Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BI3518

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-05-2009
Datum publicatie
11-05-2009
Zaaknummer
BK-08/00096
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2011:BL7975, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2011:BL7975
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Accijns van lichte minerale oliën. Artikel 71d van de Wet op de accijns. Vliegtuigbenzine. Plezierluchtvaartuig.

Uit de definitie van "plezierluchtvaartuig" in artikel 66, derde lid van de Wet op de accijns, volgt dat indien een vliegtuig door de eigenaar daarvan voor commerciële doeleinden wordt gebruikt, geen sprake is van een plezierluchtvaartuig. Nu tussen partijen vaststaat dat belanghebbende het vliegtuig op commerciële basis verhuurt, is te dezen sprake van gebruik door de eigenaar voor commerciële doeleinden. Het vliegtuig is mitsdien ter zake van die verhuur niet te duiden als plezierluchtvaartuig. Nu tevens vaststaat dat de administratie van belanghebbende voldoende gegevens bevat om te kunnen vaststellen dat sprake was van verhuur en dat deze verhuur een commercieel karakter had, en belanghebbende – naar niet in geschil is – ook overigens heeft voldaan aan de voorwaarden van artikel 35f van de Uitvoeringsregeling accijns, had zij recht op de verleende teruggaven van accijns. De naheffingsaanslag is derhalve ten onrechte opgelegd.

De boete is eveneens ten onrechte opgelegd, allereerst omdat de naheffingsaanslag niet in stand blijft. Bovendien is de boete ten onrechte opgelegd omdat omtrent de onderwerpelijke wettelijke bepalingen – zoals blijkt reeds uit deze zaak – zoveel ruimte voor discussie laten omtrent de uitleg en de toepassing ervan, dat belanghebbende geen verwijt treft indien zij hieromtrent een ander, pleitbaar standpunt inneemt dan de Inspecteur, zou het standpunt van de Inspecteur al juist zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2009-1110
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-08/00096

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer d.d. 1 mei 2009

op het hoger beroep van de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst Douane Rotterdam (hierna: de Inspecteur), tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 31 januari 2008, nr. AWB 06/10166, betreffende na te noemen aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X BV, statutair gevestigd te Z (hierna: belanghebbende), opgelegde naheffingsaanslag en boete.

1. Naheffingsaanslag, boete, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1 De Inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de accijns van minerale oliën opgelegd over het tijdvak van 1 januari 2003 tot en met 31 december 2004 ten bedrage van € 4.666. In dit bedrag is energiebelasting en voorraadheffing begrepen.

1.2 Voorts heeft de Inspecteur bij beschikking op de voet van de artikelen 67f en 67g, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een boete aan belanghebbende opgelegd van € 1.166.

1.3 Het aanslagbiljet waaruit van de naheffingsaanslag en de boetebeschikking blijkt, is gedagtekend 5 juli 2006.

1.4 Bij twee in één geschrift, gedagtekend 14 november 2006, vervatte uitspraken heeft de Inspecteur de bezwaren van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag en de boete afgewezen.

1.5 Belanghebbende heeft tegen de uitspraken van de Inspecteur beroep bij de rechtbank ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 281. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar, de naheffingsaanslag en de boetebeschikking vernietigd en de Staat gelast het griffierecht van € 281 aan belanghebbende te vergoeden.

2. Loop van het geding in hoger beroep

2.1 De Inspecteur is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

2.2 De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 20 maart 2009, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

3. Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, in hoger beroep het volgende komen vast te staan:

3.1 Belanghebbende is eigenaresse van een vliegtuig van het type Piper PA-28R-201T (hierna: het vliegtuig). Het vliegtuig is op naam van belanghebbende als [kenteken] geregistreerd in het register voor burgerluchtvaartuigen, bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, van de Wet luchtvaart met als registratie [kenteken]. Het vliegtuig is gestationeerd op het vliegveld Zestienhoven te Rotterdam.

3.2 Het vliegtuig wordt door belanghebbende verhuurd tegen een tarief naargelang van de in de huurperiode feitelijk gevlogen tijd. De brandstofkosten zijn in de huurprijs begrepen. Belanghebbende brengt de huurprijs bij factuur aan de desbetreffende huurders in rekening. De kosten van brandstof die een huurder zelf heeft betaald, komen in mindering op de huurprijs. De verhuur heeft een commercieel karakter.

