Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BI3563

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-03-2009
Datum publicatie
12-05-2009
Zaaknummer
105.006.092-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Concurrentiebeding, vernietiging, matiging, schadevergoeding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2009-0380
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector handel

Zaaknummer : 105.006.092/01

Rolnummer (oud) : C07/227

Rolnummer rechtbank : 580877 CV EXPL 06-1230

arrest van de negende civiele kamer d.d. 24 maart 2009

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. J.C. Dorrepaal te Alphen aan den Rijn,

tegen

Atikem B.V.,

gevestigd te Nieuwkoop,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Atikem,

advocaat: mr. M.A.B. Sassen te ’s-Gravenhage.

Het geding

Bij exploot van 8 februari 2007 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis van

14 november 2006 van de rechtbank ‘s-Gravenhage, sector kanton, locatie Alphen aan den Rijn, gewezen tussen partijen. Bij memorie van grieven (met productie) heeft [appellant] drie grieven aangevoerd. Atikem heeft deze grieven bij memorie van antwoord (met productie) bestreden. Vervolgens hebben partijen de stukken gefourneerd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1.1 De door de rechtbank vastgestelde feiten, waartegen in hoger beroep niet wordt opgekomen, vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt. Het gaat - samengevat - om het volgende.

1.2 [appellant], geboren [1954], is tot 1 oktober 2005 op basis van een arbeidsovereenkomst voor de bepaalde tijd van een jaar, in dienst geweest bij Atikem. De arbeidsovereenkomst is door Atikem niet verlengd.

1.3 In de arbeidsovereenkomst van [appellant] is in artikel 6 onder meer opgenomen:

“Zonder schriftelijke toestemming van de werkgever is het werknemer niet toegestaan om binnen 12 maanden na het einde van de arbeidsovereenkomst zelf op enigerlei wijze een zaak te drijven die gelijk is of aanverwant is met de zaak van de werkgever, noch een dergelijke zaak te doen drijven danwel daarin op enigerlei wijze direct of indirect belang te hebben of betrokken te zijn of in een dergelijke zaak werkzaam te zijn.”

1.4 Na het einde van de arbeidsovereenkomst is [appellant] in dienst getreden van Management Lease Administratie B.V. (hierna: “MLA”) te Alphen aan den Rijn. Al dan niet vanuit zijn dienstverband met MLA heeft [appellant] werkzaamheden verricht voor Vision Chemical Supplies B.V. (hierna: “VCS”), eveneens te Alphen aan den Rijn. VCS is gelieerd aan MLA.

1.5 De handelsactiviteiten van VCS zijn vrijwel dezelfde als die van Atikem. Atikem levert kantoorartikelen voor industrie, handel en fabrieken. Daartoe worden door haar in grote oplagen folders verspreid. Eind september 2005 heeft Atikem folders verzonden voor de verkoop van kantoor-en bedrijfsinrichtingsartikelen. Deze artikelen betrekt Atikem van BRB Lagertechnik (hierna: “BRB”) te Duitsland.

1.6 [appellant] was gedurende het dienstverband met Atikem betrokken bij het totstandkomen van de folders van Atikem van eind september 2005. Het gaat om in totaal 100.000 folders. Daarvan heeft Atikem er 10.000 verstuurd in week 39 van 2005 en wederom 10.000 in week 44 van 2005. De resterende 80.000 folders zijn niet verstuurd.

1.7 In november 2005 heeft VCS folders verzonden waarvan de inhoud grotendeels overeenstemt met die van de hiervoor bedoelde folders van Atikem van september 2005. VCS betrekt de in haar folder aangeboden producten, evenals Atikem, van BRB. De prijzen van de in de folder van VCS aangeboden producten liggen (vrijwel) alle iets lager dan die van de door Atikem in haar folder aangeboden (identieke) producten van BRB.

