Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BI2877

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-03-2009
Datum publicatie
04-05-2009
Zaaknummer
BK-07/00387 en BK 07/00388
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De arbeid die belanghebbende feitelijk heeft verricht vond uitsluitend plaats krachtens een arbeidovereenkomst met een in Nederland gevestigde werkgever en niet in een Kazachstan gevestigde werkgever. Belanghebbende is verzekerd voor de Nederlandse volksverzekeringen op grond van art. 12, lid 1, BUB 1999.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2009/40.1.1
FutD 2009-1049
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-07/00387 en 07/00388

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer d.d. 10 maart 2009

op het hoger beroep X te Z, tegen de uitspraken van de rechtbank ’s Gravenhage van 8 mei 2007, nrs. AWB 05/8424 en 05/8425 IB/PVV, betreffende na te noemen aanslagen.

Aanslagen, bezwaren, uitspraken op het bezwaar en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is door de Inspecteur, de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst P, voor het jaar 2001 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 52.425 en naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.386. Voorts is aan belanghebbende voor het jaar 2002 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 49.874. Zowel voor het jaar 2001 als 2002 is belanghebbende voor het volledige jaar als premie-plichtige voor de volksverzekeringen aangemerkt.

1.2. De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van 24 oktober 2005 belanghebbendes bezwaarongegrond verklaard.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroepen bij de rechtbank inge-steld. De rechtbank heeft bij voormelde uitspraken de beroepen ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraken van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier in ieder van de zaken een griffierecht geheven van € 106. De Inspecteur heeft verweerschriften ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechts-hof van 217 januari 2009, gehouden te Den Haag. Aldaar is alleen de Inspecteur verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting in hoger beroep verhandelde gaat het Hof, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de we-derpartij niet of onvoldoende weersproken, uit van de in de uitspraak van de rechtbank ver-melde vaststaande feiten.

Omschrijving geschil, standpunten en conclusies van partijen

4.1. Tussen partijen is in geschil of belanghebbende in 2001 en 2002 op grond van artikel 12, lid 1, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (hierna: BUB 1999) was verzekerd uit hoofde van de Nederlandse volksverzekeringen, welke vraag belanghebbende ontkennend en de Inspecteur bevestigend beantwoordt.

4.2. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij de in Kazachstan verrichtte arbeid in beide jaren niet uitsluitend heeft verricht uit hoofde van een in Nederland gevestigde werk-gever, derhalve het gehele jaar 2001 en het gehele jaar 2002, niet verzekerd is en mitsdien niet premieplichtig is voor de volksverzekeringen op grond van artikel 12 BUB.

4.3. De Inspecteur heeft het standpunt van belanghebbende gemotiveerd bestreden.

Conclusies van partijen

5.1. Het beroep van belanghebbende strekt ertoe dat hij voor de jaren 2001 en 2002 wordt aangemerkt als niet-verzekerde voor de volksverzekeringen zodat voor dit jaar een vrijstel-ling voor de premie volksverzekeringen moet worden verleend.

5.2. De Inspecteur heeft geconcludeerd tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

Overwegingen omtrent het geschil

6.1. De gemachtigde van belanghebbende is ook als gemachtigde opgetreden in een belas-tingprocedure voor dit Hof voor een andere werknemer werkzaam bij dezelfde werkgever als die van belanghebbende. In die zaak, met nummer BK 04/02860, heeft het Hof bij uit-spraak van 31 augustus 2006, het volgende overwogen […]:

3. Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1. Belanghebbende was het gehele jaar 2002 woonachtig in Nederland en uitsluitend werkzaam in Kazachstan voor het A-concern aan boord van het ‘B’.

