Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BI5934

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-05-2009
Datum publicatie
02-06-2009
Zaaknummer
BK-08/00158
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:BM1265, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partijen houdt verdeeld het antwoord op de vraag of het beroep tegen de uitspraken op bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, welke vraag belanghebbende bevestigend en de Inspecteur ontkennend beantwoordt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2009/37.1.1
FutD 2009-1206
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE ’s-GRAVENHAGE

Sector belasting

nummer BK-08/00158

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer van 8 mei 2009

in het geding tussen:

[belanghebbende] te [Z], hierna: belanghebbende,

en

de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Rijnmond (kantoor [P]), hierna: de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 6 maart 2008, nummer AWB 06/3409/IB/PVV, betreffende de hierna vermelde aanslag en beschikking.

1. Aanslag, beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende is over het jaar 2002 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (nummer xxx.xx.xxx.X.xx) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 34.894. Tegelijk met de aanslag is aan belanghebbende bij voor bezwaar vatbare beschikking een verzuimboete opgelegd van € 113.

1.2. Bij in één geschrift verenigde uitspraken op bezwaar met dagtekening 9 november 2005 is de Inspecteur aan belanghebbendes bezwaar tegen de aanslag tegemoet gekomen. Hij heeft daarbij de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.713 en de verzuimboete gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft bij de in de aanhef vermelde uitspraak het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

2. Loop van het geding

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 107. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 27 maart 2009, gehouden te Den Haag. Daar is de Inspecteur verschenen. Van de zijde van belanghebbende is niemand verschenen. Belanghebbende, die door de griffier bij aangetekende brief met ontvangstbevestiging, verzonden op 18 februari 2009, onder vermelding van plaats en tijdstip is uitgenodigd om op de zitting te verschijnen, heeft bij brief, bij het Hof ingekomen op 18 maart 2009, verzocht de zitting te verzetten naar een later tijdstip in verband met een mogelijke opname van zijn echtgenote in een ziekenhuis in [Q] rond de zittingsdatum. Op 18 maart 2009 heeft de griffier telefonisch gesproken met belanghebbende. Belanghebbende heeft daarbij aangegeven dat zijn echtgenote uiterlijk 30 maart 2009 zou worden opgeroepen voor de ziekenhuisopname. Bij telefonisch bericht heeft de griffier belanghebbende gemotiveerd meegedeeld dat het verzoek om uitstel van de zitting is afgewezen. Belanghebbende gaf in reactie daarop te kennen dat hij wel zou kijken hoe hij het zou oplossen en hij heeft daarbij vervolgens niet volhard in zijn uitstelverzoek. Bij brief van 24 maart 2009 heeft de griffier de afwijzing van het uitstelverzoek bevestigd.

3. Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding is in hoger beroep, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een van hen gesteld en op zichzelf aannemelijk, het volgende komen vast te staan:

3.1. De Inspecteur heeft met dagtekening 9 november 2005 uitspraak op bezwaar gedaan. Voorafgaande aan de uitspraak heeft de Inspecteur bij brief van 20 oktober 2005 aan belanghebbende meegedeeld hoe hij zal beslissen en heeft hij aan hem de ter inzage ontvangen stukken teruggestuurd.

3.2. Naar aanleiding van de aanmaning van 2 december 2005, gericht aan belanghebbende, heeft belanghebbende op 4 december 2005 een brief aan de Ontvanger gezonden met de volgende tekst:

”Betreffende aanslagnummer : [xxxx.xx.xxx.X.xx]

: [xxx.xx.xxx.X.xx]

In aansluiting op uw schrijven dd. 2 december 2005 betreffende de bovenvermelde aanslagnummers wens ik u het navolgende mede te delen als ook het verzoek in te dienen voor uitstel van betaling. Tegen de eerste aanslag over het belastingjaar 2002 hebben met en ik een bezwaar ingediend. Na verloop van tijd kregen wij beschikkingen binnen waarop stond vermeld, dat de motivering in deze al was medegedeeld. Echter tot op heden hebben wij de beslissingen (beargumenteringen) niet mogen ontvangen. Het is niet of nauwelijks na te gaan wat nu wel en wat nu niet is goedgekeurd.

• Vooral de ziektekosten van mevrouw [XY] zijn nogal erg hoog geweest in 2002. Hierbij denk ik alleen al aan de aanschaf van bepaalde hulpmiddelen voor haar handicap. De extra reiskosten voor ziekhuisbezoek, artsenbezoek enz.

Het ene moment krijgen we een beschikking over 2002 dat na verrekening van een en ander het restant zal worden gestort en dan krijgen we weer een mededeling dat er nog betaald moet worden. Zoals u zult begrijpen is één en ander voor ons heel onduidelijk, wat ook weer zijn weerslag heeft op o.a. de thuiszorg. Aangezien het niet duidelijk is wat nu exact ons gezamenlijk inkomen is, worden wij voor deze thuiszorg over 2004 voor het maximum aangeslagen.