1.8 Op 21 december 2005 heeft er een bespreking plaatsgevonden tussen vertegenwoordigers van Atikem, [vertegenwoordiger Atikem 1] (hierna: [vertegenwoordiger Atikem 1]) en [vertegenwoordiger Atikem 2] (hierna: [vertegenwoordiger Atikem 2]) enerzijds en [vertegenwoordiger BRB 1] (hierna: [vertegenwoordiger BRB 1]) en [vertegenwoordiger BRB 2] (hierna: [vertegenwoordiger BRB 2]) van BRB anderzijds. In het verslag van die bespreking is onder meer vermeld:

“Direct hierna zegt [vertegenwoordiger Atikem 1] dat er op dit moment onduidelijkheden bestaan in de verhouding tussen BRB en [appellant]. (…)

[vertegenwoordiger BRB 1] erkent te weten van het bestaan van de nieuwe folder [hof: de folder van VCS]. Hij is zelf betrokken geweest bij de opstelling daarvan en heeft bemerkingen gemaakt met betrekking tot de uitvoering daarvan, o.a. over prijzen die deels te hoog, deels te laag zouden zijn vermeld. Hij zegt echter in de veronderstelling te verkeren dat dit overleg gevoerd werd met medeweten van Atikem en derhalve geen argwaan te hebben gehad. (…)

Hierna rijst de vraag wat te doen met het restant van 80.000 folders. (…)

Door [vertegenwoordiger Atikem 2] wordt aangegeven dat het moeilijk zal zijn om de gemaakte kosten nog rendabel te maken. Als we beiden nog wát willen verdienen zal BRB, volgens [vertegenwoordiger Atikem 2], de kosten van het drukwerk en de verzendkosten moeten betalen.

[vertegenwoordiger BRB 1] geeft hierop echter aan, geen verdere kosten voor zijn rekening te kunnen nemen. Inzake de folders. (…)

Ook stelt hij [hof: [vertegenwoordiger BRB 1]] voor, om met onmiddellijke ingang weer te starten met het verzenden van folders. (…)

Volgens [vertegenwoordiger BRB 1] verstuurt BRB 3 á 4 maal per jaar folders aan de zelfde adressen. (…)

[vertegenwoordiger Atikem 2] verwacht voorstellen van BRB en stelt dat deze in gebreke zijn gebleven door Atikem niet te informeren.(…)

Hij [hof: [vertegenwoordiger BRB 1]] wil echter niet de schuld van dit alles hebben. Het is erg genoeg te moeten vaststellen, in een val te zijn gelopen.

De werking van een folder is praktisch vier weken, niet langer. [vertegenwoordiger BRB 1] herhaalt de artikelen op een nieuwe prijsstelling te zullen bezien. Hij zegt toe 80.000 brieven, met vermelding van bijzondere kortingen, voor rekening van BRB ter beschikking te willen stellen. We moeten er samen uitkomen.”

1.9 Atikem heeft [appellant] gedagvaard voor de rechtbank en in conventie gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

- te verklaren voor recht dat [appellant] het tussen partijen overeengekomen concurrentiebeding heeft overtreden;

- [appellant] te veroordelen een bedrag van € 40.000,-- te betalen, dan wel een ander door de rechtbank te bepalen bedrag, als vergoeding voor schade door Atikem geleden als gevolg van de onrechtmatige concurrentie;

- een en ander met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding.

1.10 [appellant] heeft in reconventie gevorderd bij vonnis dat het concurrentiebeding zoals vermeld in artikel 6 van de arbeidsovereenkomst geheel ex artikel 7: 653 BW te vernietigen, met veroordeling van Atikem in de kosten van het geding.

1.11 De rechtbank heeft bij het bestreden vonnis van 14 november 2006, (i) [appellant] in conventie veroordeeld aan Atikem tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de som van

€ 20.000,-- , (ii) het vonnis in zoverre uitvoerbaar bij voorraad verklaard, en (iii) het meer of anders gevorderde afgewezen, en (iv) de vordering in reconventie afgewezen, en voorts (v) [appellant] in conventie en in reconventie in de proceskosten veroordeeld.

2. In beroep vordert [appellant] bij arrest vernietiging van het bestreden vonnis, en alsnog rechtdoende de vorderingen van Atikem in conventie af te wijzen, de vordering van [appellant] in reconventie toe te wijzen, een en ander met veroordeling van Atikem in de proceskosten van beide instanties.

3. Het hof ziet aanleiding eerst de tweede grief te behandelen. Deze grief richt zich tegen de beslissing om de gevorderde vernietiging van het concurrentiebeding af te wijzen.

