Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BI3642

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-04-2009
Datum publicatie
20-05-2009
Zaaknummer
200.008.485.01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenbeschikking i.v.m. wetswijziging van 1 maart 2009. Verwachte wijziging draagkracht per 1 maart 2009?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 15 april 2009

Zaaknummer : 200.008.485.01

Rekestnr. rechtbank : F2 RK 07-1354

[De vader],

wonende te [woonplaats],

verzoeker, tevens incidenteel verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. A. Maaskant,

tegen

[de moeder],

wonende te [woonplaats],

verweerster, tevens incidenteel verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. C.E. van der Starre.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 3 juni 2008 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank Rotterdam van 3 maart 2008.

De moeder heeft op 11 augustus 2008 een verweerschrift, tevens houdende incidenteel appel ingediend.

Van de zijde van de vader zijn bij het hof op 9 juli 2008, 24 juli 2008 en 8 december 2008 aanvullende stukken ingekomen.

Op 19 december 2008 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vader, bijgestaan door zijn advocaat, en de moeder, bijgestaan door haar advocaat. Partijen en hun raadslieden hebben het woord gevoerd.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking is onder meer, met wijziging van de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 8 mei 2000, de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding ten behoeve van de hierna te noemen minderjarige met ingang van 21 mei 2007 bepaald op € 217,- per maand.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil is de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding ten behoeve van de [in] 1994 te [woonplaats] geboren minderjarige [naam minderjarige].

2. De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en met wijziging van de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 8 mei 2000, de door hem aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding ten behoeve van de minderjarige met ingang van 21 mei 2007 te bepalen op nihil, althans te bepalen op een zodanig lager bedrag dan € 217,- per maand en met ingang van een zodanige datum als het hof vermeent te behoren. De moeder bestrijdt zijn beroep.

3. De vader heeft in hoger beroep zeven grieven tegen de bestreden beschikking aangevoerd en de moeder, in incidenteel appel, vier grieven. De grieven van de vader en de derde grief van de moeder in incidenteel appel zien alle op de draagkracht van de vader, zodat het hof die gezamenlijk zal bespreken.

4. Met de eerste grief in incidenteel appel verzet de moeder zich tegen het oordeel van de rechtbank dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden als bedoeld in artikel 1:401 BW, op grond waarvan de behoefte van de minderjarige en de draagkracht van de vader opnieuw beoordeeld dienen te worden. De moeder betwist dat het opnieuw in het huwelijk treden van de vader een wijziging van omstandigheden is die een wijziging van de kinderalimentatie rechtvaardigt. Volgens de moeder dient de onderhoudsverplichting van de vader jegens de minderjarige te prevaleren boven die jegens zijn huidige echtgenote.

Voorts betwist de moeder dat het huidige inkomen van de vader lager is dan het inkomen in het jaar 2000, zijnde het jaar van de echtscheiding tussen partijen.

5. Het hof overweegt als volgt. Een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud kan bij latere rechterlijke uitspraak op grond van artikel 1:401 lid 1 BW worden gewijzigd, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Het feit dat de vader op 22 september 2006 met zijn huidige echtgenote in het huwelijk is getreden en sedert het jaar 2000 diverse malen van werkgever is veranderd, merkt het hof aan als een wijziging van omstandigheden. Het hof zal, nu de behoefte van de minderjarige aan een bijdrage van de vader als niet bestreden vaststaat, de draagkracht van de vader opnieuw beoordelen. Gelet op het vorenstaande faalt de eerste incidentele grief van de moeder.

6. Met de tweede grief in incidenteel appel verzet de moeder zich tegen het oordeel van de rechtbank dat in het onderhavige geval is gebleken van omstandigheden die een uitzondering rechtvaardigen op het uitgangspunt dat de enkele omstandigheid dat de vader zijn leven met zijn huidige echtgenote is gaan delen en zich aldus in een nieuwe gezinssituatie heeft begeven, welke omstandigheid de verhouding tussen inkomsten en uitgaven negatief heeft beïnvloed, onvoldoende is om de ten behoeve van minderjarige verschuldigde bijdrage op een lager bedrag te bepalen dan anders verschuldigd zou zijn en zo de belangen van de minderjarige bij die van de nieuwe echtgenote achter te stellen.

7. Gelet op de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting verenigt het hof zich op dit punt met het oordeel van de rechtbank en de gronden waarop dat berust. Naar het oordeel van het hof heeft de moeder geen feiten of omstandigheden gesteld die in zoverre een andere beslissing rechtvaardigen.

