Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BI7321

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-06-2009
Datum publicatie
18-06-2009
Zaaknummer
200.009.271-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onvoldoende grond voor beëindiging van het gezamenlijk gezag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 3 juni 2009

Zaaknummer : 200.009.271/01

Rekestnr. rechtbank : 05-163

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. A.Klomp-Kraal,

tegen

[geintimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. A.D. Kloosterman.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 19 juni 2008 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de kinderrechter in de rechtbank ’s-Gravenhage van 21 maart 2008.

De vader heeft op 2 september 2008 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de moeder zijn bij het hof op 18 juli 2008 aanvullende stukken ingekomen.

De hierna te noemen minderjarige is op 20 april 2009 in raadkamer gehoord.

Op 22 april 2009 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de moeder, bijgestaan door haar advocaat, de vader, bijgestaan door zijn advocaat, mr. M. Ketting. Namens de raad is verschenen: de heer J. Ekkels. De aanwezigen hebben het woord gevoerd.

Nadien zijn, volgens afspraak ter zitting, de volgende stukken bij het hof ingekomen:

van de zijde van de vader op 28 april 2009 een faxbrief en van de zijde van de moeder op 28 april 2009 een faxbrief.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting staat - voor zover in hoger beroep van belang - tussen de vader en de moeder (hierna gezamenlijk verder: de ouders) het volgende vast.

Uit het op 8 april 2003 door echtscheiding ontbonden huwelijk van partijen is geboren de minderjarige:

[de minderjarige], geboren [in] 1997 te [geboorteplaats].

Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank ’s-Gravenhage op 5 januari 2005, verzoekt de vader - uitvoerbaar bij voorraad - een omgangsregeling tussen hem en [de minderjarige] vast te stellen, inhoudende dat [de minderjarige] een keer in de twee weken van zaterdag 10.00 uur tot zondag 19.00 uur bij de vader zal verblijven, waarbij de vader [de minderjarige] haalt en brengt, alsmede de helft van de feestdagen.

De moeder heeft een verweerschrift ingediend. Tevens verzoekt zij, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, haar voortaan te belasten met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige], althans een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank in het belang van het kind juist acht.

Bij beschikking van 15 april 2005 van de kinderrechter in de rechtbank ’s-Gravenhage - voor zover in hoger beroep thans van belang - zijn partijen verwezen naar het Omgangshuis, MKD ’t Kleine Loo (verder: het Omgangshuis) voor een nog nader met het Omgangshuis te bepalen aantal begeleide omgangscontacten tussen de vader en [de minderjarige]. Het Omgangshuis is verzocht ten aanzien van de omgang tussen de vader en [de minderjarige] aan de Raad voor de Kinderbescherming, locatie Den Haag (verder: de raad), te rapporteren en te adviseren. Voorts is de behandeling van de verzoeken met betrekking tot het ouderlijk gezag en de omgangsregeling pro forma aangehouden.

Bij brief van 16 februari 2006 heeft de toenmalige procureur van de vader, mr. Grootveld, het verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] ingetrokken.

Bij beschikking van 18 oktober 2006 van de kinderrechter in dezelfde rechtbank is de raad verzocht een onderzoek te verrichten naar de vraag of het in het belang van [de minderjarige] dient te worden geacht dat de moeder alleen met het ouderlijk gezag over hem zal worden belast. Iedere verdere beslissing is aangehouden.

Bij de bestreden beschikking is het (zelfstandig) verzoek van de moeder om met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] belast te worden, afgewezen .

Voor het overige gaat het hof uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is het ouderlijk gezag ten aanzien van [de minderjarige].

2. De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, de moeder alsnog te belasten met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige].

3. De vader bestrijdt het beroep en verzoekt de moeder te veroordelen in de proceskosten van het geding.

4. Op basis van de aan het hof overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof gebleken dat de vader en de moeder inmiddels ieder voor zich een nieuw leefsysteem hebben gecreëerd. De moeder is hertrouwd en vormt met haar huidige echtgenoot een nieuw gezin. De vader heeft zijn leven inmiddels op orde gebracht. Hij is onder behandeling geweest bij de Jellinek kliniek, heeft een woning in [woonplaats] en is op zoek naar werk. Ter terechtzitting heeft de vader verklaard dat hij zijn ouderlijke verantwoordelijkheid jegens [de minderjarige] op zich wil nemen en het contact met [de minderjarige] wil herstellen. De moeder heeft evenwel te kennen gegeven het vertrouwen in de vader te hebben verloren. De vader kwam in het verleden zijn afspraken te vaak niet na, stelde zich niet bereikbaar op voor overleg met haar en toonde geen interesse in [de minderjarige]. Bovendien nam zij gedurende het huwelijk met de vader en daarna feitelijk steeds de beslissingen ten aanzien van de opvoeding van [de minderjarige]. Er was volgens haar geen communicatie tussen partijen mogelijk. Zij is dan ook van mening dat zij alleen met het ouderlijk gezag dient te worden belast.

5. Het wettelijk uitgangspunt is handhaving van het gezamenlijk gezag na echtscheiding. Het hof acht in de door de moeder gestelde omstandigheden onvoldoende grond aanwezig om het gezamenlijk gezag te beëindigen. Voor toekenning van het ouderlijk gezag aan één ouder kan in het belang van het kind aanleiding bestaan, indien de ouders zodanig ernstige communicatieproblemen hebben, dat er bij voortzetting van het gezamenlijk gezag een onaanvaardbaar risico bestaat voor het kind dat het klem komt te zitten tussen beide ouders of verloren raakt bij het voortduren van het gezamenlijk gezag, en niet te verwachten valt dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen. Het hof is van oordeel dat hiervan geen sprake is. Het is immers niet gebleken dat de vader de moeder, die feitelijk steeds de beslissingen ten aanzien van [de minderjarige] heeft genomen, in de uitoefening van het ouderlijk gezag heeft belemmerd. Het ontbreken van communicatie tussen partijen is naar het oordeel van het hof onvoldoende voor beëindiging van het gezamenlijk gezag.

Van belang acht het hof dat [de minderjarige] ten overstaan van het hof heeft verklaard dat hij, ondanks het feit dat de vader hem in het verleden meermalen heeft teleurgesteld, nog steeds graag contact wil met de vader. Hieruit blijkt naar het oordeel van het hof dat [de minderjarige] in het nieuwe leefsysteem van de moeder ruimte ervaart voor contact met de vader. Het hof acht het derhalve niet aannemelijk dat er bij voortzetting van het gezamenlijk gezag een onaanvaardbaar risico bestaat dat hij klem of verloren dreigt te raken tussen de ouders of dat wijziging van het gezag anderszins in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk is. Het hof gaat er daarbij van uit dat de vader, nu hij verklaard heeft zijn ouderlijke verantwoordelijkheid meer invulling te zullen geven, zijn afspraken met de moeder en [de minderjarige] na zal komen. Het vorenstaande leidt tot een bekrachtiging van de bestreden beschikking.

6. Mitsdien dient als volgt te worden beslist.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Mink, Van Leuven en Fockema Andreae-Hartsuiker, bijgestaan door mr. Willems als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 juni 2009.