4. Het hof stelt voorop dat de aan te leggen toets is die van artikel 7:653 lid 2 BW, inhoudende of [appellant], in verhouding tot het te beschermen belang van Atikem, door het concurrentiebeding, waarvan de geldingsduur op 1 oktober 2006 is verstreken, onbillijk werd benadeeld. Daartoe dienen de belangen van Atikem en [appellant] tegen elkaar te worden afgewogen.

5. Naar het oordeel van het hof geldt dat Atikem een zwaarwegend belang had bij handhaving van het concurrentiebeding. [appellant] is direct na het einde van het dienstverband met Atikem gaan werken voor VCS, een directe concurrent van Atikem. VCS heeft Atikem serieuze concurrentie aangedaan door het op grote schaal verspreiden van een folder, die qua inhoud grotendeels overeenstemt met de kort daarvoor verzonden folder van Atikem, met een prijsstelling voor identieke producten die net iets lager ligt dan die van Atikem. Die folder van VCS is op grote schaal verspreid, ook onder vele (potentiële en bestaande) klanten van Atikem. Het hof acht aangetoond dat [appellant] ten behoeve van de folder van VCS gebruik heeft gemaakt van de prijsstelling van Atikem, waarmee hij bekend was. Atikem heeft dit gebruik gesteld en dit is door [appellant] niet weersproken.

6. Het hof is voorts van oordeel dat de gestelde belangen van [appellant] van onvoldoende gewicht zijn, tegenover het evident zwaarwegende belang van Atikem bij handhaving van het concurrentiebeding, om het concurrentiebeding geheel (of gedeeltelijk) te vernietigen.

7. Niet is komen vast te staan dat Atikem onzorgvuldig heeft gehandeld door de arbeidsovereenkomst met [appellant] niet te verlengen, wat [appellant] heeft aangevoerd. [appellant] heeft gesteld dat de beëindiging van het dienstverband tien dagen voor het aflopen daarvan, voor hem als een volledige verrassing kwam. [appellant] was een participatie in Atikem in het vooruitzicht is gesteld, welke niet is gerealiseerd omdat hij door het ontslag en de gebondenheid aan een concurrentiebeding “goedkoop”op een zijspoor is gezet. Atikem heeft dit betwist met de stellingen (i) dat de arbeidsovereenkomst niet is verlengd omdat de omzet tegenviel en dat dit met [appellant] is besproken en (ii) dat de participatie geen doorgang kon vinden door aanhoudende financiële problemen van [appellant]. [appellant] heeft op zijn beurt betwist dat de omzet tegenviel, maar onvoldoende betwist dat zijn financiële situatie de reden was waarom de participatie niet doorging. [appellant] heeft op deze punten geen concreet bewijsaanbod gedaan. Van belang is voorts dat [appellant] heeft erkend dat hij medio 2005 het voor de beoogde participatie betaalde bedrag van € 2.500,-- terugvroeg (en kreeg), om met zijn gezin op vakantie te kunnen gaan. Bij deze stand van zaken heeft [appellant] onvoldoende onderbouwd waarom Atikem oneigenlijke en ondeugdelijke motieven had bij de beslissing de arbeidsovereenkomst niet te verlengen. Dit geldt ook als veronderstellenderwijs zou worden aangenomen dat de omzet de door [appellant] verdedigde omvang had.

8. Het hof verwerpt de stelling van [appellant] dat hij in feite geen andere mogelijkheid had dan om te werken in de branche van de kantoor-en bedrijfsinrichting, omdat hij daar zijn kennis en expertise had opgedaan door jarenlang bij een daarop gericht postorderbedrijf, Bruin Bedrijfsuitrusting B.V. (hierna: “Bruin Bedrijfsuitrusting”), te werken. Gelet op de leeftijd van [appellant] toen hij bij Atikem begon (50 jaar) heeft hij onvoldoende concreet onderbouwd dat hij gezien zijn loopbaan tot dat moment, en zijn specifieke kennis en expertise, voor werk was aangewezen op onderhavige branche. Het feit dat het voortduren van het concurrentiebeding ertoe zou (kunnen) leiden dat hij geen werkzaamheden meer voor VCS kan verrichten is daarom evenmin reden om dat beding te vernietigen of matigen. Daar komt bij dat het concurrentiebeding niet onredelijk lang van duur is, terwijl [appellant] in de - onweersproken – voor de omzet belangrijke periode van november 2005 tot januari 2006 in strijd met het concurrentiebeding heeft gewerkt, wat eerder voor bevestiging dan voor gehele of gedeeltelijke vernietiging van het beding pleit.

