Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BI3533

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-05-2009
Datum publicatie
12-05-2009
Zaaknummer
22-006117-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gedragsbeïnvloedende maatregel en onvoorwaardelijke jeugddetentie

De verdachte heeft tijdens Koninginnenacht 2008 het slachtoffer dodelijk letsel toegebracht door hem met een hamer op het hoofd te slaan.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat het jeugdstrafrecht dient te worden toegepast en dat een geheel onvoorwaardelijke jeugddetentie van maximale duur in combinatie met de gedragsbeïnvloedende maatregel een passende en geboden reactie vormt. Tevens is de maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2009, 171
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-006117-08

Parketnummer(s): 12-715205-08 en 12-707068-08

Datum uitspraak: 12 mei 2009

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Middelburg van 19 november 2008 in de strafzaak tegen de verdachte:

[de verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1992,

[adres],

thans verblijvende in Rijksinrichting voor Jongens [naam inrichting].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 21 en 28 april 2009.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

primair

Hij op of omstreeks 30 april 2008 te [gemeente], opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans met dat opzet, [het slachtoffer] met een hamer, in elk geval met een hard en/of zwaar voorwerp op/tegen het hoofd geslagen, tengevolge waarvan [het slachtoffer] ernstige hersenschade heeft opgelopen en daaraan op 2 mei 2008 is overleden;

Subsidiair

Hij op of omstreeks 30 april 2008 te [gemeente], aan [het slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel (ernstige hersenschade) heeft toegebracht, door [het slachtoffer] opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk, met een hamer, in elk geval met een hard en/of zwaar voorwerp op/tegen het hoofd te slaan, terwijl het feit de dood van [het slachtoffer] tengevolge heeft gehad;

2.

Hij op of omstreeks 27 april 2008 te [gemeente], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een knal-apparaat, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s).

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van de onder 1 impliciet primair tenlastegelegde moord vrijgesproken en ter zake van de onder 1 impliciet subsidiair tenlastegelegde doodslag en het onder 2 tenlastegelegde veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest, met beslissing omtrent het beslag als nader omschreven in het vonnis.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Beoordeling van het bewijs

Standpunten advocaat-generaal en verdediging

Ter terechtzitting in hoger beroep van 21 april 2009 is gebleken dat zowel de advocaat-generaal als de verdediging van mening zijn dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 2 tenlastegelegde diefstal in vereniging.

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde komen de visies niet overeen. De advocaat-generaal heeft ten aanzien van feit 1 geconcludeerd tot veroordeling van de verdachte ter zake van moord. Hij heeft daartoe – op gronden zoals in zijn op schrift gestelde requisitoiraantekeningen omschreven – betoogd dat er bij de verdachte sprake was van voorbedachte rade en opzet op de dood van het slachtoffer.

De verdediging heeft betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de impliciet primair tenlastegelegde moord, de impliciet subsidiair tenlastegelegde doodslag en de subsidiair tenlastegelegde zware mishandeling met voorbedachte rade en heeft daartoe aangevoerd – op gronden zoals nader in de schriftelijke pleitnota verwoord – dat er geen sprake was van voorbedachte rade en evenmin van (voorwaardelijk) opzet op de dood van het slachtoffer. De verdediging komt tot de conclusie dat het feit gekwalificeerd dient te worden als zware mishandeling.

Het hof

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en het strafdossier staat naar het oordeel van het hof het volgende vast.

Op 27 april 2008 heeft de verdachte samen met anderen een knalapparaat van [aangever] gestolen van diens land te [gemeente]1. De onder 2 tenlastegelegde diefstal in vereniging is gelet op de hieronder aangeduide bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen.

Het gestolen knalapparaat is gebruikt tijdens Koninginnenacht 2008 toen vele jongeren samen kwamen in de straten en op het Plein in [gemeente]. Die avond en nacht is er gebarbecued en werd door sommige jongeren veel alcohol gedronken. Door jongeren is geschoten met het knalapparaat en met carbid. Tevens zijn ruiten van een muziektent kapot geslagen, is er gegooid met verkeersborden en is een band van een politie-auto lek gestoken. De verdachte heeft samen met vrienden een vuurtje gestookt in een olievat. Daarbij is een hamer gebruikt om houten pallets kapot te slaan die zouden dienen als brandhout2. De politie is door de jongeren uitgedaagd3. Het latere slachtoffer heeft geprobeerd te bemiddelen tussen de jongeren en de politie. Uiteindelijk heeft de politie, nadat diverse bevelen genegeerd waren, ingegrepen en daarbij gebruik gemaakt van de wapenstok. Desondanks bleven die nacht de jongeren onder wie de verdachte onrustig door [gemeente] struinen4.