3.2. Tot de gedingstukken behoren twee door belanghebbende gesloten arbeidsovereenkomsten met dagtekening 1 januari 2002, te weten één met C B.V. te Q (hierna: de bovenliggende overeen-komst) en één met D Kazakhstan B.V. te R, Kazachstan (hierna: de onderliggende overeenkomst). Blijkens een brief van D Kazakhstan B.V. van 27 oktober 2003 is het onderliggende overeenkomst (mede) afgesloten op verzoek van de werkgever vanwege lokale juridische regelgeving en druk vanuit het Labor Department in S.

3.3. De bovenliggende overeenkomst houdt onder meer het volgende in:

“C sluit voor de werkzaamheden arbeidscontracten met individuele medewerker, waarbij het mogelijk is dat de betrokken medewerker contractueel worden ondergebracht bij dochteron-dernemingen, aanverwante bedrijven en eventueel buitenlandse vennootschappen (bijvoor-beeld “D Kazakhstan B.V.”). In de verhouding tussen betrokken medewerkers en C prevaleert immer de bepalingen uit de individueel arbeidsovereenkomst tussen C en de medewerker bo-ven de arbeidsovereenkomst tussen de medewerker en de betreffende vennootschap.

De arbeidsovereenkomst tussen C en betrokken medewerker wordt aangeduid als bovenlig-gende overeenkomst. De arbeidsovereenkomst tussen betrokken medewerker en betrokken vennootschap wordt aangeduid als onderliggende overeenkomst. Beide partijen kunnen nim-mer rechten ontlenen aan de onderliggende overeenkomst.

Artikel 1

(…)

lid 2. Medewerker sluit een arbeidsovereenkomst met “D Kazakhstan B.V.”, welke arbeids-overeenkomst wordt aangemerkt als een onderliggende overeenkomst.

lid 3. Medewerker is op de hoogte van het feit dat de in lid 2 genoemde overeenkomst slechts wordt gesloten vanwege administratief technische redenen en locale juridische regelge-ving te Kazakhstan.

lid 4. Wanneer bepalingen uit de onderliggende overeenkomst strijdig zijn met de bovenlig-gende overeenkomst zijn te allen tijde de bepalingen uit bovenliggende overeenkomst van kracht.

lid 5. Bij beëindiging van de bovenliggende overeenkomst, om welke reden dan ook, eindigt tevens van rechtswege de onderliggende overeenkomst (…)

Artikel 5

C draagt loonbelasting en sociale premies af in Kazakhstan. (…)

Artikel 13

(…)

lid 2. Bij geschillen tussen partijen wordt Nederlands recht van toepassing verklaard en is de Rechtbank te Groningen bevoegd kennis te nemen van het geschil. Dit geldt eveneens voor de onderliggende overeenkomst.”

3.4. Blijkens de aan de Belastingdienst aangeleverde loonbelastingkaart heeft belanghebbende het gehele jaar 2002 loon ontvangen van C B.V. Belanghebbende heeft in Kazachstan belasting en pre-mies voor sociale verzekeringen voldaan. In de jaren vóór 2002 was belanghebbende in dienst van C B.V.

4. Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1. Tussen partijen is in geschil of belanghebbende verzekerde, en daarmee premieplichtig is, voor de Nederlandse volksverzekeringen, welke vraag door belanghebbende ontkennend en door de In-specteur bevestigend wordt beantwoord.

4.2. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

5. Overwegingen omtrent het geschil

5.1. Het geschil tussen partijen richt zich op de vraag of belanghebbende op grond van artikel 12 van het Besluit uitbreiding en beperking verzekerden volksverzekeringen 1999 (hierna: BUB) niet is verzekerd uit hoofde van de Nederlandse volksverzekeringen.

5.2. Krachtens artikel 12 BUB is niet verzekerd op grond van de volksverzekeringen de persoon die in Nederland woont en die gedurende een aaneengesloten periode van ten minste drie maanden uit-sluitend buiten Nederland arbeid verricht, tenzij die arbeid uitsluitend wordt verricht uit hoofde van een dienstbetrekking met een in Nederland wonende of gevestigde werkgever.