9. De stelling van [appellant], dat Atikem heeft gesuggereerd dat hij bijvoorbeeld bij BRB in Nederland in dienst zou kunnen treden, en dat daardoor de indruk is gewekt dat hij niet aan het concurrentiebeding zou worden gehouden, kan hem niet baten, ook als zou komen vast te staan dat die suggestie is gedaan, wat Atikem heeft betwist. Gezien de relatie van leverancier-afnemer die Atikem met BRB had en heeft, ligt het niet voor de hand een dergelijke suggestie uit te leggen als een vrijbrief voor concurrerende werkzaamheden. Door [appellant] is onvoldoende gesteld om tot de door hem verdedigde uitleg te komen.

10. Het voorgaande leidt ertoe dat de tweede grief faalt.

11. De eerste grief richt zich tegen de beslissing om [appellant] te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van € 20.000,--. De in het geding zijnde schade bestaat uit (i) respectievelijk € 8.532,-- en € 6.560,-- aan kosten drukwerk en verzending, en (ii) € 4.908,-- aan omzetderving.

Kosten drukwerk en verzending

12. Met de eerste grief wordt geklaagd over het oordeel, dat de gevorderde kosten van drukwerk en verzending voor de folders van Atikem, als nodeloos gemaakte kosten voor vergoeding in aanmerking komen, omdat Atikem van die gemaakte kosten geen profijt heeft gehad. [appellant] stelt dat die kosten niet nodeloos zijn gemaakt. Een folder heeft vier weken effect, daarna niet meer. Dit volgt ook uit de mededelingen van BRB in het sub 1.8 geciteerde verslag van het gesprek van 21 december 2005. Gelet op de verzenddatum van de folders van VCS had Atikem van de eerste 10.000 folders de volle vier weken profijt en van de tweede 10.000 folders drie weken profijt. VCS heeft 30.000 folders verstuurd, waarvan het effect ook na vier weken was uitgewerkt. Dat Atikem geen profijt heeft gehad van de resterende 80.000 folders is daarom uitsluitend het gevolg van het feit dat zij deze niet verstuurd heeft. Vanwege het laatste doet [appellant] tevens een beroep op artikel 6:101 BW.

13. Atikem heeft gemotiveerd betwist dat een folder vier weken effect heeft en daarna niet meer. De ervaring leert dat klanten de folder bewaren om daar meerdere keren bestellingen uit te plaatsen. Klanten hebben geen bestelling gedaan nu VCS kort na de folder van Atikem met haar eigen folder, met daarin meest lagere prijzen, is gekomen. Atikem betwist dat VCS niet meer dan 30.000 folders heeft verstuurd.

14. Naar het oordeel van het hof mag worden aangenomen dat een (vaste of potentiële) klant vanwege de lagere prijs voor identieke producten, bij VCS en niet bij Atikem zal bestellen. Atikem heeft onderbouwd dat de door haar verstuurde 20.000 folders wezenlijk minder effect hebben gehad dan eerdere folders, wat door [appellant] niet voldoende gemotiveerd is betwist. Gelet op de korte tijd tussen het verzenden van deze 20.000 folders en het verzenden van de 30.000 folders door VCS, ligt het voor de hand aan te nemen dat de folders van VCS wezenlijk afbreuk hebben gedaan aan het wervend karakter van de folders van Atikem.

