Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BI1964

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-04-2009
Datum publicatie
28-04-2009
Zaaknummer
105.012.766/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bijdrage in het levensonderhoud van de ex-echtgenote. afhankelijkheid daarvan van het bewonen van de voormalige echtelijke woning. te laat ingediend verzoek tot verlenging alimentatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 1 april 2009

Zaaknummer : 105.012.766/01

Rekestnummer (oud) : 337-R-08

Rekestnr. rechtbank : FA RK 07-7648

[appellant]

wonende te [woonplaats]

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. S.L. Mertens-Vrede,

tegen

[geïntimeerde]

wonende te [woonplaats]

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. M. Mook.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vrouw is op 27 februari 2008 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank Dordrecht van 28 november 2007.

De man heeft op 8 mei 2008 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof op 7 april 2008 en 20 januari 2009 aanvullende stukken ingekomen.

Op 30 januari 2009 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vrouw en de man, bijgestaan door hun advocaten. Partijen hebben het woord gevoerd, de advocaat van de vrouw onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotities.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking is onder meer – uitvoerbaar bij voorraad – de vrouw niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot wijziging van partneralimentatie. Tevens is voor recht verklaard dat de alimentatieverplichting van de man ten behoeve van de vrouw is geëindigd per 24 december 2006. De door de vrouw teveel ontvangen alimentatie dient vanaf 24 december 2006 aan de man te worden terugbetaald binnen 14 dagen na dagtekening van deze beschikking.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de alimentatie voor de vrouw, de behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man.

2. De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen, en, opnieuw beschikkende,

o te bepalen dat de man de partneralimentatie dient te betalen conform de beschikking vanaf de datum van beëindiging van 31 maart 2007 dan wel met ingang van de dag van indiening van het verzoekschrift in eerste aanleg dan wel met ingang van een datum door uw gerechtshof in goede justitie te bepalen;

o te bepalen dat de man de door de vrouw gemaakte overbruggingskosten in verband met de verkoop van de woning en de verhuizing tot een bedrag van € 5.000,- dient te vergoeden;

o te vernietigen de verklaring voor recht dat de alimentatieverplichting van de man ten behoeve van de vrouw is geëindigd per 24 december 2006 en de daarbij behorende beslissing dat de vrouw de vanaf die datum ontvangen bedragen aan partneralimentatie aan de man dient terug te betalen.

Indien uw gerechtshof van oordeel is dat de partneralimentatie is geëindigd op 24 december 2006 dan wel op een ander tijdstip:

o de partneralimentatie opnieuw vast te stellen wegens wijziging van omstandigheden met ingang van de datum van beëindiging van 31 maart 2007 dan wel met ingang van de dag van indiening van het verzoekschrift in eerste aanleg dan wel met ingang van een datum door uw gerechtshof in goede justitie te bepalen;

o te vernietigen de verklaring voor recht dat de vrouw de te veel ontvangen bedragen aan partneralimentatie aan de man dient terug te betalen.

3. De man bestrijdt haar beroep en verzoekt de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep, althans de verzoeken van de vrouw af te wijzen.

4. De vrouw heeft drie grieven tegen de bestreden beschikking aangevoerd. In de eerste grief stelt de vrouw dat weliswaar de in het convenant overeengekomen alimentatietermijn is verstreken, doch dat zulks niet geldt voor de (wettelijke) duur van de partneralimentatie. Door het verbreken van de relatie met de heer Van Wegberg, het wegvallen van de partneralimentatie en dat de vrouw thans geen andere inkomsten heeft, stelt zij nog steeds behoeftig te zijn. De vrouw is van mening dat op grond van een wijziging van omstandigheden de partneralimentatie opnieuw moet worden vastgesteld, mede in aanmerking genomen de ten tijde van het huwelijk tussen partijen gevoerde welstand. In de tweede grief stelt de vrouw dat de man moet bijdragen in de kosten van overbrugging- en verhuiskosten. De vrouw is van mening dat de omstandigheden gewijzigd zijn, zodat de gevolgen van de verkoop van de woning redelijkerwijs alsnog tussen partijen bij helfte moeten worden gedeeld. In de derde grief stelt de vrouw dat de man zich bewust was van het eindigen van de partneralimentatie en de partneralimentatie toch heeft doorbetaald. De vrouw stelt de ontvangen alimentatie reeds te hebben opgesoupeerd in de consumptieve sfeer. De vrouw verzet zich dan ook tegen veroordeling tot terugbetaling.

5. De man stelt dat de vrouw niet-ontvankelijk is in haar inleidend verzoek op grond van artikel 1:401 lid 2 Burgerlijk Wetboek, hierna BW, nu de vrouw op grond van artikel 1:157 lid 5 BW niet binnen drie maanden na het verlaten van de woning, op 1 september 2006 of anders 24 december 2006, het verzoek daartoe heeft ingediend. Voorts stelt de man dat een onderhoudsplicht niet meer kan herleven, ook niet op grond van gewijzigde omstandigheden, indien de vrouw zich niet tijdig tegen de beëindiging heeft gekeerd. Indien de vrouw wel ontvankelijk is in haar verzoek, stelt de man dat de vrouw de wijziging van omstandigheden niet aannemelijk heeft gemaakt, nu de verkoop van de woning geen wijziging is, die op grond van de redelijkheid en billijkheid tot wijziging van de alimentatie overeenkomst zou moeten kunnen leiden. Er blijkt geen totale wanverhouding tussen de bedoeling van partijen en hetgeen zich heeft voorgedaan.

