Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BI2885

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-03-2009
Datum publicatie
04-05-2009
Zaaknummer
BK-07/00396
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Inspecteur heeft de waarde van de woning aan de hand van een taxatierapport, met daarin opgenomen vergelijkingsobjecten en de gerealiseerde verkoopprijzen daarvan, aannemelijk gemaakt. In voldoende mate is rekening gehouden met verschil in afwerkingsniveau. Wanneer tevens de waardestijging in aanmerking wordt genomen kan niet worden gezegd dat de waarde van de woning op een te hoog bedrag is vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-07/00396

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer d.d. 24 maart 2009

op het hoger beroep van X te Z tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 juni 2007, nr. WOZ 05/5754 ZWI, betreffende na te noemen beschikking.

Beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Bij beschikking als bedoeld in hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) heeft de Inspecteur, de heffingsambtenaar van de gemeente Capel-le aan den IJssel, de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [a-straat 1] te Capelle aan den IJssel (hierna: de woning) voor het tijdvak 1 januari 2005 tot en met 31 de-cember 2006 en naar de waardepeildatum 1 januari 2003 (hierna: de waarde) vastgesteld op € 266.000.

1.2. Bij uitspraak op het door belanghebbende tegen de waardebeschikking gemaakte be-zwaar heeft de Inspecteur de waarde gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak in hoger beroep gekomen bij het Hof. De griffier heeft in verband daarmee van belanghebbende een griffierecht geheven van € 106.

2.2. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechts-hof van 10 februari 2009, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding dient in hoger beroep te worden uitgegaan van de door de rechtbank in haar uitspraak vastgestelde feiten.

Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1. In geschil is de waarde van de woning op de waardepeildatum (hierna: de waarde). De Inspecteur heeft de waarde op € 266.000 vastgesteld, terwijl belanghebbende een waarde van € 244.000 bepleit.

4.2. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en de uitspraak op bezwaar en tot wijziging van de beschikking onder vaststelling van de waarde op € 244.000.

5.2. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Overwegingen omtrent het geschil

6.1. Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet dient de waarde van de woning te worden bepaald op de aan die zaak toe te kennen waarde, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle eigendom in gebruik zou kunnen nemen. Daarbij heeft als waarde te gelden de waarde in het economische verkeer, ofwel de prijs die bij aanbieding ten verkoop op de voor de onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn betaald.

6.2. Ter onderbouwing van de door hem voorgestane waarde heeft de Inspecteur een op 4 februari 2005 aan belanghebbende toegezonden stuk van een pagina genaamd ”Taxatiever-slag” in het geding gebracht. Voorts is bij het verweerschrift in eerste aanleg een stuk ge-naamd “Taxatieverslag / woningen” van negen pagina’s in het geding gebracht. In beide stukken is de waarde van de woning bepaald op € 266.000 (hierna: de bijlagen). In de bijla-gen zijn referentieobjecten opgenomen.

6.3. Ter betwisting van de door de Inspecteur vastgestelde waarde betoogt belanghebbende

evenals hij reeds in eerste aanleg heeft gedaan dat bij de waardebepaling onvoldoende re-kening is gehouden met de verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten. Meer specifiek betoogt belanghebbende dat de Inspecteur zich bij de vergelijking heeft beperkt tot kwantitatieve gegevens, en ten onrechte geen rekening heeft gehouden met kwalitatieve ge-gevens zoals aard (ligging) en luxe (afwerking). Voorts stelt belanghebbende dat het referen-tieobject [a-straat 3] goed vergelijkbaar is met zijn woning. Die woning is op 1 november 2001 verkocht voor € 254.117.

6.4. Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur met het door hem in het geding gebrachte taxatierapport, de daarin opgenomen vergelijkingsobjecten, de gerealiseerde verkoopprijzen van deze onroerende zaken en de daarop gegeven toelichting in de van zijn kant afkomstige gedingstukken, aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de woning op 1 januari 2003 € 266.000 bedroeg.

6.5. Naar 's Hofs oordeel kan niet worden gezegd dat de vastgestelde waarde van de woning niet in een juiste verhouding staat tot de gerealiseerde verkoopprijzen van de vergelijkings-objecten. Daarbij heeft de Inspecteur in voldoende mate rekening gehouden met de verschil-len in het afwerkingsniveau van belanghebbendes woning en de als vergelijking aangedra-gen onroerende zaken. Van belang acht het Hof daarbij in het bijzonder dat belanghebbende heeft aangevoerd dat [a-straat 3] de woning die naast zijn woning is gelegen wel goed vergelijkbaar is met zijn woning. Die woning is op 1 november 2001 verkocht voor € 254.117. Wanneer tevens de waardestijging sinds die datum tot aan 1 januari 2003 in aanmerking wordt genomen kan niet worden gezegd dat de waarde van de woning door de Inspecteur op een te hoog bedrag is vastgesteld.

6.6. Het vorenstaande voert het Hof tot de slotsom dat het hoger beroep ongegrond is. Der-halve moet worden beslist als hierna is vermeld.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. P.J.J. Vonk, J.W. baron van Knobelsdorff en J.J.J. Engel, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Y. Postema-van der Koogh. De beslissing is op 24 maart 2009 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de ver-zenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daar-bij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.