15. Het hof is voorts van oordeel dat mag worden aangenomen dat zwaartepunt van het effect van een folder ligt in de periode kort na ontvangst daarvan, en dat het effect daarna afneemt. Dat een folder slechts vier weken effect heeft en daarna niet meer, acht het hof niet aangetoond. De mededelingen van BRB in die trant, in het sub 1.8 geciteerde besprekingsverslag van

21 december 2005, overtuigen het hof niet. Gesteld noch gebleken is dat BRB in deze een deskundig oordeel kan geven (voor de situatie in Nederland), terwijl er bovendien reden is te twijfelen aan de juistheid van die mededelingen. Immers, uit voormeld besprekingsverslag blijkt dat BRB er belang bij had dit standpunt in te nemen om claims van Atikem te weerspreken, nu zij nauw betrokken was bij de folder van VCS. Voorts is opvallend dat BRB tevens heeft verklaard dat zij zelf drie á vier maal per jaar folders verstuurt, wat weinig is als een folder maar vier weken effect heeft, en heeft aangeboden kosteloos 80.000 brieven met bijzondere kortingen ter beschikking te stellen aan Atikem, wat onnodig is als een folder maar vier weken effect heeft.

16. Onweersproken is dat Atikem op de produkten van BRB een prijsverhoging had doorgevoerd. Naar het oordeel van het hof mag worden aangenomen dat dit gegeven, op zichzelf bezien, een deel van het tegenvallend profijt van de 20.000 verzonden folders verklaart.

17. Het sub 14 tot en met 16 overwogene, in onderling verband en samenhang bezien, mede in aanmerking genomen dat er sprake is van een bewuste overtreding van het concurrentiebeding door [appellant], leidt tot het oordeel dat Atikem recht heeft op vergoeding van 75% van de kosten drukwerk en verzending voor de 20.000 verzonden folders, als zijnde nodeloos gemaakt.

18. Het hof komt dan toe aan de vraag of de kosten voor de 80.000 niet verzonden folders voor vergoeding in aanmerking komen. Het hof beantwoordt die vraag ontkennend. Immers, BRB was bereid om kosteloos 80.000 brieven met bijzondere kortingen aan Atikem ter beschikking te stellen en het ligt voor de hand aan te nemen dat het verzenden van de folders met die brieven wel zinvol is. Atikem heeft onvoldoende gesteld om op dit punt tot een ander oordeel te komen.

19. Tussen partijen is geen debat dat de kosten drukwerk en verzending respectievelijk

€ 8.532,-- en € 6.560,-- bedroegen. De kosten drukwerk zien op alle 100.000 folders. Daarvan komt, gezien hetgeen hiervoor is overwogen, (75% van 20.000/100.000 = ) 15% voor vergoeding in aanmerking, dat wil zeggen: afgerond een bedrag van € 1.280,--. De kosten verzending zien uitsluitend op de 20.000 verzonden folders, zodat 75% daarvan voor vergoeding in aanmerking komt, dat wil zeggen: afgerond een bedrag van € 4.920,--.

Omzetderving

20. Met de eerste grief wordt tevens geklaagd over het vaststellen van de schade wegens omzetderving. De rechtbank heeft de schade vastgesteld op basis van de door VCS genoten winst over de omzet van VCS bij klanten van Atikem, als zijnde de door Atikem gemiste winst, en deze op grond van de redelijkheid en billijkheid begroot op een bedrag van € 4.908,--.

21. Volgens [appellant] komt de schade op deze basis berekend, uitgaande van 20% winstmarge op de omzet, maximaal op een bedrag van € 3.200,--, namelijk berekend over de

€ 16.000,-- omzet van VCS. Het bedrag moet volgens [appellant] lager dan dat bedrag zijn, omdat het adressenbestand van VCS slechts een overlap met dat van Atikem kent van 5.000 adressen, en het maar zeer de vraag is of de omzet van VCS bij Atikem zou zijn gekomen als VCS haar folder niet had verstuurd. Als de schade wordt berekend aan de hand van de gerealiseerde omzet per folder, over de zowel door VCS als Atikem verstuurde folders, berekend over bedoelde 5.000 adressen, komt de schade ook veel lager uit dan de toegekende vergoeding, aldus [appellant].

22. Atikem heeft een en ander gemotiveerd betwist. Volgens Atikem dient de schade te worden vastgesteld aan de hand van de terugval in omzet over de periode oktober 2005 tot

1 mei 2006, ten opzichte van de periode eind september 2004 tot eind september 2005. Atikem kan zich vinden in een totale schadevergoeding (kosten drukwerk en verzending en omzetderving) van € 20.000,--.

