Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BI6113

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-06-2009
Datum publicatie
03-06-2009
Zaaknummer
BK-07/00556
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WOZ beschikking. Partijen hebben hun onderscheidene standpunten niet aannemelijk gemaakt. Het Hof stelt de waarde van de woning in goede justitie vast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2009, 1455
FutD 2009-1218
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-07/00556

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer d.d. 2 juni 2009

op het hoger beroep van [X] te [Z] tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 24

augustus 2007, nummer AWB 06/501, betreffende na te noemen beschikking en aanslagen.

Beschikking, aanslagen, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1 Bij beschikking als bedoeld in hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken

(hierna: de Wet WOZ) heeft de heffingsambtenaar van de gemeente Albrandswaard (hierna: de

Inspecteur) de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [a-straat 1] te [Q]

(hierna: de woning) naar de waardepeildatum 1 januari 2003 en voor het tijdvak 1 januari

2005 tot en met 31 december 2006 vastgesteld op € 384.000. In het desbetreffende geschrift

zijn ook de aanslagen in de onroerende-zaakbelastingen voor het jaar 2005 bekend gemaakt.

1.2 Bij brief van 6 april 2005 heeft belanghebbende tegen de vorenvermelde beschikking

bezwaar gemaakt, welke bezwaar door de Inspecteur op de voet van artikel 30 lid 2, van de

Wet WOZ is aangemerkt als mede te zijn gericht tegen de aanslagen. De Inspecteur heeft de

bezwaren bij drie in een geschrift, gedagtekend 21 februari 2006, verenigde uitspraken

gegrond verklaard, de waarde van de woning nader vastgesteld op € 353.000 en de aanslagen

dienovereenkomstig verminderd.

1.3 Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar betreffende de aanslagen in de

onroerende-zaakbelastingen beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep

ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1 Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof.

In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 106. De Inspecteur

heeft een verweerschrift ingediend.

2.2 De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 22

april 2009, gehouden te Den Haag. Aldaar is de Inspecteur wel, doch belanghebbende niet

verschenen. Belanghebbende heeft bij brieven van 12 november en 7 december 2008 meegedeeld

op medisch advies niet ter zitting te zullen verschijnen. Hij heeft daarbij niet om uitstel

van de zitting verzocht. Verder heeft belanghebbende bij zijn vermelde brief van 7 december

2008 een als een pleitnotitie aangeduid stuk met zeventien bijlagen gevoegd. Het hof rekent

deze stukken tot de gedingstukken. De Inspecteur is ter zitting in de gelegenheid gesteld op

deze stukken te reageren. Van het ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door

een van hen gesteld en op zichzelf aannemelijk, het volgende komen vast te staan:

Belanghebbende is gebruiker en genothebbende krachtens eigendom van de woning. De woning is

een vrijstaande woning met een aangebouwde garage. De inhoud van de woning is 751 m³, welke

is berekend vanaf de onderkant van de vloerconstructie, het bruto vloeroppervlak is 240 m²

en het perceel heeft een oppervlakte van 429 m². De woning is in 1981 gebouwd en is van

matige kwaliteit. De open haard is door een constructiefout niet te gebruiken en er zijn

vochtproblemen in en rond de woning. De achtertuin is in 1992 in gezamenlijke opdracht met

de achterbuurvrouw opnieuw aangelegd. Daarbij zijn een vijver, een zitkuil en een zitje in

het midden van de tuin en over de kadastrale grens aangelegd.

Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1 Tussen partijen is in geschil op welk bedrag de waarde van de woning moet worden

vastgesteld. Belanghebbende stelt zich uiteindelijk op het standpunt dat die waarde €

311.150 bedraagt en de Inspecteur handhaaft het standpunt dat die waarde met € 353.000 niet

te hoog is vastgesteld, zoals hij bij de uitspraak op bezwaar betreffende de

waardebeschikking heeft beslist.

4.2 Belanghebbende heeft zijn standpunt gemotiveerd met de stelling dat de vastgestelde

waarde van zijn woning ten opzichte van de eerder vastgestelde waarde op de waardepeildatum

1 januari 1999 buitenproportioneel is. Voorts wijst hij op de slechte kwaliteit van de

woning en op "waardeverminderende factoren, te weten de opheffing van de gemeenschappelijke

tuin en de problematiek met de open haard". Ook signaleert hij "ernstige fouten" in het door

de Inspecteur ingebrachte taxatierapport en twijfelt hij aan de onafhankelijkheid van de

opsteller van dat rapport.

4.3 De Inspecteur heeft zijn standpunt geschraagd met een taxatierapport van [A],

WOZ-taxateur, volgens welk rapport aan de onroerende zaak een waarde is toe te kennen van €

385.000.

4.4 Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen, verwijst

het Hof verder naar de gedingstukken.

Overwegingen omtrent het geschil

5.1 De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende kennelijk aldus opgevat dat het mede is

gericht tegen de uitspraak op bezwaar betreffende de in 1.1 vermelde beschikking. Gelet op

de inhoud van het beroepschrift gaat ook het Hof hiervan uit.

5.2 De omstandigheid dat de Inspecteur een besluit heeft genomen op het bezwaarschrift

terwijl belanghebbende in zijn bezwaarschrift de Inspecteur had verzocht de waarde te mogen

vernemen, welke de Inspecteur mogelijk ten aanzien van de ligging heeft meegewogen in de

uiteindelijke bepaling van de waarde van de woning, brengt niet mee dat de uitspraak op die

grond zal moeten worden vernietigd. De Wet WOZ noch enig ander wettelijk voorschrift legt de

Inspecteur de verplichting op deze informatie, indien al beschikbaar, te verstrekken.

5.3 Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet moet de waarde van de onderhavige tot

woning dienende onroerende zaak worden bepaald op de waarde die aan deze onroerende zaak

dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden

overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en

in volle eigendom in gebruik zou kunnen nemen. Daarbij heeft als waarde te gelden de waarde

in het economische verkeer, ofwel de prijs, die door de meestbiedende koper zou worden

besteed bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste

voorbereiding.

5.4 De Inspecteur, op wie te dezen de bewijslast rust, dient aannemelijk te maken dat de

waarde van de woning per de waardepeildatum met € 353.000 niet te hoog is vastgesteld.

5.5 Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur met het taxatierapport, de daarin opgenomen

vergelijkingsobjecten, de gerealiseerde verkoopprijzen van deze onroerende zaken en de

daarop gegeven toelichting niet aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de woning op 1

januari 2003 € 353.000 bedroeg. De Inspecteur heeft bij de vaststelling van de waarde een

aanzienlijk bedrag wegens vochtproblemen in en rond de woning, een gebrekkige kapconstructie

en andere voor de waardebepaling van belang zijnde factoren in mindering gebracht. Door

belanghebbende is er evenwel op gewezen dat de open haard wegens een constructiefout niet te

gebruiken is. De Inspecteur heeft hierop gereageerd door te stellen dat de gebrekkige open

haard is meegewogen bij het aanduiden van de kwaliteit van de woning. Deze stelling acht het

Hof niet geloofwaardig, aangezien de ernst van de constructiefout op dat moment nog niet

bekend was. Indien - zoals in dit geval - eerst na de waardepeildatum een constructiefout

aan het licht komt, zal met het waardedrukkende effect daarvan rekening moeten worden

gehouden. In zoverre slaagt het hoger beroep van belanghebbende.

5.6 Belanghebbende heeft van zijn kant evenmin aannemelijk gemaakt dat de waarde van de

woning € 311.150 bedraagt. Belanghebbendes benadering van de waarde op de waardepeildatum

uitgaande van de waarde op de vorige waardepeildatum met toepassing van een indexatie stemt

niet overeen met het bepaalde in artikel 17, tweede lid, van de Wet. Behoudens de

problematiek van de open haard is het Hof van oordeel dat in voldoende mate rekening met

waardeverminderende omstandigheden is gehouden, waaronder de vochtproblemen in en rond de

woning. Mogelijke kosten, welke zijn gemoeid met het opheffen van de gezamenlijke tuin,

berusten op een persoonlijke verplichting van belanghebbende en zijn derhalve niet van

invloed op de waarde in het economische verkeer van de woning.

5.7 Hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd inzake het door de Inspecteur ingebrachte

taxatierapport kan hem niet baten. Het staat de gemeente vrij een taxateur in te schakelen.

Het is aan het Hof om de bewijsmiddelen te waarderen. Voorts is de inhoud van de woning niet

op een onjuiste wijze bepaald en gewaardeerd, nu de inhoud van de vergelijkingsobjecten op

eenzelfde wijze is bepaald en bij de waardering met onderlinge verschillen voldoende

rekening is gehouden.

5.8 Met al hetgeen belanghebbende verder heeft aangevoerd heeft hij, gelet op de

gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, de door hem bepleite waarde niet aannemelijk

gemaakt.

5.9 Nu partijen hun onderscheidene standpunten niet aannemelijk hebben gemaakt, stelt het

Hof de waarde van de woning in goede justitie vast op een bedrag van € 345.000.

Proceskosten en griffierecht

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in

artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, aangezien gesteld noch gebleken is dat

belanghebbende voor vergoeding in aanmerking komende kosten heeft gemaakt.

Wel dienen de voor de behandeling van de zaak in beroep en hoger beroep gestorte

griffierechten van € 38 respectievelijk € 106, in totaal € 144, aan belanghebbende te worden

vergoed.

Beslissing

Het gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank,

- vernietigt de uitspraken van de Inspecteur,

- wijzigt de beschikking aldus, dat de waarde van de woning nader wordt vastgesteld op €

345.000,

- vermindert de aanslagen tot aanslagen, berekend naar een heffingsmaatstaf van € 345.000

- gelast de gemeente Albrandswaard de voor het beroep en het hoger beroep betaalde

griffierechten, in totaal € 144, aan belanghebbende te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. J.W. Savelbergh, J.W. baron van Knobelsdorff en H.

Pijl, in tegenwoordigheid van de griffier drs. F. van Veen. De beslissing is op 2 juni 2009

in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de

verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der

Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover

bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden

verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.