Gelet op het bovenstaande hebben wij aan u de navolgende verzoeken.

1. Is het mogelijk om een gespecificeerde opgave te verkrijgen hoe de besluitvorming betreffende ons ingediende bezwaar tot stand is gekomen.

2. Gedurende de behandeling van dit verzoek, een uitstel van betaling te verkrijgen en op het moment dat één en ander is afgewikkeld een betalingsregeling te mogen treffen.

3. Een correcte opgave te ontvangen van het gezamenlijke belastbare inkomen, welke wij nodig hebben voor de thuiszorg.

In het vertrouwen u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd, verblijf ik in afwachting op uw antwoord met vriendelijke groet, (…)”

3.3. Naar aanleiding van de door de Ontvanger op 16 december 2005 gestuurde reactie heeft belanghebbende met dagtekening 3 januari 2006 opnieuw in een soortgelijke brief als die van 4 december 2005 aan de Ontvanger om uitstel van betaling en uitleg gevraagd.

3.4. Belanghebbende heeft op 6 april 2006 een brief met voor zover hier van belang de volgende tekst naar het Gerechtshof te ’s-Gravenhage gestuurd.

”Betreffende beroepschrift : [xxxx.xx.xxx.X.xx]

: [xxxx.xx.xxx.X.xx]

(...)

In aansluiting op bovenvermelde aanslagnummers, wenst ondergetekende, (…) voor hem en zijn echtgenote (…) beroep aan te tekenen tegen de aan hun opgelegde aanslagen (…). Volgens de belastingdienst te [P] zou ondergetekende nog een bedrag van € 2662,00 en zijn echtgenote nog een bedrag van € 1601,00 moeten betalen. Dit in tegenstelling tot hetgeen de uitkomst is van de door u aangeleverde aangiftemodule. Volgens mijn berekening, zie bijlage, moet ondergetekende een bedrag van € 2866,00 en zijn echtgenote een bedrag van € 1636,00 terugontvangen. De belastingdienst in [P] heeft zeer goed geholpen om één en ander in goede banen te leiden, echter naar het idee van ondergetekende is hem ondanks alle medewerking welke de belastingdienst te [P] heeft gegeven, geen recht gedaan. (…).”

Rechtbank ’s Gravenhage heeft deze brief op 7 april 2006 ontvangen.

3.5. In zijn brief van 4 juli 2006 heeft belanghebbende het volgende vermeld:

”(…)

In uw schrijven stelt u dat ik aannemelijk moet maken, dat ik tijdig beroep heb aangetekend tegen de aan mij opgelegde aanslag 2002. De laatste uitspraak in de bezwaarprocedure is op 17 maart 2006 geweest, als ik hierbij zes weken optel, dan kom ik ruim over 6 april 2006. Mijns inziens heb ik wel degelijk tijdig mijn beroep tegen de uitspraak ingediend. (…)”

4. Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1. Partijen houdt verdeeld het antwoord op de vraag of het beroep tegen de uitspraken op bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, welke vraag belanghebbende bevestigend en de Inspecteur ontkennend beantwoordt.

4.2. Voor de standpunten van partijen en voor de gronden waarop zij hun standpunten doen steunen wordt verwezen naar de stukken van het geding.

5. Conclusies van partijen

5.1. Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, tot ontvankelijkverklaring van het beroep en - zo begrijpt het Hof - tot vermindering van de aanslag.

5.2. De Inspecteur heeft geconcludeerd tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

6. Beoordeling van het hoger beroep

6.1. Omdat hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd en telefonisch heeft toegelicht onvoldoende houvast biedt om op grond daarvan in redelijkheid te concluderen dat belanghebbende niet in staat zou zijn de zitting bij te wonen, heeft het Hof, mede gelet op het belang van voortgang in de behandeling van deze zaak, het uitstelverzoek niet ingewilligd.

6.2. De rechtbank heeft naar het oordeel van het Hof terecht en op goede gronden geoordeeld dat de in 3.4 vermelde brief dient te worden aangemerkt als het beroepschrift. De rechtbank heeft voorts met juistheid geoordeeld dat belanghebbende haar beroepschrift niet tijdig heeft ingediend. Belanghebbende heeft in beroep en hoger beroep geen feiten en omstandigheden aangevoerd die een andere conclusie rechtvaardigen. Het wachten op stukken vormt in dit geval geen omstandigheid op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest. Ook overigens is niet gebleken van een omstandigheid die het oordeel kan dragen dat sprake is van een verschoonbaar verzuim.

6.3. Het hoger beroep is ongegrond. Bijgevolg moet worden beslist als hierna is vermeld.

7. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

8. Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is vastgesteld door mrs. U.E. Tromp, J.T. Sanders en B. van Walderveen, in tegenwoordigheid van de griffier mr. L. van den Bogerd. De beslissing is op 8 mei 2009 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.