23. Het hof is van oordeel dat er onvoldoende aanknoping is de schade te begroten aan de hand van de terugval in omzet van Atikem in de hiervoor sub 22. genoemde periode. Er is niet aangetoond dat die terugval volledig het gevolg is van de schending van het concurrentiebeding door [appellant]. Zo kan ook de sub 16. genoemde prijsverhoging door Atikem een negatief effect hebben gehad op de omzet. Evenmin is de mate waarin de schending van het concurrentiebeding debet is aan de terugval in omzet, vast te stellen. Daartoe is onvoldoende door Atikem gesteld. Het ligt voorts voor de hand dat het vertrek van [appellant] en het niet versturen van de 80.000 folders (zie hiervoor sub 18.) aan de terugval in omzet in niet verwaarloosbare mate hebben bijgedragen. Het hof is van oordeel dat de schade aan de hand van de door VCS genoten winst, zijnde de door Atikem gemiste winst, dient te worden begroot.

24. Het hof begroot de omzetschade schattenderwijs, omdat de omvang van de schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld (artikel 6: 97 BW), op € 13.800,--. Daarbij neemt het hof de volgende omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, in aanmerking.

- Het hof gaat uit van een winstmarge van 20% over de door VCS behaalde omzet. Dit door [appellant] genoemde percentage is door Atikem niet gemotiveerd betwist.

- Het hof rekent met de door [appellant] genoemde omzet van € 16.000,-- bij Atikemklanten over 30.000 folders, nu dit bedrag aan omzet evenmin gemotiveerd door Atikem is betwist. 20% over € 16.000,-- resulteert in een bedrag aan winst van

€ 3.200,--. De winstderving van Atikem ziet echter niet alleen op eigen klanten, maar ook op potentiële klanten. Het hof neemt tevens tot uitgangspunt dat van de 30.000 adressen er 5.000 adressen betrekking hebben op Atikemklanten. Deze door [appellant] gesteld “overlap” is door Atikem onvoldoende gemotiveerd betwist. Indien de op deze 5.000 klanten behaalde omzet van € 16.000,--wordt geëxtrapoleerd naar 30.000 klanten, zou dat resulteren in een omzet van € 96.000,-- en een winst van € 19.200,--.

- Niet is gezegd dat Atikem een gelijke omzet als VCS had kunnen realiseren. De sub 16. genoemde prijsverhoging door Atikem pleit daartegen.

- Atikem heeft bij memorie van antwoord verklaard zich neer te leggen bij een totale schadevergoeding (nodeloos gemaakte kosten en omzetderving) van € 20.000,--.

25. Het voorgaande en de devolutieve werking van het hoger beroep leiden ertoe dat Atikem recht heeft op een schadevergoeding van in totaal € 20.000,--. De rechtbank heeft dit bedrag toegewezen, zodat de eerste grief faalt.

26. Het bewijsaanbod van [appellant] bij memorie van antwoord sub 18. wordt verworpen omdat het niet (langer) relevant is, nu het hof het te bewijzen feit als vaststaand heeft aangenomen. Het algemene bewijsaanbod van [appellant] wordt verworpen omdat het niet voldoet aan de daaraan in hoger beroep te stellen eisen.

27. De derde grief richt zich tegen de beslissingen (i) om [appellant] te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van € 20.000,-- , (ii) om de gevorderde vernietiging van het concurrentiebeding af te wijzen en (iii) [appellant] in de proceskosten te veroordelen. De grief mist zelfstandige betekenis in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen, zodat deze niet afzonderlijk behoeft te worden besproken.

28. Het voorgaande betekent dat zowel het beroep tegen het vonnis in conventie als tegen het vonnis in reconventie faalt. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het hoger beroep worden veroordeeld.

Beslissing

- bekrachtigt het tussen partijen in conventie en reconventie gewezen vonnis van de rechtbank ’s-Gravenhage, sector kanton, locatie Alphen aan den Rijn, van

14 november 2006;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van Atikem tot op heden begroot op € 251,-- aan verschotten en € 894,-- aan salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.S. van Coevorden , M.H. van Coeverden en M.C. van Dijk en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 maart 2009 in aanwezigheid van de griffier.