3.3 Belanghebbende heeft over elk kwartaal van het naheffingstijdvak een verzoek ingediend om teruggave van accijns als bedoeld in artikel 71d, eerste lid, van de Wet op de accijns (hierna: de Wet). De in totaal acht verzoeken hebben betrekking op de accijns (inclusief energiebelasting en voorraadheffing) die was begrepen in aan belanghebbende (of haar huurders) in rekening gebrachte bedragen voor in Nederland in de brandstoftanks van het vliegtuig afgeleverde Aviation Gasoline (AV-Gas 100 Low Lead), een lichte minerale olie. De brandstof is gebruikt voor de voortstuwing van het vliegtuig. De acht verzoeken strekten tot teruggave van in totaal € 4.666 aan accijns, aan welke verzoeken de Inspecteur gevolg heeft gegeven.

3.4.1 Voor elk van de verzoeken heeft belanghebbende gebruik gemaakt van een formulier van de Belastingdienst Douane met het jaartal en de aanduiding

Verzoek om teruggaaf

Heffingen op bepaalde minerale

oliën commerciële luchtvaart

Voor Nederlandse ondernemers.

Op dit formulier is verwezen naar een toelichting.

3.4.2 De toelichting luidt, voor zover thans van belang –:

"Als u andere minerale olie dan halfzware olie (kerosine / jetfuel) hebt gebruikt als motorbrandstof voor de voortstuwing van een luchtvaartuig, anders dan een plezierluchtvaartuig, kunt u met dit formulier overeenkomstig artikel 35f van de Uitvoeringsregeling accijns om teruggaaf vragen van de betaalde accijns. In bepaalde gevallen worden naast of in plaats van accijns, energiebelasting en voorraadheffing geheven over minerale oliën. Ook voor deze belastingen en heffing kunt u in voorkomende gevallen om teruggaaf vragen met dit formulier.

(…)

Plezierluchtvaartuigen zijn van de teruggaafregeling uitgesloten. Dit betekent dat alleen bij commercieel gebruik van een luchtvaartuig teruggaaf van belasting over de minerale olie die voor een vlucht is gebruikt, mag worden gevraagd. Dit betekent dat als u 100 liter heeft getankt, waarvan 60 liter voor een commerciële vlucht is gebruikt en 40 liter voor een andersoortige vlucht, u slechts over 60 liter teruggaaf mag vragen. Het doel waarmee wordt gevlogen, bepaalt of sprake is van commercieel gebruik van een luchtvaartuig. Dit is het geval als met een luchtvaartuig personen of goederen worden vervoerd of diensten worden geleverd tegen een reële vergoeding. (…)

U moet desgevraagd aan kunnen tonen dat het verzoek gaat om commercieel gebruik van het luchtvaartuig. Uw administratie moet zodanig zijn ingericht, dat daaruit op overzichtelijke wijze per luchtvaartuig blijkt dat de vlucht waarvoor de minerale olie is gebruikt geldt als een commerciële vlucht.

(…)

Bij het verzoek moet u steeds kopieën van de aankoopfacturen van de minerale oliën overleggen. Voorzie de aankoopfacturen vooraf van het registratienummer van het luchtvaartuig (…). Vermeld op deze bijlagen ook uw naam en fi-nummer.

(…)"

3.5 Op 1 september 2005 heeft de Inspecteur bij belanghebbende een onderzoek ingesteld naar "de juistheid van de ingediende verzoeken om teruggaaf accijns minerale oliën commerciële luchtvaart". Van dit onderzoek is op 9 mei 2006 een rapport uitgebracht dat in kopie tot de gedingstukken behoort. Op basis van de bevindingen van dit onderzoek heeft de Inspecteur belanghebbende de onderhavige naheffingsaanslag ten bedrage van € 4.666 en heeft hij bij beschikking een vergrijpboete ten bedrage van € 1.166 opgelegd.