5.3. Op grond van de vaststaande feiten en hetgeen de Inspecteur omtrent het onderliggende con-tract heeft aangevoerd, tezamen en in onderling verband bezien, acht het Hof aannemelijk dat in de verhouding tussen belanghebbende enerzijds en C B.V. en D Kazakhstan B.V. anderzijds aan het onderliggende contract geen enkele betekenis toekomt en dat dit contract slechts op papier is afge-sloten teneinde te voldoen aan de Kazachstaanse voorwaarden voor tewerkstelling in Kazachstan.

Gesteld noch gebleken is dat de aan C B.V. als werkgever toekomende rechten en plichten geheel of ten dele zijn overgegaan op D Kazakhstan B.V. Aan het vorenstaande ontleent het Hof het vermoe-den dat - ook naar de bedoeling van belanghebbende en diens werkgever - uitsluitend C B.V. als werkgever van belanghebbende heeft te gelden. Met hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd, heeft hij dit vermoeden niet ontzenuwd.

5.4. Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat de Inspecteur terecht het standpunt verdedigt dat belanghebbende zijn arbeid uitsluitend heeft verricht uit hoofde van een dienstbetrekking met een in Nederland gevestigde werkgever. Belanghebbende is derhalve verzekerd voor de Nederlandse volks-verzekeringen.

6.2. Tegen de uitspraak van het Hof is beroep in cassatie ingesteld. Bij arrest van de Hoge Raad van 24 oktober 2008, nr. 43.620, LJN BG1241, is het cassatieberoep verworpen op de navolgende gronden.

3. Beoordeling van de klachten

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbende was het gehele jaar 2002 woonachtig in Nederland en werkzaam voor het A-concern in de wateren van Kazachstan als kapitein aan boord van B.

3.1.2. Tot de gedingstukken behoren twee door belanghebbende gesloten arbeidsovereenkomsten met dagtekening 1 januari 2002, één met C B.V. te Q (hierna: de bovenliggende overeenkomst) en één met D Kazahhstan B.V. te R, Kazachstan (hierna: de onderliggende overeenkomst). Blijkens een brief van D Kazakhstan B.V. van 27 oktober 2003 is de onderliggende overeenkomst (mede) afge-sloten op verzoek van de werkgever vanwege lokale juridische regelgeving en druk vanuit het Labor Department in S.

3.1.3. In de bovenliggende overeenkomst is onder meer het volgende opgenomen:

"In aanmerking nemende dat:

(...).

C sluit voor de uitvoering van de werkzaamheden arbeidscontracten met individuele medewer-kers, waarbij het mogelijk is dat de betrokken medewerkers contractueel ondergebracht worden bij dochterondernemingen, aanverwante bedrijven en eventueel buitenlandse vennootschappen (bijvoorbeeld "D Kazakhstan B.V." In de verhouding tussen betrokken medewerkers en C pre-valeert immer de bepalingen uit de individuele arbeidsovereenkomst tussen C en de medewer-ker boven de arbeidsovereenkomst tussen betrokken medewerker en de betreffende vennoot-schap.

De arbeidsovereenkomst tussen C en betrokken medewerker wordt aangeduid als bovenlig-gende overeenkomst.

De arbeidsovereenkomst tussen betrokken medewerker en betrokken vennootschap wordt aangeduid als onderliggende overeenkomst.

Beide partijen kunnen nimmer rechten ontlenen aan de onderliggende overeenkomst.

Partijen komen overeen:

Artikel 1

(...).

lid 2

Medewerker sluit een arbeidsovereenkomst met "D Kazakhstan B.V.", welke arbeidsovereen-komst wordt aangemerkt als een onderliggende arbeidsovereenkomst.

lid 3

Medewerker is op de hoogte van het feit dat de in lid 2 genoemde overeenkomst slechts wordt gesloten vanwege administratief technische redenen en locale juridische regelgeving te Kazakh-stan.

lid 4

Wanneer bepalingen uit de onderliggende overeenkomst strijdig zijn met de bovenliggende overeenkomst zijn te allen tijde de bepalingen uit bovenliggende overeenkomst van kracht.

lid 5

Bij beëindiging van de bovenliggende overeenkomst, om welke grond dan ook, eindigt tevens van rechtswege de onderliggende overeenkomst (...).

