Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BI2876

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-03-2009
Datum publicatie
04-05-2009
Zaaknummer
BK-07/00117
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De door het ABP toegepaste verdeling van het nabestaandenpensioen tussen de eerste echtgenote en de huidige echtgenote maakt de pensioenregeling van belanghebbende niet onzuiver wanneer de pensioenregeling op zich aan de in de Wet LB 1964 gestelde eisen voldoet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2009, 178
V-N 2010/33.9 met annotatie van Redactie
FutD 2009-0998
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-07/00117

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer d.d. 17 maart 2009

op het hoger beroep X te Z tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 31 januari 2007, nr. AWB 06/723, betreffende de na te noemen aan hem opgelegde aanslag.

Aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende is door de Inspecteur, de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst P, voor het jaar 2004 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 39.148.

1.2. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 8 december 2005 belanghebbendes bezwaarschrift ongegrond verklaard.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft bij voormelde uitspraak het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 106. De Inspec-teur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft vervolgens een conclusie van repliek ingediend waarop de Inspecteur heeft gereageerd met een conclusie van dupliek.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechts-hof van 18 november 2008, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting heeft het Hof het onderzoek geschorst en heeft vervolgens tussen het Hof en partijen een briefwisseling plaatsgevonden. Met toestemming van partijen is een na-dere zitting achterwege gebleven.

Vaststaande feiten

3.1. Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting in hoger beroep verhandelde merkt het Hof de navolgende in de uitspraak van de rechtbank onder 2. Gronden vermelde feiten, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de we-derpartij niet of onvoldoende weersproken, als vaststaand aan, waarbij het Hof ”eiser” als belanghebbende en ”verweerder” als Inspecteur aanmerkt.

3.1.1. Belanghebbende, geboren op […] 1937, is in 1974 na 18 jaar huwelijk gescheiden van zijn eerste echtgenote en is in datzelfde jaar getrouwd met zijn huidige echtgenote. Be-langhebbende was vanaf 1956 [als ambtenaar] werkzaam bij [A]. In 1992 is belanghebbende vervroegd uitgetreden; vanaf 2002 ontvangt hij een pensioenuitkering van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (hierna: ABP).

3.1.2. Belanghebbende heeft voor 2004 aangifte gedaan van een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 39.148. Daarin is begrepen een pensioenuitkering van het ABP van € 24.404. De aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekering 2004 is over-eenkomstig belanghebbendes aangifte opgelegd.

3.1.3. Tussen partijen is niet in geschil dat het totaal op grond van de onderhavige pensi-oenregeling door belanghebbende opgebouwde (nabestaanden)pensioen niet bovenmatig is en op zich niet onzuiver is.

3.2. Voorts staat in hoger beroep als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende vast.

Belanghebbende verschilt met het ABP van mening over de hoogte van het door het ABP vastgestelde bijzondere nabestaandenpensioen. Belanghebbende heeft het ABP voor de rechtbank Maastricht gedagvaard. De rechtbank Maastricht heeft de vorderingen van be-langhebbende bij vonnis van 7 december 2005 afgewezen. Bij arrest van 19 februari 2008, nummer C0600345, LJN: BC4850 heeft het Gerechtshof ’s Hertogenbosch het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Het arrest luidt, voor zover van belang, waarbij het Hof de namen van belanghebbende, zijn eerste en huidige echtgenote heeft vervangen door ”belangheb-bende”, ”zijn eerste echtgenote” en ”zijn huidige echtgenote”, als volgt:

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

a. Belanghebbende, geboren op […] 1937, is op […] 1952 [als ambtenaar] in dienst getreden van [A] en heeft laatstelijk de functie uitgeoefend van [B].

b. Met ingang van 16 augustus 1954 (volgens belanghebbende met ingang van 23 juni 1955) nam belanghebbende deel in de pensioenregeling van het ABP.

c. Van 27 november 1964 tot 23 april 1974 was belanghebbende gehuwd met zijn eerste echtgenote. Op laatstgenoemde datum is het echtscheidingsvonnis van de rechtbank Dordrecht ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

d. Op […]1974 is belanghebbende gehuwd met zijn huidige echtgenote.

e. Op […]1992 heeft belanghebbende vrijwillig vervroegd ontslag genomen en heeft hij recht gekregen op een VUT-uitkering (prod. 2 en 3 mvg).