4. Regelgeving betreffende teruggave van accijns van lichte minerale olie van be

4.1 Artikel 66, derde lid, in de voor het naheffingstijdvak geldende tekst van de Wet, luidt – voor zover thans van belang –:

3. Voor de toepassing van deze wet en de daarop gebaseerde regelingen wordt verstaan onder een plezierluchtvaartuig: een luchtvaartuig dat wordt gebruikt door de eigenaar daarvan of door de natuurlijke of rechtspersoon die het gebruik daarvan geniet door huur of anderszins, voor andere dan commerciële doeleinden en met name voor andere doeleinden dan voor het vervoer van personen of goederen of voor het verrichten van diensten onder bezwarende titel, dan wel ten behoeve van overheidsinstanties.

4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.

4.2 Artikel 71d van de Wet luidt, voor zover thans van belang:

1. Op verzoek wordt teruggaaf van accijns verleend voor andere minerale oliën dan halfzware olie als bedoeld in GN-code [2003: 2710 00 51; 2004: 2710 00 51], indien die olie is afgeleverd in de brandstoftanks van en is gebruikt voor de voortstuwing van luchtvaartuigen, andere dan plezierluchtvaartuigen.

2. De teruggaaf wordt verleend aan degene op wiens naam het luchtvaartuig is geregistreerd in het register voor burgerluchtvaartuigen, bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, van de Wet luchtvaart. Ingeval teruggaaf wordt verzocht voor een in het buitenland geregistreerd luchtvaartuig, wordt deze verleend aan de eigenaar van dit luchtvaartuig dan wel aan degene die daartoe door deze is gemachtigd.

3. Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorwaarden en beperkingen worden gesteld ter uitvoering van de teruggaaf en kan in bij die regeling aangewezen gevallen een ander dan de in het tweede lid bedoelde persoon worden aangewezen als degene aan wie de teruggaaf wordt verleend.

4.3 Artikel 35f van de Uitvoeringsregeling accijns (tekst 2003 en 2004) luidt:

1. Het verzoek om teruggaaf als bedoeld in artikel 71d van de wet bevat de volgende gegevens:

a. naam en adres van degene die het verzoek om teruggaaf doet;

b. per luchtvaartuig waarop het verzoek om teruggaaf betrekking heeft de typeaanduiding en het registratienummer;

c. per luchtvaartuig, onder vermelding van het registratienummer, de soort en de hoeveelheid minerale oliën waarvoor teruggaaf wordt gevraagd;

d. per soort minerale olie de totale hoeveelheid en het bedrag waarvoor teruggaaf wordt gevraagd; en

e. de periode waarop het verzoek om teruggaaf betrekking heeft.

2. Het verzoek om teruggaaf wordt binnen drie maanden na afloop van het kalenderkwartaal waarin de desbetreffende afleveringen in de brandstoftanks van de luchtvaartuigen hebben plaatsgevonden, ingediend bij de inspecteur.

3. Voor het in het eerste lid bedoelde verzoek wordt gebruik gemaakt van het formulier dat van rijkswege beschikbaar wordt gesteld.

4. Het recht op teruggaaf dient aan de hand van boeken en bescheiden te kunnen worden aangetoond. Daartoe dient op de tankbonnen en facturen met betrekking tot de minerale oliën waarvoor teruggaaf wordt gevraagd, te worden vermeld het registratienummer van het luchtvaartuig in de brandstoftanks waarvan de minerale olie is afgeleverd, de dag waarop de aflevering heeft plaatsgevonden, alsmede de per aflevering getankte hoeveelheid. De administratie wordt voorts zodanig ingericht dat daaruit op overzichtelijke wijze, per luchtvaartuig, blijkt dat de vlucht waarvoor de minerale olie is gebruikt waarvoor teruggaaf wordt gevraagd een ander karakter heeft gehad dan plezierluchtvaart.

5. Omschrijving geschil en standpunten van partijen

5.1 In geschil is of de naheffingsaanslag en de boete terecht zijn opgelegd. De Inspecteur beantwoordt deze vraag bevestigend, belanghebbende ontkennend.