8. Op 1 maart 2009 is in werking getreden de Wet van 27 november 2008 tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met het bevorderen van voortgezet ouderschap na scheiding en het afschaffen van de mogelijkheid tot het omzetten van een huwelijk in een geregistreerd partnerschap (Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding; Stb. 2008, 500). Nu daarin overgangsrechtelijke bepalingen ontbreken, gaat het hof uit van de onmiddellijke werking van de wet. Als gevolg daarvan is met ingang van eerstgenoemde datum artikel 1:400, eerste lid, BW - voor zover thans van belang - komen te luiden:

"Indien een persoon verplicht is levensonderhoud te verstrekken aan twee of meer personen en zijn draagkracht onvoldoende is om dit volledig aan allen te verschaffen, hebben zijn kinderen en stiefkinderen die de leeftijd van een en twintig jaren nog niet hebben bereikt voorrang boven alle andere onderhoudsgerechtigden (..)."

BEHOEFTE

9. De behoefte van de minderjarige bedraagt thans, na wettelijke indexering, € 259,- per maand.

DRAAGKRACHT

10. Bij het vaststellen van de draagkracht van de vader heeft de rechtbank een bruto inkomen van € 35.703,- per jaar in aanmerking genomen. Uit de inhoud van de bestreden beschikking maakt het hof op dat de rechtbank voorts de gezinsnorm en het daarbij behorende draagkrachtpercentage in aanmerking heeft genomen, naast de op de vader toepasselijke heffingskortingen (inclusief de algemene heffingskorting voor zijn huidige partner). Voorts heeft de rechtbank de volgende maandlasten van de vader in aanmerking genomen: € 594,- rente op een hypothecaire geldlening, € 121,- premie levensverzekering, € 95,- forfait overige eigenaarslasten, € 224,13 premie zorgverzekering, inclusief aanvullende verzekeringen, € 16,79 premie begrafenisverzekering en € 14,- lidmaatschap FNV.

11. Bij het vaststellen van de draagkracht van de vader gaat het hof op grond van zijn salarisspecificaties van januari 2008 tot en met juli 2008 (produktie 1 bij brief van 10 december 2008) uit van een inkomen van € 35.791,- bruto per jaar, mede gezien het feit dat dit inkomen blijkens overgelegde jaaropgaven nauwelijks afwijkt van het inkomen dat de vader in 2007 bij zijn voormalige werkgevers genoot. Gelet op de hoogte van het op de salarisspecificaties vermelde inkomen van € 2.228,09 bruto per maand, gaat het hof er vanuit dat in voornoemd jaarinkomen tevens andere inkomsten zijn begrepen, die kunnen bestaan uit overwerk, een 13e maand, eindejaarsuitkering en/of bonus. Weliswaar is de vader met ingang van 15 september 2008 in dienst getreden bij zijn huidige werkgever maar, nog afgezien van het feit dat zijn huidige (omgerekende) inkomen blijkens de salarisspecificaties van oktober en november 2008 ten opzichte van het inkomen bij zijn vorige werkgever nauwelijks is gewijzigd, heeft de vader, daarnaar gevraagd, ter zitting van het hof verklaard dat hij bij zijn vorige werkgever zelf ontslag heeft genomen. Indien de vader er al, zoals hij zelf stelt, in inkomen op achteruit is gegaan, dan mag deze inkomensachteruitgang naar het oordeel van het hof om voornoemde reden niet ten nadele van zijn onderhoudsverplichting jegens de minderjarige strekken. Gelijk de rechtbank neemt het hof de gezinsnorm en het daarbij behorende draagkrachtpercentage in aanmerking. Weliswaar heeft de moeder betoogd dat de huidige echtgenote bij de beoordeling van de draagkracht van de vader geheel buiten beschouwing dient te blijven en dat de vader derhalve als alleenstaande dient te worden aangemerkt, doch de moeder heeft niet betwist dat de partner van de vader ernstige gezondheidsproblemen heeft, zodat het hof het aannemelijk acht dat de partner van de vader niet tot werken in staat is en derhalve in casu de gezinsnorm in aanmerking neemt. Naar het oordeel van het hof zijn hiermee de eerste grief van de vader en de eerste en derde grief van de moeder in incidenteel appel voldoende besproken.