f. Belanghebbende heeft vanaf 1954 (althans vanaf 1955) tot 1 januari 1996 volgens het nieuwe ABP-reglement een pensioengeldige tijd (pensioenjaren) opgebouwd van in totaal 38,8347 pensioenjaren en vanaf 1 januari 1996 3,2500 pensioenjaren (prod. 1 inl. dagv.). Met ingang van 1 januari 1996 is de Wet Privatisering ABP (WPA) in werking getreden, is de Algemene Burgerlijke Pensioenwet ingetrokken en is het op de WPA gebaseerde pensioenreglement van de privaatrech-telijke rechtspersoon ABP gaan gelden.

g. Sedert 1 juli 2002 heeft belanghebbende recht op ouderdomspensioen ingevolge de pensi-oenregeling van het ABP.

4.2. Op verzoek van belanghebbende heeft het ABP bij brief d.d. 8 mei 2002 (met bijlagen) (prod. 1 inl. dagv.) aan belanghebbende meegedeeld op welk bedrag zijn ouderdomspensioen was berekend, hem geïnformeerd omtrent het bedrag van het totale nabestaandenpensioen alsmede over het bedrag dat, indien hij zou overlijden, enerzijds zou toekomen aan zijn eerste echtgenote en anderzijds aan zijn huidige echtgenote.

4.2.1. Belanghebbende heeft bezwaar aangetekend tegen de berekening van de bedragen van het nabestaandenpensioen van zijn eerste echtgenote en zijn huidige echtgenote. Het ABP heeft daar-op beslist dat het bezwaar ongegrond is (brief d.d. 27 september 2002: prod. 2 inl. dagv.). De Commissie van Beroep heeft bij besluit van 25 juni 2003 de beslissing van het ABP bevestigd.

4.3. In eerste aanleg heeft belanghebbende gevorderd dat voor recht zal worden verklaard "dat de berekeningsgrondslag van het bijzonder partnerpensioen van [belanghebbendes eerste echtge-note] is het ouderdomspensioen van belanghebbende op de datum inschrijving echtscheiding, dus 23-04-1974, inclusief indexering".

Voorts heeft belanghebbende gevorderd het ABP te veroordelen een berekening van het bijzonder partnerpensioen en het partnerpensioen aan hem over te leggen, gebaseerd op voormelde verkla-ring voor recht.

4.4. Bij vonnis d.d. 7 december 2005 heeft de kantonrechter de vorderingen van belanghebben-de afgewezen.

4.5. Alvorens de grieven te bespreken, zal het hof ingaan op "de Kern van de zaak", zoals die door belanghebbende ter inleiding op de grieven in de memorie van grieven wordt besproken.

4.5.1. Het hof zal het bijzonder partnerpensioen (= bijzonder nabestaandenpensioen) van zijn eerste echtgenote verder aanduiden als BPP en het partnerpensioen (= het gewone nabestaanden-pensioen) van zijn huidige echtgenote als PP.

4.6. Het ABP heeft in zijn brief d.d. 8 mei 2002 met bijlagen en zijn beslissing op het bezwaar d.d. 27 september 2002 (evenals in de conclusie van antwoord en dupliek) uiteengezet hoe de be-dragen van het BPP en het PP zijn berekend. Het hof zal hierna die berekening - enigszins sche-matisch - weergegeven en daarbij de bruto jaarbedragen aanhouden die vermeld zijn in de beslis-sing op bezwaar.

Grondslag voor berekening ouderdomspensioen is de berekeningsgrondslag voor het jaar 1995, dit is 41.202,79.

Geïndexeerd per 1 juli 2002 ( = datum pensionering) 48.822,15

Totaal in aanmerking te nemen pensioenjaren 38,8347 waarvan voor echtscheiding (23-4-1974) 18.8333 en na echtscheiding 20.0014

ouderdomspensioen beloopt 22.596,60

partnerpensioen = 5/7 16.140,43

waarvan op basis van pensioenjaren voor echtscheiding toekomt aan zijn eerste echtgenote (= BPP) 7.198,59

zodat resteert voor zijn huidige echtgenote (= PP) 8.941,84

corresponderend met de pensioenjaren na echtscheiding.

