Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BI2888

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-03-2009
Datum publicatie
04-05-2009
Zaaknummer
BK-08-00504
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Nu verzoeker niet tegen een uitspraak van een rechtbank in hoger beroep is gekomen en ook niet is gebleken dat ten aanzien van hem een uitspraak is gedaan waartegen hoger beroep open staat, kan er geen twijfel over bestaan dat aan de voorzieningenrechter van het Hof niet de bevoegdheid toekomt over het verzoek om voorlopige voorziening te oordelen. Voor zover het verzoek betrekking heeft op de aanslagen waarvan de Hoge Raad de beroepen heeft verwezen naar het Hof Amsterdam komt aan het Hof Den Haag evenmin de bevoegdheid toe te beslissen op een verzoek om voorlopige voorziening.

Het Hof is voorts niet gebleken dat beroepen van belanghebbende bij het Hof aanhangig zijn die zijn gericht tegen voor 1 januari 2005 gedane uitspraken op bezwaar. Volgt onbevoegdverklaring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2009/35.10 met annotatie van Redactie
FutD 2009-0993
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-08/00504

Uitspraak van de Belastingkamer (voorzieningenrechter) d.d. 24 maart 2009

ingevolge artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het verzoek om een voorlopige voorziening van X te Z (hierna: verzoeker).

Aanduiding van het bestreden besluit

Een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb is verzocht ten aanzien van de beslissing van 11 november 2008 van de Inspecteur, de voorzitter van het manage-mentteam van de Belastingdienst P.

Ontstaan en loop van het geding

2.1. Het Hof heeft bij uitspraken van 18 juli 2006, nrs. BK-4/01103 en BK-04/01105 betreffende de aan belanghebbende opgelegde voorlopige aanslagen in de inkomstenbelas-ting en de premie volksverzekeringen voor de jaren 2003 en 2004 de beroepen gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd en de voorlopige aanslagen verminderd tot een belastbaar inkomen van nihil.

2.2. Naar aanleiding van deze uitspraken van het Hof heeft verzoeker de Inspecteur verzocht een verliesbeschikking af te geven voor de jaren 2003 en 2004. De Inspecteur heeft dit bij brief van 11 november 2008 geweigerd.

2.3. Op de beroepen in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen deze uitspra-ken heeft de Hoge Raad bij arresten van 21 november 2008, nrs. 43.549 en 43.550, de uitspraken van het Hof vernietigd en het geding ter verdere behandeling en beslissing ver-wezen naar het Gerechtshof te Amsterdam. Verzoeker heeft bij dat Hof een uitlating inge-diend naar aanleiding van het arrest.

Vaststaande feiten

3.1. Het Hof heeft in de in 2.1 vermelde uitspraak met kenmerk BK-04/01105 betreffen-de het jaar 2003 beslist dat belanghebbende als ondernemer in dat jaar ten laste van de winst een voorziening kan vormen en daarbij de omvang van de te vormen voorziening vastgesteld op € 1.000.000. Voor het jaar 2004 heeft het Hof in de uitspraak met kenmerk BK-04/01103 geoordeeld dat aanleiding bestaat de in geschil zijnde voorlopige aanslag tot nihil te vermin-deren, voortvloeiend uit het voorwaarts te verrekenen verlies over het jaar 2003.

3.2. Bij brief van 2 oktober 2008 heeft de Inspecteur aangekondigd dat hij voornemens is bij het vaststellen van de aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 2006 de voorziening op te heffen en het bedrag van € 1.000.000 tot de winst te rekenen, aangezien hij kennis had gekregen van een uitspraak van de rechtbank van 11 januari 2006, waarbij verzoeker niet is veroordeeld tot vergoeding van schade aan A. In de brief is voorts vermeld dat de Inspecteur hiertoe zou overgaan ter behoud van rechten en in afwachting van het oordeel van de Hoge Raad.

3.3 Bij de bestreden beslissing van 11 november 2008 heeft de Inspecteur – zakelijk weergegeven - besloten om, in ieder geval voorlopig, niet aan het verzoek van verzoeker om een verliesbeschikking te nemen, tegemoet te komen totdat de Hoge Raad in deze zaak heeft beslist. In vermelde brief is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

“2. U verzoekt een verliesbeschikking af te geven. U weet echter dat de uitspraak van Hof Den Haag voor cassatie bij de Hoge Raad ligt. Als de Hoge Raad de beslis-sing van Hof Den Haag overneemt wordt voor 2003 en 2004 de voorziening defini-tief op € 1.000.000 gesteld. Ik zal dan (maar niet daarvóór) het verlies verrekenen.

Als de Hoge Raad anders oordeelt, zal ik uiteraard ook dat oordeel volgen. Ik neem aan dat u accepteert dat ik nu niet aan uw verzoek kan voldoen.