Rond 3.00 uur ’s nachts op (inmiddels) 30 april 2008, bevond de verdachte zich met een aantal anderen op het Plein in [gemeente]. Zij zien daar [het slachtoffer] weer. De jongeren denken dat hij hen staat te filmen. Eén van de jongeren is naar [het slachtoffer] toegelopen en heeft hem een klap gegeven. Daarna loopt de verdachte naar het slachtoffer. In een korte tijdspanne komt de verdachte aan bij het slachtoffer, geeft de verdachte het slachtoffer één harde klap op het hoofd met een hamer en loopt de verdachte bij het slachtoffer vandaan5. De beveiligingscamera registreert een tijdsverloop van vier seconden6. De hamer is niet meer teruggevonden, maar gelet op de verklaringen van [getuige 6], [getuige 7] en de verdachte heeft de verdachte geslagen met de hamer die eerder gebruikt was voor het kapot slaan van de pallets en ging het om een klauwhamer of een muurhamer van ongeveer 450-750 gram7.

De verdachte is even weggelopen, maar is daarna onmiddellijk terug gegaan naar de plaats van het delict en heeft 112 gebeld8. In het ziekenhuis is bij het slachtoffer zeer ernstig hersenletsel vastgesteld.9 De klap met de hamer heeft het slachtoffer vol op de schedel geraakt en aan het letsel dat daardoor is ontstaan is het slachtoffer op 2 mei 2008 overleden10.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 21 april 2009 verklaard dat hij die avond superdronken was en boos omdat hij klappen had gehad van de politie. Tevens waren hij en andere jongeren boos op het slachtoffer omdat ze dachten dat hij hen stond te filmen en dat hij hen verraden had bij de politie. Dit is ook verklaard door onder andere [getuige 5]11. De verdachte heeft verklaard dat hij door de combinatie van al deze omstandigheden en in een impuls heeft gehandeld. De verdachte verklaart zonder te weten waarom en zonder verder na te denken de hamer te hebben gepakt en daarmee op het hoofd van het slachtoffer te hebben geslagen. Pas na de klap besefte hij eigenlijk wat hij had gedaan en heeft hij diverse malen aan zichzelf en aan anderen gevraagd: “Wat heb ik gedaan?”12.

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde staat naar ’s hofs oordeel gelet op het bovenstaande vast dat door het handelen van de verdachte het slachtoffer om het leven is gebracht. De vraag is hoe dit handelen moet worden gekwalificeerd en dus ook of er sprake is van moord zoals door de advocaat-generaal gesteld is.

Het hof is van oordeel dat niet overtuigend vastgesteld kan worden dat de verdachte de hamer heeft meegenomen en speciaal heeft gepakt om het slachtoffer te doden. De verdachte heeft de hamer eerder op de avond ook gebruikt, maar heeft de hamer daarna een tijdje niet bij zich gehad. Uit de bewijsmiddelen volgt naar ’s hofs oordeel dat er tussen het moment waarop het slachtoffer door een andere jongen is geslagen en het moment waarop de verdachte het slachtoffer de klap met de hamer geeft, slechts enkele seconden zijn verstreken. Gedurende deze enkele seconden heeft de verdachte de afstand overbrugd van ongeveer 25 meter die er naar schatting was tussen hem en het latere slachtoffer en heeft hij de hamer tevoorschijn gehaald die hij in zijn mouw bij zich droeg13. Naar ’s hofs oordeel heeft de verdachte derhalve niet de tijd gehad om na te denken en zich rekenschap te geven van zijn handelen. De verdachte voelde zich gefrustreerd en opgefokt door de omstandigheden van de avond en heeft zich als het ware opgeladen met woede, die in een opwelling tot uitbarsting is gekomen in de ondoordachte klap met de hamer toen hij het slachtoffer meende te zien filmen. Alles bijeen genomen is er naar het oordeel van het hof onder deze omstandigheden in dit geval sprake van een onmiddellijke gemoedsbeweging waarin de verdachte heeft gehandeld en kan er niet gesproken worden van kalm beraad en rustig overleg. Derhalve is het hof met de rechtbank van oordeel dat de impliciet primaire tenlastegelegde moord niet bewezen kan worden geacht en behoort de verdachte daarvan te worden vrijgesproken.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat wel wettig en overtuigend bewezen kan worden de impliciet subsidiair tenlasteglegde doodslag. Het hof merkt daarbij op dat de verdachte in dit geval opzet heeft gehad op het doden van het slachtoffer in de zin van voorwaardelijk opzet. Het hof overweegt daartoe dat de verdachte door een hamer ter hand te nemen en daarmee hard op het hoofd van het slachtoffer te slaan willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij het slachtoffer dodelijk letsel zou toebrengen. Het is immers algemeen bekend dat door een klap met een hamer op het hoofd dodelijk letsel kan worden toegebracht.