4.7. Belanghebbende is het met deze berekening niet eens. Hij stelt zich op het standpunt dat bij de berekening van het BPP van zijn eerste echtgenote niet moet worden uitgegaan van de bereke-ningsgrondslag van het jaar 1995, maar van de berekeningsgrondslag zoals die gold op de echt-scheidingsdatum (23 april 1974), nadien te indexeren tot de pensioendatum 1 juli 2002, zulks op grond van de hoofdregel in artikel 7.5b. van hoofdstuk 7 van het pensioenreglement (verder PR) van het ABP (zie mvg punt 2.4.7. slot).

Belanghebbende stelt dat een dergelijke berekening in overeenstemming is met de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding, HR 27 november 1981, NJ 1982, 501 en art. 8a PSW (akte d.d. 9 ja-nuari 2007, punt 7).

4.8. In aansluiting op dit standpunt heeft belanghebbende in eerste aanleg (een verklaring voor recht) gevorderd dat het ABP het BPP vaststelt op basis van de berekeningsgrondslag van 23 april 1974, nadien te indexeren tot de pensioendatum 1 juli 2002.

4.8.1. In hoger beroep heeft belanghebbende zijn eis gewijzigd. Belanghebbende vordert thans voorzover hier van belang voor recht te verklaren dat voor de berekening van het PP van de huidige echtgenote van belanghebbende zal worden genomen de diensttijd van belanghebbende vanaf de datum van de inschrijving van de echtscheiding, 23 april 1974 tot de pensioendatum 1 juli 2002. Aldus geformuleerd wordt, aldus belanghebbende in de mvg punt 2.5., "de kern van de zaak" exact weergegeven. Deze formulering houdt, aldus belanghebbende, materieel vrijwel het-zelfde in als de aanvankelijk gevorderde verklaring voor recht.

4.9. Het hof is van oordeel dat deze herformulering van de eis de kern van de zaak (het geschil) niet juist weergeeft.

4.9.1. De kern van het geschil is gelegen in hetgeen hierboven in rechtsoverweging. 4.7. is ver-meld.

4.9.2. De gewijzigde eis is, gelet hetgeen belanghebbende daarmee beoogt, niet toewijsbaar. Het ABP dient het PP van zijn huidige echtgenote te berekenen overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.2., lid 1 PR en dient ingevolge lid 4 van dit artikel daarop in mindering te brengen het BPP van zijn eerste echtgenote. Dat leidt er per saldo toe dat aan zijn eerste echtgenote toekomt een BPP dat zij ontleent aan de pensioenjaren van belanghebbende tot de datum van de echtscheiding en dat aan zijn huidige echtgenote toekomt een PP dat zij ontleent aan de pensioenjaren van belang-hebbende na de datum van de echtscheiding.

4.10. Nu belanghebbende met zijn gewijzigde eis (materieel) hetzelfde beoogt als met zijn oor-spronkelijke vordering, zal het hof tevens oordelen over de grieven gericht tegen de afwijzing van de oorspronkelijke vordering.

4.11. De grieven kunnen geen doel treffen.

4.12. Vast staat dat zijn eerste echtgenote uitzicht heeft een bijzonder nabestaandenpensioen met dien verstande dat partijen van mening verschillen over de hoogte daarvan.

4.12.1. Het hof is van oordeel dat zijn eerste echtgenote is aan te merken als "de gewezen echtge-noot van de ambtenaar die zijn dienstverhouding waaraan hij het ambtenaarschap ingevolge de ABP-wet ontleende na 31 december 1995 voortzet", zulks als bedoeld in art. 18.20 PR. Het betoog van belanghebbende dat dat niet zo is omdat hij na […] 1992 niet meer als een zodanige ambtenaar is aan te merken (toelichting grief 2), zulks met een beroep op de producties 3 en 4 mvg, verwerpt het hof.

Immers, de brief van het ABP d.d. 21 september 1992 waarop belanghebbende zich beroept (prod. 4 mvg) houdt slechts in dat het ambtenaarschap in de zin van de ABPW met betrekking tot de dienstverhouding van belanghebbende bij [A] met ingang van 16 augustus 1992 is geëindigd. Dat laat het ambtenaarsschap van belanghebbende ingevolge de ABP-wet met ingang van 16 augustus 1992 die hij ontleent aan zijn dienstverhouding als VUT-gerechtigde, onverlet. Het ABP heeft in dit verband gewezen op een intreebevestiging d.d. 21 september 1992 (prod. 1 mva) en heeft met een beroep daarop toegelicht (mva punt 9 - 11) dat belanghebbende na 16 augustus 1992 ambte-naar bleef in de zin van de ABPW, zulks met betrekking tot zijn dienstverhouding als gerechtigde op een VUT-uitkering, en dat deze dienstverhouding na 31 december 1995 is voortgezet. In zijn akte uitlating productie d.d. 9 januari 2007 (punt 2-4) heeft belanghebbende dit verweer van het ABP weliswaar (in algemene termen) betwist, doch de daarvoor door hem aangevoerde gronden ontkrachten niet de toelichting van het ABP. De stelling van belanghebbende dat de intreebevesti-ging waarop het ABP zich beroept door hem niet is ontvangen en ondertekend, brengt niet mee dat zijn rechtspositie met ingang van 16 augustus 1992 een andere is geweest dan het ABP stelt. Dat spreekt te meer, nu belanghebbende niet deugdelijk heeft toegelicht op welke andere grond-slag dan zijn voortgezette dienstverhouding tijdens de VUT-periode hij na 16 augustus 1992 nog als deelnemer in de pensioenregeling van het ABP pensioenjaren is blijven opbouwen.

Het vorenstaande brengt mee dat de grieven 2, 3 en 4 geen doel kunnen treffen.

4.13. Met betrekking tot grief 5 overweegt het hof het volgende.

De Pensioen- en spaarfondsenwet (PSW) is niet van toepassing op het voor 1 januari 1996 op grond van de ABP-wet opgebouwde pensioen van belanghebbende. Art. 1, lid 7 PSW bepaalt im-mers: "Tenzij anders vermeld is deze wet niet van toepassing op pensioen- en spaarfondsen, waar-voor bij een andere wet (.....) regelingen zijn vastgesteld." De WPA is een andere wet waarin is ge-regeld hoe het BPP van zijn eerste echtgenote moet worden berekend. Op artikel 15 WPA is arti-kel 18.20, lid 3 PR gebaseerd. Artikel 18.20, lid 3 PR schrijft voor dat het (uitzicht op) BPP dat zijn eerste echtgenote op 31 december 1995 heeft ingevolge de ABP-wet, moet worden bepaald met inachtneming van de berekeningsgrondslag van het jaar 1995.

Grief 5 faalt dus.

4.14. Met betrekking tot grief 6 overweegt het hof het volgende.

4.14.1. De berekening van het BPP en PP zoals het ABP die heeft uitgevoerd, berust op artikel 15 WPA en artikel 18.20, lid 3 PR, derhalve op een wettelijke regeling.

Deze regeling is niet in strijd met het echtscheidingsrecht en het arrest HR 29 november 1981, NJ 1982, 503 (Boon-Van Loon). Belanghebbende gaat, blijkens de toelichting op grief 6, kennelijk uit van de opvatting dat, wanneer het BPP van zijn eerste echtgenote wordt bepaald met inachtneming van de berekeningsgrondslag van het jaar 1995, zijn eerste echtgenote daarmee een aanspraak op BPP zou kunnen doen gelden die is afgeleid van, dan wel berust op een na echtscheiding opge-bouwd ouderdomspensioen van belanghebbende. Die opvatting is onjuist. Het BPP is niet daarvan afgeleid, aangezien de pensioenjaren die belanghebbende na de echtscheiding heeft opgebouwd niet in de aanspraak op BPP van zijn eerste echtgenote worden verdisconteerd. Het BPP is wel af-geleid van een op de echtscheidingsdatum bestaande pensioengrondslag die daarna is verhoogd als gevolg van de door belanghebbende nadien gerealiseerde salarisverhogingen. Dat is echter niet in strijd met het echtscheidingsrecht, noch met HR 29 november 1981, NJ 1092, 503, aangezien het echtscheidingsrecht, noch bedoeld arrest daaromtrent voorschriften bevat. Grief 6 faalt dus.

4.15. Met betrekking tot grief 7 overweegt het hof het volgende.

4.15.1. Belanghebbende heeft tegenover de gemotiveerde betwisting door het ABP niet aange-toond dat de pensioenregeling van het ABP fiscaal onzuiver is. In het midden kan overigens blij-ven of die pensioenregeling fiscaal onzuiver is, omdat dit aan de rechtsgeldigheid van de regeling niet afdoet.