(...)."

3.1.4. Blijkens de aan de Belastingdienst aangeleverde loonbelastingkaart heeft belanghebbende het gehele jaar 2002 loon ontvangen van C B.V. Belanghebbende heeft in Kazachstan belasting en pre-mies voor sociale verzekeringen voldaan.

3.2. Voor het Hof was tussen partijen in geschil of belanghebbende in 2002 op grond van artikel 12, lid 1, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (hier-na: BUB 1999) was verzekerd uit hoofde van de Nederlandse volksverzekeringen.

3.3. Het Hof heeft geoordeeld (overweging 5.4) dat belanghebbende is verzekerd voor de Neder-landse volksverzekeringen, omdat hij zijn arbeid uitsluitend heeft verricht uit hoofde van een dienst-betrekking met een in Nederland gevestigde werkgever. Het Hof heeft dit oordeel hierop gegrond (overweging 5.3) dat het aannemelijk acht dat in de verhouding tussen belanghebbende enerzijds en C B.V. en D Kazakhstan B.V. anderzijds aan de onderliggende overeenkomst geen enkele betekenis toekomt en dat dit contract slechts op papier is afgesloten teneinde te voldoen aan de Kazachstaanse voorwaarden voor tewerkstelling in Kazachstan, en dat gesteld noch gebleken is dat de aan C B.V. als werkgever toekomende rechten en plichten geheel of ten dele zijn overgegaan op D Kazakhstan B.V.

3.4. Tegen het hiervoor weergegeven oordeel richten zich de klachten. Belanghebbende betoogt dat gelet op het feit dat hij niet in Kazachstan kan en mag werken indien er geen dienstbetrekking be-staat met een in Kazachstan gevestigde werkgever, er geen andere conclusie mogelijk is dan dat de werkzaamheden in Kazachstan mede worden verricht uit hoofde van een dienstbetrekking met een in Kazachstan wonende of gevestigde werkgever.

3.5. In onderdeel 5.3 van 's Hofs uitspraak komt tot uitdrukking dat de arbeid die belanghebbende feitelijk heeft verricht in de zin van artikel 12, lid 1, BUB 1999 uitsluitend plaatsvond krachtens de arbeidsovereenkomst met C B.V. en niet krachtens de arbeidsovereenkomst met D Kazakhstan B.V. Tegen de achtergrond van de door het Hof vastgestelde feiten - waaruit mede het doel van het con-tract met D Kazakhstan B.V. blijkt - geeft dit oordeel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan het, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst. Het is ook niet onvoldoende gemotiveerd. De klachten falen derhalve.

6.3. Het Hof en de Hoge Raad hebben in bovenvermelde zaak de onderwerpelijke kwestie beslist. Nu niet aannemelijk is dat de feiten en/of omstandigheden in dit geval anders dienen te worden geduid, is het hof van oordeel dat de onderwerpelijke zaken in gelijke zin dienen te worden beslist . De overwegingen omtrent het geschil en de conclusies uit de uitspraak en het arrest neemt het Hof hier over en maakt deze tot de zijne.

6.4. Gelet op het vorenoverwogene is het hoger beroep ongegrond.

Beslissing

Het Gerechtshof verklaart het hoger beroep ongegrond.

Deze uitspraak is vastgesteld door de mrs. P.J.J. Vonk, J.J.J. Engel en S.A.W.J. Strik, in te-genwoordigheid van de griffier mr. Y. Postema-van der Koogh. De beslissing is op 10 maart 2009 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingka-mer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden ver-zocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.