Bewezenverklaring

Het hof acht, op grond van de feiten en omstandigheden als vervat in de bovenvermelde gebezigde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

Hij op 30 april 2008 te [gemeente], opzettelijk [het slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet [het slachtoffer] met een hamer op het hoofd geslagen, tengevolge waarvan [het slachtoffer] ernstige hersenschade heeft opgelopen en daaraan op 2 mei 2008 is overleden;

2.

Hij op 27 april 2008 te [gemeente], tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een knalapparaat, toebehorende aan [aangever].

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1 impliciet subsidiair bewezenverklaarde:

doodslag;

ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

diefstal door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het openbaar ministerie heeft geconcludeerd tot toepassing van het volwassenenstrafrecht ex artikel 77b van het Wetboek van Strafrecht, gelet op de ernst van het onder 1 tenlastegelegde feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De advocaat-generaal heeft derhalve gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en primair dat de verdachte ter zake van de onder 1 primair tenlastegelegde moord en het onder 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en de bijzondere voorwaarde van begeleiding door de jeugdreclassering. Subsidiair heeft de advocaat-generaal met toepassing van het jeugdstrafrecht gevorderd dat de verdachte jeugddetentie voor de duur van 24 maanden en de maatregel van Plaatsing in een Justitiële Jeugdinrichting opgelegd zal worden. Meer subsidiair heeft hij gevorderd dat de verdachte jeugddetentie voor de duur van 24 maanden en de gedragsbeïnvloedende maatregel voor de duur van 1 jaar zal worden opgelegd.

De verdediging heeft, op gronden als nader in de schriftelijke pleitnota vermeld, toepassing van het jeugdstrafrecht bepleit, met name gelet op de persoon van de verdachte. Door de verdediging is oplegging bepleit van jeugddetentie voor de duur van 2 jaren, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met bijzondere voorwaarden. Subsidiair is bepleit de verdachte te veroordelen tot jeugddetentie in combinatie met de gedragsbeïnvloedende maatregel voor de duur van 1 jaar, te vervangen door jeugddetentie voor de duur van 6 maanden. Voor zover het hof besluit tot toepassing van het volwassenenstrafrecht, is verzocht om bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf rekening te houden met de jeugdige leeftijd van de verdachte en is voorgesteld om een deel voorwaardelijk op te leggen met als bijzondere voorwaarde toezicht door de jeugdreclassering. Daarbij is verzocht rekening te houden met de gevolgen van de nieuwe VI-regeling bij een deels voorwaardelijke straf.

Het hof heeft het toepasselijke strafrecht (volwassenenstrafrecht of jeugdstrafrecht) en de op te leggen sanctie bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij overweegt het hof als volgt.

Het uitgangspunt is dat een minderjarige berecht wordt volgens het jeugdstrafrecht. Op grond van artikel 77b van het Wetboek van Strafrecht kan hiervan worden afgeweken indien de verdachte 16 tot 18 jaar oud was ten tijde van het plegen van het delict en daartoe gronden gevonden worden in de ernst van het feit of de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan. De wet beperkt deze omstandigheden niet tot de situatie waarin minder- en meerderjarigen tezamen een strafbaar feit plegen. Een dergelijke restrictieve uitleg zoals door de verdediging voorgestaan vindt naar ’s hofs oordeel geen steun in de het recht.