Grief 7 faalt.

4.16. Met betrekking tot grief 8 overweegt het hof het volgende.

4.16.1. Het beroep op ongerechtvaardigde verrijking van zijn eerste echtgenote (of het ABP) ten laste van zijn huidige echtgenote heeft de kantonrechter terecht verworpen.

4.16.2. De regeling ingevolge welke het BPP in mindering wordt gebracht op het PP (art. 7.2 lid 4 PR), heeft tot resultaat dat het totale door belanghebbende opgebouwde partnerpensioen wordt verdeeld tussen zijn eerste echtgenote en zijn huidige echtgenote.

Een verdeling als hier bedoeld leidt op zichzelf niet tot een verrijking van zijn eerste echtgenote (of het ABP) noch tot een verarming van zijn huidige echtgenote. Het hof begrijpt het standpunt van belanghebbende aldus dat belanghebbende de verrijking van zijn eerste echtgenote gelegen acht in het feit dat zijn eerste echtgenote (ongerechtvaardigd) profiteert van de salarisverhogingen van be-langhebbende in de periode tussen de echtscheiding en 31 december 1995 indien bij de berekening van het BPP wordt uitgegaan van de berekeningsgrondslag van het jaar 1995, aangezien partijen in die periode niet meer gehuwd waren.

4.16.3. Het hof is van oordeel dat een dergelijk profijt niet als een verrijking, laat staan als een on-gerechtvaardigde verrijking, kan worden gekwalificeerd. Het BPP zoals dit in de ABP-wet en in ar-tikel 15 WPA jo artikel 18.20, lid 3 PR voor de ex-echtgenoot van belanghebbende is gewaarborgd, strekt ertoe dat van belanghebbende ingeval van echtscheiding daarmee voldoet aan zijn verzor-gingsplicht jegens zijn eerste echtgenote in die zin dat daarmee het ten tijde van het huwelijk be-staande vooruitzicht van zijn eerste echtgenote op uitkeringen ingeval van vooroverlijden van be-langhebbende, dat door de echtscheiding verloren gaat, in de vorm van een BPP-voorziening wordt ondervangen. Het huwelijk van belanghebbende met zijn eerste echtgenote in de periode 1964-1974 bracht immers mee dat belanghebbende een verzorgingsplicht had jegens zijn eerste echtgenote, ook voor wat betreft een vooroverlijdensvoorziening. Met het BPP bleef deze voor-ziening voor zijn eerste echtgenote, naar rato van het aantal pensioenjaren tot de echtscheiding, behouden. Het feit dat voor de berekening van het BPP de berekeningsgrondslag van een - na echtscheiding gelegen - later jaar wordt gehanteerd levert geen verrijking op, ook niet nu de na echtscheiding verkregen salarisverhogingen van belanghebbende als gevolg daarvan doorwerken in het te berekenen BPP; immers in het op het tijdstip van echtscheiding verkregen uitzicht op BPP is reeds verdisconteerd dat die eventuele latere salarisverhogingen in de berekening van het BPP doorwerken, zodat die latere salarisverhogingen onderdeel vormen van de op het tijdstip van echt-scheiding uit hoofde van de verzorgingsplicht getroffen BPP-voorziening.

4.16.4. De stelling van belanghebbende (mva punt 3.8.6.) dat zijn eerste echtgenote in 1974 is ge-huwd en bij haar nieuwe echtgenoot tot 1995 een volwaardig PP heeft opgebouwd, terwijl zijn huidige echtgenote met een tekort aan pensioen wordt geconfronteerd, brengt het hof niet tot een ander oordeel. Het is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar dat de uit hoofde van voormelde verzorgingsplicht gerechtvaardigde aanspraak op een BPP van zijn eerste echtgenote, die zij door de echtscheiding in 1974 heeft verkregen, onverkort gehandhaafd blijft, ook indien zij als gevolg van haar huwelijk met de nieuwe echtgenoot aanspraak zou kunnen ma-ken op een volwaardig partnerpensioen.

Aangenomen dat zijn eerste echtgenote aan haar nieuwe huwelijk een volwaardig PP ontleent, is die "verrijking" een gevolg van omstandigheden die zich na de echtscheiding hebben voorgedaan, en niet een "verrijking" die ten koste is gegaan van de huidige echtgenote van belanghebbende.

Grief 8 faalt.

4.17. Met betrekking tot grief 9 overweegt het hof het volgende.

4.17.1. Het beroep van belanghebbende op artikel 26 van het BUPO-verdrag heeft de kantonrech-ter terecht verworpen.

Belanghebbende stelt dat, indien hij in 1974 bij een andere werkgever in dienst zou zijn getreden die niet bij het ABP was aangesloten, zijn eerste echtgenote slechts aanspraak had kunnen maken op een BPP dat gebaseerd was op een berekeningsgrondslag van het jaar 1974 die niet als gevolg van zijn salarisverhogingen in de periode 1974 tot en met 1995 was verhoogd. De bij de andere werkgever op te bouwen partnerpensioenrechten zouden in dat geval volledig aan de huidige echt-genote van belanghebbende zijn toegekomen, terwijl een eventuele verhoging van het BPP van zijn eerste echtgenote ten laste van het ABP zou komen. In zoverre, aldus belanghebbende, wordt be-langhebbende ongerechtvaardigd ongelijk behandeld ten opzichte van anderen die in dezelfde situ-atie zitten, maar deelnemerschap bij het ABP op enig moment voor 1995 staakten (mvg punt 3.8.3. en 3.9.3.).

4.17.2. Ook deze stelling faalt. Indien belanghebbende na de echtscheiding in 1994 van werkgever was gewisseld en daardoor niet langer in de ABP-regeling zou zijn opgenomen, zou zijn nadien ge-stegen, elders verdiende salaris niet ten gunste van zijn eerste echtgenote zijn verdisconteerd in het BPP, maar dat gegeven is niet een gevolg van een ongelijke behandeling door het ABP van gelijke gevallen. Immers het geval dat een werknemer van dienstbetrekking wisselt en daardoor niet meer deelneemt in dezelfde pensioenregeling is niet gelijk en ook niet vergelijkbaar met het geval dat de werknemer in dezelfde pensioenregeling blijft deelnemen.

4.18. Voorts doet belanghebbende een beroep op art. 1 van het Protocol I bij het EVRM.

4.18.1. Ook dit beroep faalt. De onderhavige, door de wet geregelde wijze van vermindering van het PP met het BPP kan niet worden aangemerkt als een inbreuk op het ongestoord genot van ei-gendom van de door belanghebbende opgebouwde aanspraken op partnerpensioen. De regeling van artikel 15 WPA, artikel 18.20, lid 3 en PR en art. 7.2., lid 4 PR schrijft een dergelijke verminde-ring weliswaar dwingend voor, maar de regeling ontneemt aan belanghebbende geen aanspraken op partnerpensioen; de regeling houdt een verdeling in van de door belanghebbende opgebouwde aanspraken op partnerpensioen over zijn huidige echtgenote en vroegere echtgenote, en wel een verdeling waarbij aan de huidige echtgenote van belanghebbende geen aanspraken worden ontno-men. Immers op het deel van het partnerpensioen waarop in het kader van deze verdeling een aan-spraak aan zijn eerste echtgenote wordt toegekend, heeft de huidige echtgenote van belangheb-bende, zijn huidige echtgenote, nimmer aanspraak verkregen.

Voorzover moet worden aangenomen dat de aldus voorgeschreven wijze van verdeling een in-breuk vormt op het ongestoord genot van eigendom van belanghebbende op de door hem opge-bouwde aanspraken op partnerpensioen, is het hof van oordeel dat deze wijze van verdeling een maatschappelijk aanvaardbaar resultaat is van een belangenafweging. Deze verdeling dient ertoe het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang, zoals be-doeld in lid 2 van artikel 1 van het Protocol I bij het EVRM (vgl. HR 24 oktober 1997, NJ 1999, 395).

Er is dus geen sprake van strijd met art. 1 van het Protocol I bij het EVRM.

Grief 9 faalt.

4.19 Met betrekking tot grief 10 overweegt het hof het volgende.

4.19.1. Belanghebbende stelt kort gezegd dat de maatschappelijke veranderingen sedert het tot stand komen van de ABP-wet in 1964-1966 meebrengen dat er voldoende grond is om met ge-bruikmaking van de hardheidsclausule van artikel 19.1 PR af te wijken van de regeling van artikel 15 WPA en 18.20, lid 3 PR.