12. Het hof houdt geen rekening met de door de vader voor hemzelf en zijn huidige echtgenote in 2007 betaalde eigen bijdrage ziektekosten. Met ingang van 1 januari 2008 geldt op grond van het gewijzigde zorgstelsel een verplicht eigen risico van € 13,- per maand. Met ingang van 1 januari 2008 houdt het hof derhalve rekening met een verplicht eigen risico voor de vader en zijn huidige echtgenote van in totaal € 26,- per maand. Vóór 1 januari 2008 gold, zoals door de moeder is gesteld, de zogenaamde no-claimteruggave van maximaal € 255,- per jaar voor degenen die nauwelijks tot geen ziektekosten hadden gemaakt. Voor zover de vader bedoelt te stellen dat hij dat misgelopen voordeel thans ten laste van zijn draagkracht mag brengen, deelt het hof die stelling niet. Bovendien heeft de vader niet aangetoond dat hij feitelijk in 2007 een eigen bijdrage heeft betaald, noch heeft hij de hoogte van die bijdrage aangetoond.

Met de premie levensverzekering van € 35,- per maand (aangegaan in verband met een pensioentekort) houdt het hof evenmin rekening, nu de vader ter zitting van het hof heeft verklaard dat hij die premie sinds twee à drie jaar niet meer betaalt.

Het hof houdt wel rekening met de door de vader opgevoerde premie begrafenisverzekering van € 40,- per maand, gelet op door hem bij brief van 9 juli 2008 overgelegde polis, alsmede gelet op het feit dat het hof de omvang van de dekking redelijk acht.

Het hof houdt geen rekening met de kosten woon-/werkverkeer van de vader. Vast staat dat de vader bij zijn vorige werkgevers een reiskostenvergoeding ontving en de vader heeft niet aannemelijk gemaakt dat die vergoedingen niet kostendekkend waren. Evenmin heeft de vader aannemelijk gemaakt dat de op zijn salarisspecificaties van oktober en november 2008 vermelde CAO-vergoeding van zijn huidige werkgever, zoals hij stelt, ziet op het reizen naar een andere standplaats. Nu de vader de voor hem geldende huidige CAO niet heeft overgelegd en hij derhalve niet aannemelijk heeft gemaakt dat de CAO-vergoeding van zijn werkgever niet ziet op een dekking van de kosten woon-/werkverkeer en evenmin dat deze niet kostendekkend zouden zijn, houdt het hof met die kosten geen rekening. Met de extra kosten in verband met de gezondheidstoestand van de huidige ex-echtgenote van de vader houdt het hof geen rekening, nu de vader die kosten niet met bewijsstukken heeft gestaafd en deze bovendien geen voorrang verdienen boven zijn onderhoudsverplichting jegens de minderjarige.

Nog afgezien van het feit dat de vader niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij gehouden is om maandelijks voor zijn huidige echtgenote de kosten van de bewindvoerder van € 46,50 te voldoen in verband met de op haar van toepassing verklaarde schuldsaneringsregeling, heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat hij die kosten feitelijk voldoet. Bovendien heeft de vader ter zitting verklaard dat zijn partner maandelijks een bedrag van circa € 54,- per maand ontvangt ter zake van de algemene heffingskorting zodat, zo er al sprake is van een maandelijkse verplichting, de partner van de vader die kosten uit voornoemd bedrag kan voldoen. Bovendien verdienen ook deze kosten geen voorrang boven de onderhoudsverplichting van de vader jegens de minderjarige. Het hof houdt wel rekening met de overige door de rechtbank in aanmerking genomen financiële gegevens van de vader, nu daartegen in hoger beroep geen grieven zijn gericht. Bij gebreke van een bewijs omtrent de hoogte van de WOZ-waarde van de woning van de vader en zijn partner, neemt het hof een eigenwoningforfait in aanmerking, gebaseerd op de koopprijs van die woning (€ 159.000,-), nu namens de vader ter zitting van het hof onbestreden is betoogd dat de WOZ-waarde van een woning tegenwoordig niet veel afwijkt van de koopprijs van een woning. Ten aanzien van de premie zorgverzekering merkt het hof op dat naast de door de vader te betalen maandelijkse premie, rekening is gehouden met de inkomensafhankelijke bijdrage van de werkgever zoals op zijn salarisspecificaties staat vermeld en met, zoals hierboven reeds is overwogen, een eigen risico van € 26,- per maand. Hierop dient in mindering te strekken het in de bijstandsnorm begrepen nominaal deel van de premie Zorgverzekeringswet. Uit de aan het hof overgelegde stukken is gebleken dat de rente van de hypothecaire geldlening van de vader als gevolg van de aankoop van een andere woning met ingang van 14 juli 2008 is gestegen tot € 801,- per maand. Weliswaar heeft de moeder betoogd dat deze verhoging geen voorrang verdient boven de onderhoudsverplichting van de minderjarige, doch in verhouding tot het in aanmerking genomen inkomen van de vader zijn de nieuwe woonlasten van de vader naar het oordeel van het hof niet onredelijk hoog. Gelet hierop zal het hof met ingang van 1 augustus 2008 de hogere woonlasten van de vader in aanmerking nemen.