De verdachte heeft tijdens Koninginnenacht 2008 [het slachtoffer] dodelijk letsel toegebracht door hem met een hamer op het hoofd te slaan. Dit schokkende en voor niemand te begrijpen feit heeft plaatsgevonden in de context van naar het oordeel van het hof onaanvaardbaar relgedrag dat door de verdachte en andere jongeren die nacht is vertoond, waarbij grote hoeveelheden drank zijn genuttigd, de politie is uitgedaagd en bevelen van de politie om zich te verwijderen door de jongeren zijn genegeerd. De verdachte heeft zich grenzeloos door zijn onterechte boosheid laten meeslepen en daarmee onnoembaar veel leed berokkend aan de nabestaanden van het slachtoffer, die de gevolgen van zijn daad nog dagelijks ondervinden. Het hof vindt het indrukwekkend en bijzonder achtenswaardig dat de weduwe van het slachtoffer zich tot op heden begripvol heeft opgesteld jegens de verdachte en niet van wraak of vergelding wil weten.

Van de bewezenverklaarde feiten rechtvaardigt met name feit 1 vanwege de ernst en de gevolgen een zeer forse straf. Het hof ziet evenwel geen gronden voor toepassing van het volwassenenstrafrecht om de volgende redenen in onderlinge samenhang bezien.

1. De verdachte was ten tijde van het feit net een maand 16 jaar oud en gedraagt zich ook blijkens de hierna te bespreken rapportages in alle opzichten conform zijn kalenderleeftijd.

2. De verdachte was tot de onderhavige feiten niet eerder voor strafbare feiten veroordeeld. De verdachte kent geen voorgeschiedenis van geweld, wel van baldadig gedrag.

3. Het onder 1 bewezenverklaarde feit is evident zeer ernstig en behoort op geen enkele wijze gebagatelliseerd worden, maar komt ontdaan van alles er om heen neer op één niet te begrijpen gewelddadige en fatale klap, zonder daaraan voorafgaand plan. De verdachte heeft in zijn benevelde toestand zich dadelijk daarna afgevraagd wat hij had aangericht en zelf direct 112 gebeld.

4. Het hof heeft acht geslagen op hetgeen door de deskundigen naar voren is gebracht:

Psychiatrisch rapport d.d. 17 oktober 2008, opgesteld door dr. A.J.W.M. Trompenaars, psychiater, inhoudende, zakelijk weergegeven:

[de verdachte], geboren op [geboortedag] 1992 te [geboorteplaats], is niet lijdende aan een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, ook niet ten tijde van het tenlastegelegde. Wel was er sprake van fors overmatig gebruik van alcohol door [de verdachte]. Ten aanzien hiervan geldt de regel culpa in causa: [de verdachte] was bekend met het gebruik van alcohol en kon dus weet hebben van de effecten die het gebruik van alcohol op zijn handelen konden hebben. Het verdient aanbeveling dat [de verdachte] behandeling krijgt aangeboden waarbij met hem wordt ingegaan op de gevolgen van overmatig gebruiken van alcohol in combinatie met de druk die er vanuit een groep op hem wordt uitgeoefend. Verder is het van belang dat [de verdachte] adequate begeleiding krijgt wanneer hij gaat terugkeren in de maatschappij. Rapporteur heeft tijdens het onderzoek géén argumenten gevonden die aanleiding zouden kunnen geven om op [de verdachte] het meerderjarigenstrafrecht toe te passen. Hij is een jongen van 16 jaar die zich conform zijn leeftijd ontwikkelt en gedraagt, wat zich onder andere manifesteert in de vorm van het deel uitmaken van een hanggroep en het vertonen van het daarmee samenhangende gedrag. Dit uit zich bijvoorbeeld in de vorm van periodiek veel drinken, samen softdrugs gebruiken, carbid-schieten, herrie en overlast veroorzaken.

Dr. Trompenaars komt in zijn aanvullend rapport d.d. 15 april 2009 tot nagenoeg dezelfde conclusies. Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 21 april 2009 heeft de deskundige tot slot medegedeeld dat behandeling nodig is en wel in een verplicht kader ook ter bescherming van de verdachte zelf. Het gaat om behandeling in verband met alcoholgebruik, het omgaan met groepsdruk en resocialisatie na detentie. Dit laatste is van belang omdat er vanuit gegaan moet worden dat hij niet terug kan keren naar [gemeente]. Het zou goed zijn als hij eerst leert denken en dan doen om zijn impulsiviteit aan te pakken.