3. Daarnaast is van belang dat inmiddels duidelijk lijkt dat [X] niet tot schadever-goeding is veroordeeld. Van hoger beroep tegen een uitspraak van de Rechtbank is mij niet gebleken. Dit betekent dan dat, ongeacht de beslissing van de Hoge Raad, de voorziening eind 2006 moet zijn opgeheven. Ik neem aan dat u het daarmee ook eens bent.

Om die reden heb ik in mijn brief van 2 oktober j.l. aangekondigd bij regeling van de aangifte over 2006 ter behoud van rechten de voorziening op te heffen en het be-drag van € 1.000.000 bij te tellen. Ik heb daarbij verwezen naar een opmerking daarover in de uitspraak van het Hof Den Haag. Uiteraard wordt alles na het arrest van de Hoge Raad recht getrokken. Ik verzoek u mij te berichten of u hiermee ak-koord gaat.

4. In uw brief van 6 oktober j.l. verzoekt u om de (in de aangifte 2006 opgenomen) vrijval van € 35.000 ongedaan te maken. Kennelijk hangt dit ook samen met de voorziening vanwege de schadevergoedingsclaim. Op mijn vragen naar de achter-gronden van de claim in 2004 en de vrijval in 2005 heb ik van [X] slechts onduide-lijke antwoorden ontvangen. Bovendien heeft hij tegen de correctie € 54.057 in de aanslag over 2004 geen bezwaar gemaakt. Wilt u beide bedragen in 2004 en 2005 zodanig toelichten dat ik begrijp waarom het gaat en wat ik er mee moet?”

3.4. De Hoge Raad heeft bij arresten nrs. 43.550 en 43.551 van 21 november 2008 de uitspraken van het Hof vernietigd, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, en het geding verwezen naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van het arrest.

3.5. Verzoeker heeft op 5 december 2008 bij brief onder vermelding van “bezwaar-schrift” zijn bezwaren geuit tegen de beslissing van de Inspecteur van 11 november 2008 en daarbij verzocht de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor de jaren 2003 en 2004 op nihil te stellen en alle betaalde belastingen vanaf 1 januari 2000 aan hem terug te betalen met vergoeding van de kosten.

Inhoud van het verzoek

Het verzoek strekt tot schorsing van de gevolgen van de beslissing van de Inspecteur van 11 november 2008 met veroordeling van de Inspecteur tot het betalen van een dwangsom van € 5.000 per dag waarop de Inspecteur nalatig is gevolg te geven aan de uitspraken van het Hof van 18 juli 2006, BK-04/01103 en BK-04/01105 en op basis van die uitspraken een nieuw besluit te nemen met veroordeling van de Inspecteur tot vergoeding van de kosten die verzoeker heeft moeten maken.

Overwegingen omtrent het verzoek

5.1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van het gerechtshof op verzoek van de belanghebbende, een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in de procedure in de hoofdzaak.

5.2. Het gerechtshof is ingevolge artikel 27, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen bevoegd indien het betreft een in dat artikellid omschreven uitspraak van de rechtbank uit het ressort.

5.3. Artikel 8:83, lid 3, van de Awb bepaalt dat de voorzieningenrechter uitspraak kan doen zonder toepassing van lid 1 van genoemd artikel, dat wil zeggen zonder partijen uit te nodigen op een zitting te verschijnen, indien hij kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is. De voorzieningen-rechter ziet aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

5.4. Nu verzoeker niet tegen een uitspraak van een rechtbank als in 5.2 bedoeld in hoger beroep is gekomen en ook niet is gebleken dat ten aanzien van hem een uitspraak is gedaan waartegen hoger beroep open staat, kan er geen twijfel over bestaan dat aan de voorzienin-genrechter van het Hof niet de bevoegdheid toekomt over het verzoek om voorlopige voor-ziening te oordelen.

5.5. De Hoge Raad heeft de beroepen tegen de voor 1 januari 2005 door de Inspecteur gedane uitspraken op bezwaar betreffende de voorlopige aanslagen in de inkomstenbelasting voor de jaren 2003 en 2004 ter verdere behandeling en beslissing naar het Gerechtshof te Amsterdam verwezen. Voor zover het verzoek betrekking heeft op deze aanslagen komt aan het Hof evenmin de bevoegdheid toe te beslissen op een verzoek om voorlopige voorziening.

5.6. Het Hof is voorts niet gebleken dat beroepen van belanghebbende bij het Hof aan-hangig zijn die zijn gericht tegen voor 1 januari 2005 gedane uitspraken op bezwaar.

5.7. Het vorenoverwogene kan tot geen andere conclusie leiden dat de voorzieningen-rechter kennelijk onbevoegd is op het verzoek een voorlopige voorziening te treffen. Der-halve moet worden beslist als hierna te melden.

Proceskosten

De voorzieningenrechter acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskos-ten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. J.W. Savelbergh als voorzieningenrechter, in tegen-woordigheid van de griffier mr. Y. Postema. De beslissing is op 24 maart 2009 in het open-baar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden: