Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BI2714

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-04-2009
Datum publicatie
29-04-2009
Zaaknummer
105.005.493/01, C06/1281 (oud)
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

arbeid: kennelijk onredelijk ontslag; C=0

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2009-0354
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVEHAGE

Sector handel

Zaaknummer : 105.005.493/01

Rolnummer (oud) : C06/01281

Rolnummer rechtbank : 687227 \ CV EXPL 05-42262

arrest van de negende civiele kamer d.d. 21 april 2009

inzake

[DE WERKNEEMSTER],

wonende te [Woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: [de werkneemster],

advocaat: mr. E.A. Breetveld te 's-Gravenhage,

tegen

de gemeente Rotterdam,

zetelend te Rotterdam,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de Gemeente,

advocaat: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt te 's-Gravenhage.

Het geding

Bij exploot van 25 september 2006 is [de werkneemster] in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Rotterdam, sector kanton, locatie Rotterdam, tussen partijen gewezen vonnis van 27 juni 2006. Bij memorie van grieven heeft [de werkneemster] zeven grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord heeft de Gemeente de grieven bestreden.

Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. De door de rechtbank in het bestreden vonnis vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal daar van uitgaan.

2. Het gaat in deze zaak om het volgende:

2.1[de werkneemster], geboren op 24 januari 1951, is op 1 december 1997 als zogenoemde banenpooler voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij de Stichting Nieuwe Banen Rotterdam Werkt. De arbeidsovereenkomst is aangegaan met het doel dat [de werkneemster] op detacheringsbasis arbeid gaat verrichten bij een opdrachtgever in de collectieve sector of ieder andere door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid nader aan te wijzen sector.

2.2 Op 1 januari 1998 is die arbeidsovereenkomst omgezet in een arbeidsovereenkomst met de Gemeente en sinds 1 januari 2004 geldt het dienstverband als een voorziening op grond van de Wet werk en bijstand.

2.3 [de werkneemster] is in de loop der jaren gedetacheerd geweest bij meerdere opdrachtgevers.

Per 1 december 1997 werd [de werkneemster] gedetacheerd bij de Stichting August Hermann Franckehuis, later Stichting Flexus, op de afdeling Huishouding. Deze detachering is per 30 september 2001 beëindigd. In een rapportage van 3 september 2001 schrijft de consultent van [de werkneemster], de heer [X] (verder: [X]) over de beëindiging het volgende:

"(... )St Flexus heeft besloten niet meer verder te gaan met Mevrouw [de werkneemster] en dan wel volgens de onderstaande redenen:

* te veel (probleem)gesprekken geen verbetering;

(...)

* gedragsprobleem; schiet te snel in de verdediging, gaat hard praten en laat anderen niet aan het woord;

* wil de functie te zelfstandig uitvoeren, (...)

Als consulent heb ik op verzoek van de inlener en rekening houdend met de inhoud van de reeds gevoerde gesprekken, besloten om de detachering te beeindigen. Wij zijn overeengekomen om een maand opzegtermijn in te lassen. De detachering wordt officieel per 30 september 2001 beeindigd."

2.4 Met ingang van 4 december 2001 werd [de werkneemster] als assistent-beheerder gedetacheerd bij de gemeentelijke tak van dienst Sport en Recreatie. Deze detachering is per 31 maart 2002 beëindigd. In een brief van 8 mei 2002 aan [de werkneemster] schreef de Gemeente dienaangaande onder meer het volgende:

"(...)Sinds 4 december 2001 bent u getetacheerd bij Sport en Recreatie (project) als assistent beheerder. Uw detachering is beëindigd. Uw laatste werkdag was 31 maart 2002. De reden van het beëindigen van uw detachering is dat u zich niet kunt aanpassen in het team. "

2.5 In een rapportage van [X] van 13 januari 2003 is onder meer het volgende vermeld:

"Sollicitatie: bij de Omij in de functie van schoonmaakster. (juli 2002)

Zij heeft bij het matchingsgesprek bij Werkstad aagegeven wel te willen. Maar op gesprek bij de Omij heeft zij echter de functie geweigerd.

Vacatureaanbod: DMK, functie produktiemedewerkster (oktober 2002)

Bij de functiebespreking heeft zij al de vacature geweigerd.