Rapport d.d. 27 augustus 2008 opgesteld door drs. I.J.G.P. Neissen, forensisch en gz-psycholoog, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Er is bij [de verdachte], geboren op [geboortedag] 1992 in [geboorteplaats], geen sprake van een ziekelijke stoornis dan wel van een gebrekkige ontwikkeling. Het tenlastegelegde is [de verdachte] volledig toe te rekenen. Hij is ‘volledig toerekeningsvatbaar’. Het tenlastegelegde lijkt te verklaren door een zeer slechte en dramatische samenloop van omstandigheden: te veel alcohol, het gedrag van de groep, de traditionele Koninginnenacht die gepaard gaat met veel drinken en letterlijk in vereniging herrie maken en lawaai schoppen, het optreden van de politie wat verkeerd viel bij [de verdachte] en de naar het lijkt, impulsieve reactie om het slachtoffer te slaan, waarbij er een hamer “voor het pakken viel”. De opvoedings-omstandigheden en mogelijkheden van ouders lijken adequaat. Voor zowel de invloed van de normen en waarden van de peergroup als het middelengebruik dient aandacht te zijn om zodoende de ontwikkeling van [de verdachte] gunstig te blijven laten verlopen. Een sociale vaardigheidstraining gericht op alcohol en groepsdruk zou geïndiceerd zijn. Er zijn ook protectieve factoren aanwezig die de ontwikkeling van de verdachte gunstig beïnvloeden. Op basis hiervan wordt de kans op recidive laag ingeschat. Bij terugkeer in de samenleving dient aandacht te zijn voor de invloed van de reactie van anderen op [de verdachte], de groep waarin hij verkeert en de algemene gemoedstoestand. Deze begeleiding dient plaats te vinden in het kader van een verplicht toezicht door de reclassering. Er zijn onvoldoende aanwijzingen die aanleiding geven om het strafrecht voor volwassenen toe te passen.

Drs. Neissen komt in haar aanvullend rapport d.d. 14 april 2009 tot nagenoeg dezelfde conclusies.

Rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: Raad) d.d. 3 november 2008, opgemaakt door M.K. Dekkers en C.M.J. Vandenbooren, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Diverse factoren zijn van invloed geweest op het plegen van het delict door [de verdachte], geboren [geboortedag] 1992 te [geboorteplaats]: overmatig drankgebruik, escalatie tussen politie en jongeren, het op willen komen voor zijn vriend. De klap met de hamer lijkt een impulsieve daad te zijn geweest. De Raad acht de kans op recidive klein, mede omdat [de verdachte] zich leeftijdsadequaat ontwikkelt, er geen persoonlijkheidsstoornissen zijn geconstateerd en er beschermende factoren zijn. Een PIJ-maatregel is overwogen, maar de Raad is van mening dat een dergelijke behandeling niet geïndiceerd is. De Raad acht jeugddetentie het meest geïndiceerd. De Raad acht het wenselijk dat er aandacht wordt besteed aan de invloed van vrienden en zijn middelengebruik. Hierbij kan gedacht worden aan een Sociale Vaardigheidstraining. De Raad acht het van groot belang dat er voor [de verdachte] een goed nazorgtraject wordt gecreëerd, waardoor zijn terugkeer in de maatschappij zo optimaal mogelijk verloopt. De (jeugd)reclassering zou de gelegenheid dienen te krijgen om binnen een juridisch kader begeleiding te kunnen (blijven) geven aan [de verdachte].

De Raad komt in een aanvullend rapport d.d. 16 april 2009 tot nagenoeg dezelfde conclusies, met de aanvulling dat de Raad de zorg heeft, dat als de verdachte volgens het volwassenstrafrecht zou worden berecht, hij gedemotiveerd zou kunnen raken om positieve toekomstplannen te maken en hij mogelijk ook depressieve symptomen zal ontwikkelen. Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 21 april 2009 heeft de Raad tot slot geadviseerd tot oplegging van de gedragsbeïnvloedende maatregel. Het advies is ondertekend door C.M.J. Vandenbooren en houdt een programma in voor het geval het hof zou komen tot het opleggen van de gedragsbeïnvloedende maatregel.

Naast bovengenoemde rapportages heeft het hof acht geslagen op het Milieurapport d.d. 14 oktober 2008, opgesteld door mw. A.C.M. Akkermans, de briefrapportage van Bureau Jeugdzorg d.d. 30 oktober 2008, de briefrapportage d.d. 12 mei 2008 opgesteld door dr. drs. L.E.E. Ligthart en de briefrapportage van de Raad d.d. 2 mei 2008, opgesteld door M.K. Dekkers en C.M.J. Vandenbooren.

