Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BI8015

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-06-2009
Datum publicatie
22-06-2009
Zaaknummer
22-005675-07
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2011:BO6753, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2011:BO6753
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte, een tandarts, heeft zijn assistente tegen haar wil onzedelijk betast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-005675-07

Parketnummer: 09-655246-06

Datum uitspraak: 22 juni 2009

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Gravenhage van

24 oktober 2007 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte]

[geboortedag]

[geboorteplaats]

[adres]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 29 september 2008 en 8 juni 2009.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - ten laste gelegd dat:

Feit 1

hij in of omstreeks de periode van 5 september 2005 tot en met 17 november 2005 te De Lier, gemeente Westland, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) aangeefster (zijnde zijn, verdachtes, assistente) heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit het meermalen, althans eenmaal, (telkens)

- zoenen op de mond van die aangeefster en/of

- geven van kusjes in de nek van en/of aan die aangeefster en/of

- vastpakken en/of vasthouden en/of aanraken van de borsten en/of billen en/of middel en/of benen van die aangeefster

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat hij, verdachte, voornoemd(e) gedraging(en) onverhoeds heeft verricht en/of aan die aangeefster heeft toegevoegd de woorden: "Ik zou maar oppassen, want je zit nog in je proeftijd en als wij prive niet met elkaar om kunnen gaan, dan verleng ik dat niet" en/of "Zakelijk gaat het hartstikke goed met ons, maar prive wil jij een aantal dingen niet, dus het lijkt me beter dat ik per 1 januari ontslag voor je aanvraag" en/of "Als je prive lief voor me bent, dan zorg ik ook dat je mooie dingen krijgt" en/of "Je moet lief zijn voor je werkgever", althans woorden van gelijke aard of strekking.

Feit 2

hij op of omstreeks 04 december 2005 te Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg, opzettelijk een persoon (te weten X), bij haar keel heeft vastgepakt, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 2 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis, alsmede tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met een proeftijd van twee jaren. Voorts is omtrent de vordering van de benadeelde partij beslist als in het vonnis weergegeven.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is ingevolge het bepaalde bij artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering niet gericht tegen de in eerste aanleg gegeven vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voorzover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 5 september 2005 tot en met 17 november 2005 te De Lier, gemeente Westland, door feitelijkheden anders dan geweld en bedreiging met feitelijkheden anders dan geweld aangeefster zijnde zijn, verdachtes, assistente heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, bestaande uit het meermalen

- zoenen op de mond van die aangeefster en

- geven van kusjes in de nek van die aangeefster en

- vastpakken en vasthouden en aanraken van de borsten en billen en middel en benen van die aangeefster

en bestaande die feitelijkheden en die bedreiging met feitelijkheden hierin dat hij, verdachte, voornoemde gedragingen onverhoeds heeft verricht en aan die aangeefster heeft toegevoegd de woorden: "Ik zou maar oppassen, want je zit nog in je proeftijd en als wij privé niet met elkaar om kunnen gaan, dan verleng ik dat niet" en "Zakelijk gaat het hartstikke goed met ons, maar privé wil jij een aantal dingen niet, dus het lijkt me beter dat ik per 1 januari ontslag voor je aanvraag" en "Als je privé lief voor me bent, dan zorg ik ook dat je mooie dingen krijgt" en "Je moet lief zijn voor je werkgever" althans woorden van gelijke aard of strekking.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Bewijsoverweging

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde. Daartoe heeft hij aangevoerd dat – kort en zakelijk weergegeven – de aangeefster een eenzijdige en onbetrouwbare verklaring heeft afgelegd, terwijl er bovendien onvoldoende steunbewijs voorhanden is. Het hof verwijst voor de nadere onderbouwing van dit verweer naar de pleitnotities van de raadsman.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

De aangeefster heeft op 2 december 2005 bij de politie een uitgebreide, zeer gedetailleerde verklaring afgelegd over de door de verdachte verrichte ontuchtige handelingen die zij tegen haar wil heeft moeten dulden (p. 16 e.v. van het dossier).

Aangeefster is op verzoek en in aanwezigheid van de verdediging als getuige ten overstaan van de rechter-commissaris gehoord. Het hof stelt in dit kader vast dat de verklaringen van aangeefster bij de politie en tegenover de rechter-commissaris – wat de beoordeling van de tenlastegelegde ontucht betreft – nauwkeurig zijn en op wezenlijke onderdelen met elkaar overeenstemmen.