Vacatureaanbod: Verpleeghuis Schiehoven, etageassisten (januari 2003)

Gaf eerder aan om in de verzorging te willen vandaar deze vacature. Nu geeft zij aan dat zij geen avonddiensten wil draaien en ook geen weekenddiensten. Heeft een contract voor 30 uur. Wil ook per se nog 9 uur beginnen en 15.00 stoppen.

Vacatureaanbod: Verpleeghuis Hannie Dekhuizen (februari 2003)

Hierbij hoefde zij geen avanddiensten draaien maar wel weekenden. Zij heeft het bot geweigerd.

Ik heb verteld dat als zij zich zo beperkt opstelt dat daardoor het niet zal lukken om een plek voor haar te vinden. Dat gevolgen kan hebben voor haar contract. (...)"

2.6 Bij brief van 12 februari 2003 schreef de gemachtigde van [de werkneemster] onder meer het volgende aan de Gemeente:

"Betreft: Klacht

(...)

Uit het gesprek met werkneemster is gebleken dat zij niet tevreden is met het te verrichten taken. Werkneemster is echter van oordeel dat haar taken niet aansluiten bij haar ervaring noch opleiding. Zij begeert thans duidelijkheid te hebben over haar taken. Wijzigingen die haar werkzaamheden betreffen, behoren in overleg met werkneemster te gebeuren, welke volgens haar nooit gebeurde.

Werkneemster wenst thans geen verdere medewerking met haar consulent genaamd, Dhr. [X]. Werkneemster voelt zich lastig gevallen door haar consulent en is van oordeel dat hij haar probeert te belazeren door haar een ontslagovereenkomst te laten tekenen. Wel is werkneemster bereidt om direct weer aan het werk te gaan en wenst hiervoor een nieuwe consulent. (...)"

[de werkneemster] kreeg een nieuwe consulent, mevrouw [Y].

2.7 [de werkneemster] werd vanaf 6 mei 2003 gedetacheerd bij MBR Green Clean in de functie van schoonmaakster, aanvankelijk aan de Van Blommesteijnweg. Begin oktober 2003 heeft de opdrachtgever tijdens een functioneringsgesprek aangegeven dat [de werkneemster] haar werk goed deed en dat de taken waren aangepast aan haar medische beperkingen. Aansluitend heeft [de werkneemster] bij een andere locatie van dezelfde opdrachtgever gewerkt. Deze detachering is per 26 februari 2004 geëindigd. In een brief van 15 maart 2004 schreef de Gemeente (onder meer) het volgende aan [de werkneemster]:

"(...)Sinds 7 oktober 2003 bent u gedetacheerd bij MBR Multibedrijven Spec. Organisatie als algemeen medewerker. Uw detachering is beëindigd. Uw laatste werkdag was 26 februari 2004. De reden van het beëindigen van uw detachering is dat in verband met uw houdingsproblemen en weigering van bepaalde taken zal de detacheringsovereenkomst conform het verzoek van de inlener, beëindigd is.(...)"

2.8 [de werkneemster] werd vervolgens voor de periode 22 maart tot 21 juni 2004 gedetacheerd bij de Stichting Werk Kralingen-Crooswijjk. Volgens de opdrachtgever verliepen de werkzaamheden naar tevredenheid.

2.9 [de werkneemster] werd daarna geplaatst als keukenmedewerker bij het verzorgingshuis "De Wetering". Deze plaatsing werd per 19 juli 2004 op initiatief van de inlener beëindigd. In een emailbericht van 20 juli 2004 aan de inlener schreef de Gemeente hierover het volgende:

"Gisteren (...) hebben jullie besloten om de detacheringsovereenkomst met [de werkneemster] te beëindigen. Ik zou dat nog even definitief naar je bevestigen inclusief de punten waarop dit gebaseerd is.

- werktempo ligt heel erg laag

- motivatie en initiatief of inzicht is niet aanwezig

- wil geen advies aan nemen van andere collega,s.

- heeft een duidelijk attitude probleem.

- Kan niet zelfstandig werken.

- Kan slecht in team verband werken

- zij is zelf van mening dat dit werk te zwaar voor haar is en zij beter zou functioneren op een werkplek waar de werkdruk lager ligt (kantine juffrouw/gastvrouw) (...)"