4.19.2. Ingevolge de hardheidsclausule kan het bestuur, wanneer toepassing van het PR naar het oordeel van het bestuur tot een onredelijke uitkomst leidt, ten gunste van de belanghebbende een beslissing nemen die met de strekking van het PR overeenkomt. Het hof is van oordeel dat het be-stuur van het ABP in redelijkheid tot de conclusie kon komen dat zich hier niet de situatie voor-doet dat toepassing van het PR tot een onredelijke uitkomst leidt en dat daarom een van het PR afwijkende beslissing zou moeten worden genomen die met de strekking van het PR overeenkomt. Immers, toepassing van het reglement leidt niet tot een onredelijke uitkomst, maar tot een uit-komst die met de strekking van het PR overeenkomt. Die uitkomst is immers door de sociale part-ners die het PR hebben totstandgebracht, beoogd. Belanghebbende stelt dat, nu zijn eerste echtge-note in 1974 is hertrouwd met een (verdienende) partner en aan dit huwelijk een volwaardig PP kan ontlenen, zij na zijn overlijden financieel in aan aanzienlijk gunstiger positie komt te verkeren dan zijn huidige echtgenote. Het hof is van oordeel dat dit echter geen gevolg is van een onredelij-ke, onevenredige of discriminatoire verdeling in de PR van het ABP van de aanspraken op part-nerpensioen van belanghebbende, maar van omstandigheden die zich na de echtscheiding hebben voorgedaan en die zijn eerste echtgenote persoonlijk aangaan.

Grief 10 faalt.

4.20. Nu de grieven 1 tot en met 10 falen, faalt ook grief 11. De slotsom is dat nu alle grieven fa-len het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1. In hoger beroep is in geschil of de pensioenuitkering van het ABP tot het belastbare in-komen uit werk en woning van belanghebbende dient te worden gerekend. Het geschil spitst zich daarbij toe op de vraag of de door het ABP toegepaste verdeling van het totale nabe-staandenpensioen tussen de eerste echtgenote en de huidige echtgenote van belanghebbende de pensioenregeling onzuiver maakt, hetgeen belanghebbende stelt, en de Inspecteur gemo-tiveerd betwist.

4.2. Belanghebbende stelt zich - kort gezegd - op het standpunt dat de wijze waarop het ABP het pensioenreglement uitlegt - meer in het bijzonder de bepalingen over de toedeling van het (bijzondere) nabestaandenpensioen aan zijn eerste echtgenote en zijn huidige echt-genote - in strijd is met de destijds in de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB) aan pensioenregelingen gestelde eisen, zodat de pensioenregeling onzuiver en de pensioenuitke-ring onbelast is.

4.3. De Inspecteur heeft de standpunten van belanghebbende gemotiveerd weersproken.

4.4. Voor de overige standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen, verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en vaststelling van het belastbare inkomen uit werk en woning op € 14.744.

5.2. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

Beoordeling van het hoger beroep

6.1. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en daarbij overwogen dat een pen-sioenregeling die, naar niet in geschil is, op zich aan de in de Wet LB gestelde eisen voldoet, niet onzuiver wordt door de wijze waarop de uit deze regeling voortvloeiende rechten door de pensioenuitvoerder tussen de rechthebbenden worden verdeeld en dat reeds op deze grond het beroep van belanghebbende faalt.

6.2. Het Hof verenigt zich met de beslissingen van de rechtbank dat de pensioenregeling niet als onzuiver kan worden aangemerkt en met de daartoe gebezigde gronden. Het Hof maakt deze tot de zijne. In hoger beroep heeft belanghebbende de stellingen en standpunten herhaald die hij voor de rechtbank en het hof ’s-Hertogenbosch heeft aangevoerd. Hij heeft daaraan niets toegevoegd dat op die beslissingen en gronden een ander licht werpt of dat zou moeten leiden tot een andere beslissing.

6.3. Belanghebbende heeft niet verzocht te worden gehoord op zijn bezwaar. Ingevolge arti-kel 25 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is de Inspecteur in zo’n geval daartoe niet gehouden.

6.4. Op grond van het vorenoverwogene faalt het hoger beroep.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. P.J.J. Vonk, J.W. baron van Knobelsdorff en E.J.M.Rosier, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Y. Postema-van der Koogh. De be-slissing is op 17 maart 2009 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingka-mer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden ver-zocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.