Het is mede op grond van bovenvermelde rapportages dat het hof van oordeel is dat de verdachte een enerzijds normale en volledig toerekeningsvatbare jongen is die evenwel anderzijds in een opwelling een niet te begrijpen agressieve handeling heeft verricht. Het hof is met de deskundigen van oordeel dat de verdachte op een aantal punten begeleiding behoeft, zoals ten aanzien van zijn middelengebruik en groepsdruk, maar met name ook begeleiding nodig heeft bij de terugkeer in de samenleving. Tevens blijkt dat geen van de deskundigen toepassing van het volwassenenstrafrecht geïndiceerd acht.

5. Het jeugdstrafrecht biedt de rechter thans vele mogelijkheden wat betreft op te leggen straffen en maatregelen, waardoor een sanctie opgelegd kan worden die enerzijds geen afbreuk doet aan de ernst van het feit, maar anderzijds wel aansluit bij de persoon van de jeugdige verdachte. Het hof wijst in dit kader op de ook ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 21 april 2009 uitgebreid aan de orde gekomen toepassing van de gedragsbeïnvloedende maatregel ex artikel 77w van het Wetboek van Strafrecht, ten aanzien waarvan de Raad ter terechtzitting een mogelijk programma heeft overgelegd, welke de gedragsdeskundigen blijkens hun verklaringen ter terechtzitting ondersteunen. De deskundigen adviseren ook tot oplegging van de gedragsbeïnvloedende maatregel indien het hof zou besluiten het jeugdstrafrecht toe te passen.

Gelet op de onder 1 tot en met 5 genoemde aspecten in onderlinge samenhang en verband bezien acht het hof in het onderhavige geval alles afwegende geen gronden aanwezig voor toepassing van het volwassenenstrafrecht. Het hof overweegt dat een combinatie van de maximale jeugddetentie enerzijds met de qua tijdsduur maximaal op te leggen gedragsbeïnvloedende maatregel anderzijds een combinatie van straf en een maatregel oplevert, die qua zwaarte “netto” nauwelijks onderdoet voor de primair gevorderde straf door de advocaat-generaal, maar daarnaast ook recht doet aan de ernst van de feiten en de persoon van de verdachte. Opgemerkt wordt ook dat de gedragsbeïnvloedende maatregel eventueel na ommekomst van één jaar met nog één jaar verlengd kan worden indien nodig. Het hof acht deze combinatie, die meer subsidiair ook is voorgestaan door de advocaat-generaal en subsidiair door de verdediging, passender dan de door de advocaat-generaal gevorderde combinatie van jeugddetentie en de maatregel van Plaatsing in een Jeugdinrichting nu noch uit de rapportages noch anderszins is gebleken dat deze maatregel voor de verdachte geïndiceerd is. Voor een deels voorwaardelijke jeugddetentie, zoals door de verdediging is betoogd, is geen ruimte gelet op de ernst van het feit en de in verhouding daartoe beperkte maximale duur van de op te leggen jeugddetentie.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat het jeugdstrafrecht dient te worden toegepast en dat een geheel onvoorwaardelijke jeugddetentie van maximale duur in combinatie met de gedragsbeïnvloedende maatregel een passende en geboden reactie vormt. Tevens is de maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte.

Beslag

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de onder 4, 5, 6, 8 en 9 genoemde voorwerpen op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen zullen worden teruggegeven aan de verdachte.

Ten aanzien van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen zoals deze vermeld zijn op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen zal het hof de teruggave gelasten aan verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 77a, 77g, 77h, 77i, 77w, 77wc, 77gg, 287, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte de onder 1 impliciet primair tenlastegelegde moord heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 impliciet subsidiair tenlastegelegde doodslag en het onder 2 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van

24 maanden.

Bepaalt, dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Legt aan de verdachte op de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige voor de duur van 12 maanden.

Bepaalt dat de maatregel zal bestaan uit:

* het volgen van de module Tools4U,

* het volgen van de module middelen en delict,

* het volgen van het scholings- en trainingsprogramma STP en/of

* het volgen van enig andere door de Jeugdreclassering nader te bepalen module of ander programma voor een verantwoorde terugkeer in de samenleving en het opvolgen van de (overige) aanwijzingen van de Jeugdreclassering

één en ander onder toezicht en begeleiding van de Jeugdreclassering, afdeling van Bureau Jeugdzorg.

Beveelt dat bij het niet naar behoren meewerken aan de tenuitvoerlegging van de maatregel deze wordt vervangen door jeugddetentie voor de duur van 12 maanden.