2.10 [de werkneemster] heeft zich op 16 juli 2004 ziek gemeld. Op verzoek van de Gemeente heeft de Arbo Unie op 17 augustus 2004 een arbeidskundige rapportage opgesteld. Daarin is onder meer het volgende gesteld:

"(...)

2. Vraagstelling

2.1 Is het huidige/aangeboden werk passend, naar kracht en bekwaamheid van betrokkene?

(...)

2.3 Wat zijn de mogelijkheden tot reïntegratie in het arbeidsproces?

2.4 Welk traject is hiertoe aangewezen?

3. Conclusies

3.1 Nee, gezien mijn bevindingen is de aangeboden functie medewerker keuken niet passend. De functie wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van piekmomenten, dit is m.i. als een overschrijding van de belastbaarheid aan te merken. (...)

3.3.2. Mogelijkheden bij een andere werkgever: aanmelding voor wsw bedrijf een optie. Immers er is conform fml sprake van zowel psychische in combinatie met fysieke beperkingen. Bovendien heeft betrokkene in eerdere herplaatsingstrajecten bij Multibedrijven en St. Kralingen-Crooswijk naar behoren gefunctioneerd. Deze organisaties zijn gespecialiseerd in de uitvoering van functies die aan de WSW criteria voldoen.

3.4.1 Naar aanleiding van deze rapportage kan het vervolgtraject worden ingezet. Gezien de aard van de beperkingen mijn advies betrokkene te herplaatsen op bijvoorbeeld licht produktiewerk dat Werkstad i.s.m. Multibedrijven wellicht kan aangebieden. Gezien mijn bevindingen in dit onderzoek verwacht ik dat met name de psychische beperkingen (eenduidige taakstelling en dito aansturing, conform fml) het grootste knelpunt vormt bij herplaatsing van betrokkene.

3.4.2 Aanmelding AMT voor overdracht naar WSW bedrijf. (...)"

2.11 [de werkneemster] is vervolgens met ingang van 27 augustus 2004 in het kader van de start een WSW-traject – zonder inleenvergoeding – geplaatst bij Roteb/MBR.

2.12 Bij brief van 21 september 2004 verzocht [de werkneemster] de Gemeente om toewijzing van een andere consulent. Zij schreef onder meer:

"Via deze weg wil ik u vragen om mij een andere consulent toe te wijzen. De reden is dat ik het gevoel heb dat mijn huidige consulente mevrouw [Y] mij niet goed begrijpt. Er zijn steeds conflicten tussen ons en hierdoor raak ik in de war. Voorheen werkte ik voor Nieuwe Banen Rotterdam en heb nog nooit een probleem gehad met mijn consulente. (...)"

2.13 De Gemeente heeft dit verzoek bij brief van 28 september 2004 afgewezen overwegende:

"(...) Het is beleid van Werkstad om het aantal wisselingen van consulent zoveel mogelijk te beperken. Werkstad kiest er met dit beleid voor de dienstverlening aan werknemers en inleners zoveel mogelijk te continueren.

U ontvangt een salaris van de gemeente Rotterdam en wordt geacht in ruil daarvoor arbeid te verrichten. Uw consulent heeft hierbij de taak u te begeleiden en voor u te zoeken naar een passende functie. Werkstad hanteert hierbij het begrip maatschappelijk geaccepteerd werk als passend en uw consulent is er in geslaagd een passende werkplek voor u te vinden. Uit uw dossier blijkt dat het de laatste maanden meerdere keren niet goed is gegaan op uw werkplek, waardoor de detacheringsovereenkomt met u is verbroken. Ik kan me voorstellen dat het contact met uw consulent om die reden niet altijd even soepel is verlopen. Op dit moment hebt u echter een passende plaatsing en ik wil u dan ook adviseren uw energie te richten op het goed functioneren op uw werkplek en niet op het contact met uw consulent (...)"

2.12 Bij brief van 23 februari 2005 schreef de Gemeente onder meer het volgende aan [de werkneemster]:

"(...) Per 27 augustus 2004 bent u geplaatst bij Roteb/MBR, werkbedrijf Montaz. Deze plaatsing was in het kader van het starten van uw WSW-traject (...) aangezien uw plaatsbaarheid bij Werkstad steeds meer in het geding kwam. De plaatsing was mede op advies van de arbeidskundige van de Arbo Unie (...)

