GZ-psycholoog, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Er zijn bij [de verdachte], geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats], aanwijzingen gevonden voor een psychotische stoornis, mogelijk de ontwikkeling van schizofrenie. Dit kan aangemerkt worden als een ziekelijke stoornis. Bovendien is bij betrokkene sprake van een gedragsstoornis beginnend in de kindertijd, die zich lijkt te ontwikkelen in de richting van een (antisociale) persoonlijkheidsstoornis. Er kan gesproken worden van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Ten tijde van het tenlastegelegde speelde in ieder geval de gedragsstoornis een grote rol. Verondersteld kan worden dat de betrokkene die dag ook last had van psychotische verschijnselen die een invloed hebben gehad op het ondernemen van het strafbare feit. De ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens beïnvloedden de gedragskeuzes en gedragingen van betrokkene ten tijde van het tenlastegelegde. De mate waarin de gedragsstoornis een rol speelde was groot, de mate waarin de psychotische belevingen een rol speelde is op dit moment niet vast te stellen. Betrokkene kan als verminderd toerekeningsvatbaar beschouwd worden. Hij wist wel dat wat hij deed niet mocht, maar de gedragsstoornis en de gebrekkige seksuele en sociaal-emotionele ontwikkeling speelden een grote rol in het overgaan tot het tenlastegelegde. Niet uitgesloten kan worden dat eventuele psychotische belevingen eveneens een rol hebben gespeeld. De kans op recidive wordt groot ingeschat. Gezien de ernst van het feit, de groot ingeschatte kans op recidive en de noodzaak van een intensieve behandeling met als doel recidive te voorkomen, wordt een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel geadviseerd, bij voorkeur in orthopsychiatrisch centrum De Fjord in Capelle aan den IJssel.

Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 2 juni 2009 heeft mw. Stolk als getuige-deskundige haar conclusies uit voornoemd rapport herhaald. Zij heeft voorts verklaard dat de beroving en aanranding één geheel vormen. Zij heeft niet kunnen vast stellen dat er vanuit de psychotische stoornis grote invloed is geweest op het begaan van het tenlastegelegde. Het is niet uit te sluiten dat de psychotische stoornis enige rol heeft gespeeld, maar niet in die mate dat daardoor het delict is gepleegd: er was geen overheersende en onontkoombare rol van de psychose. De verdachte hoorde geen stemmen. Op basis hiervan kwam en komt zij tot de conclusie van verminderde toerekeningsvatbaarheid. Op basis van de feiten sluit zij volledige ontoerekeningsvatbaarheid uit: de wil van de verdachte was niet zodanig aangetast. Er was ook geen sprake van een sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid. Voor beide feiten concludeert zij tot dezelfde mate van verminderde toerekeningsvatbaarheid. Zij kwam en komt tot het advies van de PIJ-maatregel, omdat bij de verdachte alle waarborgen nodig zijn om recidive te voorkomen en een PIJ-maatregel biedt deze waarborgen meer dan de gesloten jeugdzorg. Het juridisch kader van de PIJ-maatregel biedt de meeste garanties voor het uitvoeren van de geïndiceerde behandeling. Gelet hierop is ook een voorwaardelijke PIJ-maatregel geen optie. Tot slot verklaart zij dat de tijd tot de verdachte 18 jaar wordt, nog één jaar, naar verwachting te kort zal zijn om de behandeling af te ronden.

* De rapportage naar aanleiding van een psychiatrisch onderzoek, d.d. 28 december 2008, opgesteld door dhr. A.J. Stierum, kinder- en jeugdpsychiater, inhoudende, zakelijk weergegeven:

[de verdachte], geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats], lijdt aan schizofrenie in het ongedifferentieerde type en een gedragsstoornis beginnend op de kinderleeftijd, wat duidt op een ziekelijke stoornis en een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde waren beide stoornissen aanwezig. De gedragskeuzes en gedragingen van betrokkene werden ten tijde van het tenlastegelegde daardoor beïnvloed. Betrokkene wordt als verminderd toerekeningsvatbaar gezien. Er is sprake van een grote recidivekans daar betrokkene een gedragsstoornis en een psychotische stoornis heeft, maar zelf niet het idee heeft dat er iets met hem aan de hand is en geen behandeling wil. Betrokkene dient behandeld te worden en deze behandeling dient klinisch gesloten plaats te vinden. Gezien de ernst van het delict en het gebrek aan ziektebesef en ziekte-inzicht bij betrokkene, gepaard gaande met geen enkele motivatie voor behandeling, dient de behandeling plaats te vinden in het kader van een plaatsing in een inrichting voor jeugdigen. Betrokkene vindt dat er niets met hem aan de hand is en is niet gemotiveerd voor behandeling, zodat behandeling alleen in een gedwongen kader, zoals de PIJ-maatregel, kan plaatsvinden, bij voorkeur in De Fjord.

Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 2 juni 2009 heeft dhr. Stierum als getuige-deskundige zijn conclusies uit voornoemd rapport herhaald. Voorts heeft hij verklaard dat de twee tenlastegelegde feiten voor hem één geheel vormen. De stoornissen waren ten tijde van het tenlastegelegde aanwezig, maar de verdachte heeft zelf aangegeven geen stemmen gehoord te hebben en niet onder invloed van drugs of alcohol geweest te zijn. Gelet hierop had de verdachte keuzemogelijkheden en wist hij dat wat hij deed niet kon. Dhr. Stierum concludeert daarom tot verminderde toerekeningsvatbaarheid. Ten aanzien van de geadviseerde PIJ-maatregel licht hij toe dat er wel andere maatregelen zijn waarbij de verdachte dezelfde behandeling zou kunnen krijgen, maar die zijn niet met dezelfde waarborgen omkleed als een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel. Er is een grote recidivekans. Gelet op de wankele motivatie van de verdachte biedt een PIJ-maatregel de meeste waarborgen voor het afronden van de behandeling. De civiele mogelijkheden geven onvoldoende waarborgen hiervoor. Tot slot verklaart hij dat de tijd tot de verdachte 18 jaar is, ruim een jaar, naar verwachting te kort zal zijn om de behandeling af te ronden.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd. Aan de door de raadsman opgeworpen discussie of er sprake is van verminderde toerekeningsvatbaarheid of sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid gaat het hof voorbij, nu dit onderscheid – voor zover dat al gemaakt zou kunnen maken – niet van doorslaggevend belang is voor enig door het hof te nemen beslissing.

Het hof stelt vast dat de verdachte twee zeer ernstige feiten heeft gepleegd, waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Op het plegen van deze feiten heeft in grote mate een gedragsstoornis invloed gehad en wellicht daarnaast een psychotische stoornis in mindere mate. De recidivekans wordt groot ingeschat. De verdachte behoeft behandeling voor de voornoemde gedragsstoornis en psychotische stoornis om de recidivekans te verkleinen en zijn eigen ontwikkeling in goede banen te leiden. Hierover zijn de verdediging, de moeder van de verdachte en de advocaat-generaal het eens. De verdachte is over ruim een jaar 18 jaar. Vanaf dat moment kan behandeling in het kader van de gesloten jeugdzorg volgens de vigerende jurisprudentie enkel voortgang vinden met instemming van de verdachte. Het hof stelt vast dat de verdachte niet of nauwelijks een intrinsieke motivatie heeft laten zien voor behandeling; het is derhalve niet raadzaam de behandeling afhankelijk te maken van de instemming van de verdachte.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat enkel behandeling in een gedwongen kader toereikend is en dat een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel hiervoor de aangewezen vorm is in verband met de waarborgen die deze maatregel biedt voor het volledig afronden van de benodigde behandeling. De civielrechtelijke gesloten jeugdzorg of een voorwaardelijke PIJ-maatregel bieden die waarborgen onvoldoende. De veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen vereist de oplegging van de PIJ-maatregel en de maatregel is gelet op het voorgaande wel degelijk in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte, zodat ook voldaan wordt aan het in artikel 77s, eerste lid, onder c van het Wetboek van Strafrecht genoemde vereiste. Het hof zal conform de rapportages adviseren de PIJ-maatregel ten uitvoer te leggen in orthopsychiatrisch centrum De Fjord te Capelle aan den IJssel.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 45, 77a, 77g, 77h, 77s, 77v, 77gg, 246 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 eerste alternatief/cumulatief, poging tot diefstal met geweld, en het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 tweede alternatief/cumulatief, poging tot afpersing, en het onder 2 subsidiair tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde.

Legt aan de verdachte op de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen.

Met betrekking tot de plaats waar en de wijze waarop deze maatregel zal moeten worden ten uitvoer gelegd adviseert het hof plaatsing in het orthopsychiatrisch centrum De Fjord te Capelle aan den IJssel.

Dit arrest is gewezen door mr. M.L.C.C. de Bruijn-Lückers, mr. J.A.C. Bartels en mr. A.C. 't Hart, in bijzijn van de griffier mr. E.J.M. van der Laan.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 16 juni 2009.

Mr. A.C. 't Hart is buiten staat dit arrest te ondertekenen.