Gelast de teruggave van de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen genoemde voorwerpen onder 4, 5, 6, 8 en 9 aan verdachte.

Dit arrest is gewezen door mr. M.L.C.C. de Bruijn-Lückers, mr. R.C.A. Duindam en mr. J.A.C. Bartels, in bijzijn van de griffier mr. E.J.M. van der Laan.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 21 april 2009.

1 Tenzij anders vermeld zijn de in de noot genoemde processen-verbaal opgemaakt in wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en).

Een geschrift zijnde een niet gewaarmerkte foto-kopie van het proces-verbaal van aangifte d.d. 30 april 2008, nr. PL196D/08-040266 (p. 23), een geschrift zijnde een niet gewaarmerkte foto-kopie van het proces-verbaal van verhoor van [getuige 1] d.d. 20 juni 2008, nr. PL1900/08-040129 (p. 28) en de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 21 april 2009.

2 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 mei 2008, nr. PL195A/08-040129 (p. 103 ordner), proces-verbaal van verhoor van [getuige 2] d.d. 30 april 2008, nr. PL1900/08-040129 (p. 212 ordner), proces-verbaal van verhoor van [getuige 1] d.d. 2 mei 2008, nr. PL1900/08-040129 (p. 258 ordner) en de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 21 april 2009.

3 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 mei 2008, nr. PL195A/08-040129 (p. 103 ordner), proces-verbaal van verhoor van [getuige 1] d.d. 2 mei 2008, nr. PL1900/08-040129 (258), proces-verbaal van verhoor van [getuige 3] d.d. 2 mei 2008, nr. PL1900/08-040129(p. 276 ordner), een geschrift zijnde een niet gewaarmerkte foto-kopie van het proces-verbaal van verhoor van [getuige 4] d.d. 4 juni 2008, nr. PL 1900-08-040964 (p 32) en de verklaringen van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 6 november 2008 en hoger beroep d.d. 21 april 2009.

4 De verklaringen van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 6 november 2008 en in hoger beroep d.d. 21 april 2009 en het proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 mei 2008, nr. PL195A/08-040129 (p. 103 ordner).

5 Proces-verbaal van verhoor van [getuige 5] d.d. 1 mei 2008, nr. PL1900/08-040129 (p. 72 ordner), de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 21 april 2009 en proces-verbaal van verhoor van [getuige 1] d.d. 2 mei 2009 nr. PL1900/08-040129 (258), proces-verbaal van verhoor van {getuige 6] d.d. 1 mei 2008, nr. PL1900/08-040129 (p. 160 ordner).

6 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 april 2008, nr. PL1900/08-040129 (p. 124 ordner).

7 De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 21 april 2009, proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 mei 2008, nr. PL1900/08-040129 (p. 4), proces-verbaal van verhoor van de verdachte d.d. 5 juni 2008, nr. PL196D/08-040129 (p. 6), het proces-verbaal van verhoor van [getuige 1] d.d. 10 juni 2008, nr. PL1900/08-040129 (p. 12) en het proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 mei 2008, nr. PL1900/08-040129 (p. 225 ordner).

8 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 21 april 2009 en proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 mei 2008 (p. 145 ordner).

9 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 mei 2008, nr. PL1900/08-040129 (p. 135 ordner).

10 Geschrift zijnde een attest van overlijden d.d. 6 mei 2008 (p. 363 ordner), geschrift zijnde pathologisch rapport d.d. opgemaakt door A. Maes, patholoog, d.d. 3 mei 2008 (p. 367 ordner) en een deskundigenrapport opgemaakt en ondertekend door A. Maes d.d. 29 juli 2008.

11 Proces-verbaal van verhoor van [getuige 5] d.d. 1 mei 2008 (p. 73 ordner).

12 Verklaringen van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 6 november 2008 en ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 21 april 2009, proces-verbaal van verhoor van de verdachte d.d. 1 mei 2008, nr. PL1900/08-040129 (p. 34 ordner), proces-verbaal van verhoor [getuige 5] d.d. 2 mei 2008, nr. PL1933/08-040129 (p. 78 ordner).

13 Proces-verbaal van verhoor van [getuige 4] d.d. 1 mei 2008, nr. PL1900/08-040129 (p. 160 ordner) en geschrift zijnde plattegrond en foto van de plaats delict en de door de verdachte afgelegde route (p. 100 ordner).