Tijdens uw plaatsing zijn diverse gesprekken met u gepland om de aanvraag van de Arbeidsmedische Toets (...) met u te bespreken. (...) Werknemers van Werkstad die door heel veel of zware beperkingen niet regulier geplaatst kunnen worden en aangewezen zijn op aangepaste werkplekken werden aangemeld voor de AMT. Ook u bent op een dergelijke plek aangewezen, immers u bent geplaatst bij Roteb/MBR, werkbedrijf Montaz tegen 0-tarief omdat u niet meer plaatsbaar bent op een werkplek waarvoor, zoals gebruikelijk, een inleenvergoeding wordt betaald.

U heeft het gesprek van 15 oktober 2004 binnen enkele minuten beëindigd. Op het gesprek d.d. 15 december 2004 bent u, zonder opgaaf van redenen, niet verschenen.

Gedurende deze periode heeft uw consulent, mw. [Y] , diverse keren getracht u telefonisch te spreken, echter u heeft geweigerd met uw consulent te spreken. Ook toen uw consulent u op uw werkplek heeft benaderd, heeft u geweigerd aan de telefoon te komen met de mededeling dat u 'Niets te maken wilt hebben' met uw consulent.

Op donderdag 10 februari 2005 stond een functioneringsgesprek op de werkplek gepland. U heeft, via de werkbegeleider, laten weten niet aan het gesprek deel te nemen. Hierdoor heeft ook dit gesprek niet plaats kunnen vinden.

Werkstad is, naar aanleiding van uw arbeidsverleden en uw plaatsingshistorie, tot de conclusie gekomen dat de aanvraag van een WSW indicatie het enige goede en haalbare traject is en ziet een WSW-traject als een laatste optie om u regulier werk aan te kunnen bieden.

Van Roteb/MBR heb ik begrepen dat uw detachering bij Montaz niet verlengd zal worden. Dit heeft met uw beperkte inzetbaarheid te maken en ook met uw weigering om aan het WSW-traject deel te nemen (alleen werknemers in een WSW traject kunnen en zullen nog geplaatst worden bij Roteb/MBR).

Ik stel u voor de laatste keer in de gelegenheid om uw medewerking te verlenen aan de aanvraag van de WSW-indicatie. Dit gesprek zal plaatsvinden op maandag 28 februari 2005 (...).

Indien u geen medewerking verleent, zal Werkstad overgaan tot het beëindigen van uw arbeidsovereenkomst. "

2.14 Bij brief van 17 maart 2005 heeft de Gemeente de arbeidsovereenkomst met [de werkneemster] met inachtneming van de wettelijke opzegtermijn van 2 maanden opgezegd tegen 1 juni 2005. Als reden wordt in deze brief genoemd:

"(...) U bent meerdere malen uw detachering door uw houding en gedrag verwijtbaar kwijtgeraakt. U heeft ook aanbiedingen om u te bemiddelen naar werk geweigerd. U bent herhaaldelijk aangesproken op uw houding en gedrag en gewezen op het feit dat wij u door uw houding en gedrag niet meer kunnen bemiddelen naar werk en dat deze situatie uiteindelijk zal leiden tot het beëindigen van uw arbeidsovereenkomst.

Werkstad heeft u namelijk aangeboden om u aan te melden voor een Arbeidsmedische Toets (...). De reden is dat wij van mening zijn dat u op grond van uw persoonskenmerken in aanmerking kunt komen voor een indicatie in het kader van de Wet Sociale Werkvoorziening (...)

Om de periode tussen aanmelding en een eventuele definitieve WSW-indicatie te overbruggen heeft Werkstad met medewerking van de Roteb (...) een werkplek gecreëerd. Uw consulent, mevrouw [Y], heeft getracht dit aanbod uitvoerig met u te bespreken. U heeft geweigerd haar hiervoor de gelegenheid te geven door het gesprek binnen enkele minuten te beëindigen. Mevr. [Y] heeft daarna herhaaldelijk geprobeerd contact met u te krijgen. Echter zonder succes. Via uw werkbegeleider kregen wij te horen dat u niet met uw consulent wilt spreken. Daarom heeft mevr. [Z] (leidinggevende van uw consulent) u uitgenodigd op 28 februari 2005 om genoemd aanbod met u te bespreken. U bent echter zonder tegenbericht niet komen opdagen. (...) Wij stellen vast dat u door uw houding en gedrag niet meer bemiddelbaar bent naar werk. (...)"