13. Uit dit alles volgt dat de vader in de periode van 21 mei 2007 tot 1 augustus 2008 een bijdrage ten behoeve van de minderjarige kan voldoen van € 155,- per maand en dat hij met ingang van 1 augustus 2008 een bijdrage kan voldoen van € 50,- per maand. Het hof merkt op dat rekening is gehouden met de fiscale voordelen die de vader terzake de Inkomstenbelasting geniet.

14. Hoewel de moeder zich met haar vierde grief in incidenteel appel verzet tegen de door de rechtbank in aanmerking genomen ingangsdatum van de gewijzigde kinderalimentatie, ziet het hof geen reden daarvan af te wijken. Als ingangsdatum heeft de rechtbank de datum van indiening van het inleidend verzoekschrift in aanmerking genomen en het hof is van oordeel dat de moeder vanaf die datum rekening heeft kunnen houden met een mogelijke wijziging van de kinderalimentatie.

Gelet op het consumptief karakter van kinderalimentatie is het hof van oordeel dat, voorzover de vader vanaf 21 mei 2007 tot heden teveel heeft betaald of teveel op hem is verhaald, de moeder dat niet aan hem behoeft terug te betalen. Wel merkt het hof op dat, nu de vader de in rechtsoverweging 13 genoemde bedragen verschuldigd is, de beslissing van de rechtbank, voor zover de bijdrage ten behoeve van de minderjarige voor het verleden is bepaald op hetgeen tot op heden is betaald of verhaald, dient te worden vernietigd.

15. Partijen hebben zich over de eventuele gevolgen van de onder rechtsoverweging 8 vermelde wetswijziging nog niet kunnen uitlaten. Het hof zal partijen daartoe schriftelijk in de gelegenheid stellen. Partijen zal worden verzocht hun mening uiterlijk 22 april 2009 aan elkaar en aan het hof kenbaar te maken en ieder der partijen zal worden verzocht om uiterlijk op 6 mei 2009 op elkaars standpunten te reageren en ook die reakties aan de wederpartij en het hof te doen toekomen. Het vorenstaande brengt met zich dat het hof het onderzoek zal heropenen en, nadat partijen zich schriftelijk hebben uitgelaten, zal bezien of een nadere mondelinge behandeling noodzakelijk is. Indien het hof een nadere mondelinge behandeling noodzakelijk acht, zal deze plaatsvinden op woensdag 27 mei 2009 te 13.00 uur. Omdat het alsdan uitsluitend over de gevolgen van de eerder genoemde wetswijziging gaat, behoeven partijen naar het oordeel van het hof niet in persoon te verschijnen doch is de aanwezigheid van hun raadslieden voldoende. Zulks laat echter onverlet dat het partijen vrij staat om bij een eventuele nadere mondelinge behandeling aanwezig te zijn.

16. Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof: vernietigt de bestreden beschikking en opnieuw beschikkende:

bepaalt - met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 8 mei 2000 – de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding in de periode van 21 mei 2007 tot 1 augustus 2008 op € 155,- per maand en met ingang van 1 augustus 2008 op € 50,- per maand, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt dat de moeder de tot op heden door de vader eventueel teveel aan haar betaalde alimentatie niet aan hem hoeft terug te betalen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

heropent het onderzoek:

houdt de behandeling van de zaak aan ter fine als vermeld in rechtsoverweging 15 en zo nodig zal het hof een nadere mondelinge behandeling bepalen op 27 mei 2009 te 13.00 uur in één van de zalen van het Paleis van Justitie, Prins Clauslaan 60 te ’s-Gravenhage;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Mos-Verstraten, Dusamos en Van Wijk, bijgestaan door Suderée als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 april 2009.