Die verklaringen van aangeefster worden bovendien ondersteund door de verklaringen die getuige A., de moeder van aangeefster, en getuige B., voormalig partner van aangeefster, bij de politie hebben afgelegd. In hun verklaringen komt namelijk naar voren dat zij van aangeefster hebben gehoord dat de verdachte zich jegens haar ontuchtig heeft gedragen. Getuige A. heeft zulks op 15 november 2005 van haar dochter vernomen, getuige B. heeft al eerder, vanaf eind september 2005, bij verschillende gelegenheden van aangeefster gehoord wat haar was overkomen. Ter terechtzitting in hoger beroep zijn beide getuigen gehoord en bij die gelegenheid hebben zij hun politieverklaringen bevestigd. Met de raadsman is het hof van oordeel dat de betreffende getuigenverklaringen voor een groot deel ‘van horen zeggen’ zijn, maar dit neemt – gelet op de overeenstemming tussen die verklaringen en de verklaring van aangeefster – niet weg dat zij de belastende verklaring van die aangeefster ondersteunen en in zoverre de betrouwbaarheid van haar verklaringen onderstrepen.

Om tot een bewezenverklaring te komen heeft het hof bovendien acht geslagen op de verklaring van de verdachte dat aangeefster in de bewezenverklaarde periode als zijn tandartsassistente heeft gewerkt en heeft het hof mede in aanmerking genomen dat de verdachte in een door een verbalisant uitgelezen sms-bericht en tijdens een telefoongesprek aangeefster met ongewenste koosnamen aanspreekt, zoals door de moeder van aangeefster is gehoord.

Gelet op het vorenstaande acht het hof de verklaringen van aangeefster betrouwbaar en geloofwaardig en voldoende ondersteund.

De verdachte heeft naar voren gebracht dat aangeefster hem in een kwaad daglicht heeft willen stellen om daar financieel gewin uit te slaan. Ter ondersteuning van die stelling heeft de raadsman gewezen op de omstandigheid dat aangeefster heeft ontkend dat zij niet goed functioneerde als tandartsassistente en dat zij heeft ontkend dat op 16 november 2005 een functioneringsgesprek heeft plaatsgevonden. Hoewel aangeefster strikt genomen heeft ontkend dat er een functioneringsgesprek heeft plaatsgevonden, heeft zij wel verklaard dat zij op haar laatste werkdag een gesprek heeft gevoerd met de verdachte over de situatie op haar werk. Gelet op die verklaring van aangeefster, acht het hof de stelling van de verdachte - die overigens onvoldoende is onderbouwd - niet aannemelijk geworden. Ook de verklaring van getuige B., waaruit kan worden opgemaakt dat ruim vóór medio november 2005 door aangeefster reeds over ontuchtige handelingen door verdachte is gesproken, geeft geen enkele aanleiding te veronderstellen dat aangeefster uit het oogmerk van financieel gewin aangifte zou hebben gedaan.

Het verweer wordt verworpen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis, alsmede tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes weken met een proeftijd van twee jaren.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte, een tandarts, heeft zijn assistente tegen haar wil onzedelijk betast. Door die handelwijze heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer.

In het voordeel van de verdachte houdt het hof rekening met de omstandigheid dat hij niet eerder in aanraking is geweest met politie en justitie.

Het hof is - alles overwegende en mede gelet op de relatieve ouderdom van het feit - van oordeel dat een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van navermelde duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding aangeefster

In het onderhavige strafproces heeft de gemachtigde [naam gemachtigde] zich namens de benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 tenlastegelegde, tot een bedrag van

EUR 1.534,43.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag EUR 1.534,43.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in de vordering.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof is de vordering van de benadeelde partij niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het onderhavige strafproces.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu door of namens de verdachte niet is gesteld dat deze met het oog op de verdediging tegen de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij kosten heeft gemaakt, kan een kostenveroordeling achterwege blijven.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c en 246 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep - voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen - en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) weken.

Beveelt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.

Bepaalt dat de benadeelde partij de vordering dan ook slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit arrest is gewezen door mr. A.H. de Wild,

mr. C.M. le Clercq-Meijer en mr. F.C.V. de Groot, in bijzijn van de griffier mr. W.S. Korteling.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 22 juni 2009.

Mr. De Groot is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.