2.18 Bij brief van 7 oktober 2005 schreef de gemachtigde van [de werkneemster] onder meer het volgende aan de Gemeente:

"Cliënte acht deze opzegging kennelijk onredelijk als bedoeld in art. 7:681 BW. Cliënte maakt uit dien hoofde primair aanspraak op herstel van het dienstverband, subsidiair op een schadevergoeding.

Cliënte bestrijdt de in uw brief van 17 maart 2005 aangevoerde gronden voor opzegging. Cliënte ontkent dat zij door houding en gedrag meerdere malen haar detachering is kwijt geraakt, en eveneens dat zij aanbiedingen om te bemiddelen naar werk heeft geweigerd.

Naar overtuiging van cliënte is uw beweegreden om tot opzegging over te gaan vooral gelegen in de slechte relatie die cliënte had met haar consulente mevrouw [Y]. (...) De beëindiging is aldus geschied onder een valse of voorgewende reden als bedoeld in art. 7:681 lid 2 BW.

De opzegging is voorts kennelijk onredelijk vanwege de ernstige gevolgen die cliënte van de opzegging ondervindt. Aan cliënte is per 1 juni 2005 een WW-uitkering geweigerd, hetgeen voor u gelet op de aangevoerde gronden voor de opzegging voorzienbaar moet zijn geweest. Bij een zorgvuldige belangenafweging als voorgeschreven bij art. 7:681 BW had u niet tot deze wijze van opzegging kunnen overgaan (...)"

2.19 Bij inleidende dagvaarding vorderde [de werkneemster] een verklaring voor recht dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst per 1 juni 2005 door de Gemeente kennelijk onredelijk is en primair herstel van dienstbetrekking, met verzoek om een voorziening voor de periode waarin de arbeidsovereenkomst onderbroken is geweest en subsidiair betaling van een bedrag van € 36.389,87, vermeerderd met wettelijke rente bij wijze van schadevergoeding, een en ander met veroordeling van de Gemeente in de proceskosten.

2.20 De rechtbank heeft in het bestreden vonnis de vorderingen van [de werkneemster] afgewezen en haar veroordeeld in de kosten van het geding.

3.1 De grieven van [de werkneemster] zijn gericht tegen de overwegingen die hebben geleid tot de afwijzing van haar vorderingen. Zij lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

3.2 De eerste vraag die partijen verdeeld houdt is of de Gemeente de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd onder opgave van een valse of voorgewende reden.

3.3 Het hof is met de rechtbank van oordeel dat hiervan niet is gebleken. Uit de feiten zoals hiervoor weergegeven blijkt op voldoende overtuigende wijze dat de door de Gemeente aangevoerde redenen zich daadwerkelijk hebben voorgedaan. Uit de diverse brieven komt een consistent beeld naar voren, dat uiteindelijk ook is bevestigd in de arbeidskundige rapportage van de Arbo Unie (r.o. 2.10), te weten dat [de werkneemster] door haar houding en gedrag onbemiddelbaar is voor een reguliere plaatsing. Weliswaar heeft [de werkneemster] de juistheid van het in de diverse brieven gestelde op onderdelen betwist (antwoordakte van 2 mei 2006), maar deze betwisting acht het hof – gelet op het hiervoor genoemde consistente beeld – onvoldoende onderbouwd. Bovendien ontbreekt een medische- en/ of arbeidskundige rapportage die haar standpunt ondersteunt dat [de werkneemster] plaatsbaar was in andere arbeid dan WSW-arbeid. Dat de slechte verhouding van [de werkneemster] met haar consulente mevrouw [Y] de werkelijke reden was van het ontslag, acht het hof in het licht van het voorgaande en omdat [de werkneemster] – anders dan zij stelt in haar brief van 21 september 2004 (r.o. 2.12) – ook met haar vorige consulent problemen heeft gehad (r.o. 2.6) ongeloofwaardig.

De – eventueel onheuse – bejegening op 15 oktober 2004 doet hieraan niet af. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen.