5.2 Volgens de Inspecteur blijkt uit de administratie van belanghebbende niet dat te dezen geen sprake is van een plezierluchtvaartuig omdat de gegevens in die administratie omtrent de door de huurders uitgevoerde vluchten niet de conclusie rechtvaardigen dat de vluchten een commercieel doel dienden. Daarom meent de Inspecteur dat de teruggaven van accijns ten onrechte zijn verleend. Wat betreft de boete is de Inspecteur van mening dat sprake is van grove schuld omdat belanghebbende had moeten beseffen dat in haar administratie onvoldoende gegevens zijn vastgelegd om het recht op teruggave van accijns te kunnen staven, zeker nu zij in de toelichting bij het teruggaveformulier uitdrukkelijk op dat vereiste is gewezen.

5.3 Volgens belanghebbende is verhuur met een commercieel karakter door de eigenaar van een vliegtuig een vorm van gebruik voor commerciële doeleinden van het luchtvaartuig.

5.4 Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen, verwijst het Hof verder naar de gedingstukken.

6. Conclusies van partijen

6.1 Het hoger beroep van de Inspecteur strekt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en bevestiging van zijn uitspraken op bezwaar omtrent de naheffingsaanslag en de boete.

6.2 Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank en toekenning van een proceskostenveroordeling in hoger beroep.

7. Beoordeling van het hoger beroep

7.1 Anders dan de rechtbank onder 4.5 van haar uitspraak heeft overwogen, bevat de Wet een definitie van "plezierluchtvaartuig", namelijk in het eerder aangehaalde artikel 66, derde lid. De Inspecteur wijst hier terecht op.

7.2 Uit die definitie volgt dat indien een vliegtuig door de eigenaar daarvan voor commerciële doeleinden wordt gebruikt, geen sprake is van een plezierluchtvaartuig. Nu tussen partijen vaststaat dat belanghebbende het vliegtuig op commerciële basis verhuurt, is te dezen sprake van gebruik door de eigenaar voor commerciële doeleinden. Het vliegtuig is mitsdien ter zake van die verhuur niet te duiden als plezierluchtvaartuig. Nu tevens vaststaat dat de administratie van belanghebbende voldoende gegevens bevat om te kunnen vaststellen dat sprake was van verhuur en dat deze verhuur een commercieel karakter had, en belanghebbende – naar niet in geschil is – ook overigens heeft voldaan aan de voorwaarden van artikel 35f van de Uitvoeringsregeling accijns, had zij recht op de verleende teruggaven van accijns. De naheffingsaanslag is derhalve ten onrechte opgelegd.

7.3 De boete is eveneens ten onrechte opgelegd, allereerst omdat de naheffingsaanslag niet in stand blijft. Bovendien is de boete ten onrechte opgelegd omdat omtrent de onderwerpelijke wettelijke bepalingen – zoals blijkt reeds uit deze zaak – zoveel ruimte voor discussie laten omtrent de uitleg en de toepassing ervan, dat belanghebbende geen verwijt treft indien zij hieromtrent een ander, pleitbaar standpunt inneemt dan de Inspecteur, zou het standpunt van de Inspecteur al juist zijn.

7.4 Het hoger beroep faalt. Mitsdien moet de uitspraak van de rechtbank worden bevestigd.

8. Proceskosten en griffierecht

8.1 Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende in hoger beroep gemaakte proceskosten. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 222,50 {€ 22,50 wegens reiskosten en € 200 wegens verletkosten (4 uren maal € 50)} in verband met het bijwonen van de zitting in hoger beroep door de directeur van belanghebbende.

8.2 Belanghebbende heeft in hoger beroep verzocht om toekenning van een vergoeding van € 5.000 voor sedert mei 2006 aan de zaak bestede uren. Voor zover daarmee de vastgestelde vergoeding wordt overschreden, is niet komen vast te staan dat het geclaimde bedrag betrekking heeft op kosten in de zin van laatstgenoemd Besluit. Daarom komt het meerdere van € 222,50 niet voor vergoeding in aanmerking.

8.3 Omdat de uitspraak van de rechtbank in stand blijft, wordt van de Staat wegens het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep een griffierecht geheven van € 433.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- bevestigt de uitspraak van de rechtbank, en

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 222,50, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. J.T. Sanders, U.E. Tromp en B. van Walderveen, in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.W. Otto. De beslissing is op 1 mei 2009 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is

gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.