3.4 Voor het oordeel dat de wijze waarop de arbeidsovereenkomst is opgezegd het ontslag kennelijk onredelijk maakt, heeft [de werkneemster] te weinig gesteld. Uit de brief van 23 februari 2005 (r.o. 2.12) blijkt dat de Gemeente [de werkneemster] heeft uitgenodigd voor een gesprek om haar voor de laatste maal in de gelegenheid te stellen medewerking te verlenen aan de aanvraag van de WSW-indicatie en [de werkneemster] heeft gewaarschuwd voor de gevolgen van het onthouden van haar medewerking. Onder deze omstandigheden kon de Gemeente, nu de gevraagde medewerking uitbleef en [de werkneemster] niet op het gesprek is verschenen, in redelijkheid over gaan tot opzegging van de arbeidsovereenkomst zoals zij heeft gedaan.

3.5 Resteert de vraag of het ontslag kennelijk onredelijk is in verband met het zogenoemde gevolgencriterium.

3.6 Het hof stelt voorop dat naar vaste rechtspraak bij de beoordeling of de gevolgen van de opzegging voor de werknemer te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij de opzegging, de rechter alle omstandigheden van het geval ten tijde van het ontslag in onderlinge samenhang in aanmerking dient te nemen (HR 15 februari 2008, NJ 2008, 111). Uit de wet volgt dat daarbij een aan de werknemer toe te kennen vergoeding als voorziening voor het verlies van de dienstbetrekking in aanmerking dient te worden genomen.

3.7 Het hof verwijst naar zijn op 14 oktober 2008 en op 20 januari 2009 gewezen arresten (LJN BF7002, BF6720, BF6790, BF6960, BF7077, BF8122, BF8136 en BH0254) in zaken waarin vergoedingen gevorderd zijn op grond van kennelijk onredelijk ontslag. In deze arresten wordt overwogen dat het hof voortaan zal uitgaan van, kort gezegd, de uitkomst van de kantonrechtersformule, verminderd met 30%. Daarbij wordt door middel van de C-factor van de kantonrechtersformule rekening gehouden met voor de hoogte van de vergoeding relevante omstandigheden. Het hof zal in deze zaak overeenkomstig de rov. 5.2 en 5.3 van eerstgenoemd arrest recht doen.

3.8 In casu zijn onder meer de volgende factoren van belang. Nu plaatsing van [de werkneemster] in een reguliere betaalde opdracht buiten de schuld van de Gemeente in toenemende mate een onoplosbaar probleem bleek vanwege voornamelijk houding en gedrag van [de werkneemster], de Arbodienst van de Gemeente had geadviseerd [de werkneemster] vanwege psychische beperkingen aan te melden voor een AMT voor overdracht naar een WSW-bedrijf, en [de werkneemster] in afwachting daarvan – onbetaald – was geplaatst bij Roteb, waar zij echter alleen kon blijven in het kader van die aanvraag, had de Gemeente, nu [de werkneemster] medewerking aan die aanvraag weigerde, een duidelijk belang bij beëindiging van het dienstverband met [de werkneemster].

Daartegenover staan de gevolgen van het ontslag voor [de werkneemster]. Gelet op haar leeftijd en beperkingen zal het voor haar niet eenvoudig zijn een andere passende betrekking te vinden. De omstandigheid dat [de werkneemster] gelet op de reden van het ontslag niet in aanmerking is gebracht voor een WW-uitkering acht het hof niet van belang, nu [de werkneemster] deze reden aan zichzelf heeft te wijten.

3.9 Gelet op bovengenoemde omstandigheden is het hof van oordeel dat er reden is om de C-factor op nul te stellen, omdat de Gemeente voldoende heeft gedaan om [de werkneemster] geplaatst te krijgen en dat de reden van beëindiging van de arbeidsovereenkomst geheel aan [de werkneemster] is te wijten, dan wel in haar risicosfeer ligt. Dit brengt met zich dat het ontslag zonder vergoeding in de gegeven omstandigheden naar het oordeel van het hof evenmin kennelijk onredelijk is met een beroep op het gevolgencriterium.

3.10 Het vorenstaande betekent dat het bestreden vonnis dient te worden bekrachtigd. [de werkneemster] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten. De proceskostenveroordeling zal – zoals door de Gemeente gevorderd – uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Rotterdam, sector kanton, locatie Schiedam van 27 juni 2006;

- veroordeelt [de werkneemster] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van de Gemeente tot op heden begroot op € 248,- aan griffierecht en € 894,- aan salaris advocaat;

- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.J. van der Ven, R.C. Schlingemann en R.S. van Coevorden en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 april 2009 in aanwezigheid van de griffier.