De man stelt dat het verzoek van de vrouw tot vergoeding van haar verhuis- en overbruggingskosten dient te worden afgewezen, nu partijen die niet zijn overeengekomen in het convenant. De man stelt dat de vrouw zich bewust was van het feit dat de alimentatie zou worden beëindigd op het moment dat zij de woning zou verlaten. De vrouw kan nu niet het consumptieve karakter van alimentatie betalingen tegenwerpen aan de man.

Ontvankelijkheid

6. Op basis van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting overweegt het hof als volgt. Partijen hebben op 25 maart 2004 een echtscheidingsconvenant gesloten. Dit convenant is aan de echtscheidingsbeschikking van 19 mei 2004 gehecht, welke dezelfde dag is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Bij de echtscheidingsbeschikking is bepaald dat de man ten titel van haar levensonderhoud aan de vrouw dient te betalen € 730,- per maand, maandelijks bij vooruitbetaling te voldoen.

7. In artikel 2.5 van het echtscheidingsconvenant is bepaald: “In afwijking van de wettelijke duurbeperking van alimentatieverplichtingen en van artikel 1:160 BW komen partijen overeen dat op de man een onderhoudsverplichting jegens de vrouw rust tot 28 februari 2021, ook wanneer de vrouw hertrouwt of gaat samenleven met een ander als waren zij gehuwd. De alimentatieverplichting zal komen te vervallen wanneer de vrouw de door haar bewoonde woning aan het [adres] te [woonplaats] verkoopt dan wel verlaat. Voorst zal de vrouw geen aanspraak meer maken op een alimentatie wanneer zij voldoende eigen inkomsten uit arbeid ontvangt.”

Uit de toelichting van de man volgt dat hij deze afwijkende regeling met de vrouw is overeengekomen, aangezien hij het van belang vond dat Rhandy kon blijven wonen in de voormalige echtelijke woning.

Mede bezien deze toelichting die de man heeft gegeven is het hof van oordeel dat een redelijke uitleg van artikel 2.5, met zich mede brengt, dat de vrouw haar recht op een bijdrage in de kosten van levensonderhoud verliest op het moment dat zij voormelde woning verlaat met de intentie om daarin niet meer terug te keren.

Uit de verklaringen van partijen ter zitting in hoger beroep is het hof gebleken dat de vrouw de echtelijke woning op of omstreeks 24 december 2006 heeft verlaten.

Op grond van hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen is het recht van de vrouw op een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud op 24 december 2006 komen te vervallen.

8. Het verzoekschrift dat namens de vrouw is ingediend is gedateerd 16 april 2007. Het verzoek tot verlenging van de termijn had door de vrouw binnen drie maanden na ommekomst van het verlaten van de woning moeten worden ingediend, derhalve voor 24 maart 2007. Nu de vrouw eerst op 16 april 2007 een dergelijk verzoek heeft ingediend, is dit te laat. Mitsdien heeft de rechtbank de vrouw terecht niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek. De vrouw heeft daartegen ook niet gegriefd. Voorzover de vrouw in haar eerste grief betoogt, dat desondanks de verplichting tot betaling van partneralimentatie zou moeten herleven omdat er sprake is van een wijziging van omstandigheden, zoals bedoeld in artikel 1:401 lid 1 BW, passeert het hof deze grief. Op (een) wijziging van omstandigheden van het eerste lid van artikel 1:401 BW kan geen beroep worden gedaan als het gaat om een overeengekomen alimentatieduur. Nu die duur is verstreken en niet meer kan worden verlengd komt het hof niet toe aan een beoordeling van andere wijzigingsgronden, die de vrouw heeft gesteld.

9. Het hof begrijpt grief 2 aldus, dat de vrouw van de man een vergoeding wenst te verkrijgen voor het feit dat zij heeft moeten verhuizen.

10. Volgens de vrouw is in het echtscheidingsconvenant geen regeling opgenomen dat de vrouw jegens de man een aanspraak kan maken op kosten van overbrugging en de verhuiskosten. Het hof begrijpt het betoog van de vrouw aldus, dat de redelijkheid en billijkheid met zich mede brengen, dat het convenant moet worden aangevuld en wel in die zin dat de vrouw recht heeft op vergoeding van de overbruggingskosten en de verhuiskosten.

11. Door de man wordt expliciet bestreden dat hij met de vrouw een regeling is overeengekomen ter zake de overbruggingskosten en de verhuiskosten.

12. Het hof overweegt als volgt. Partijen hebben de vermogensrechtelijke afwikkeling van hun huwelijk vastgelegd in een echtscheidingsconvenant. In dit echtscheidingsconvenant is geen regeling opgenomen ter zake de overbruggingskosten en de verhuiskosten. Nu partijen hierover geen regeling zijn overeengekomen, is er geen contractuele basis op grond waarvan de man de hiervoor genoemde kosten aan de vrouw dient te vergoeden. De redelijkheid en billijkheid waarop de vrouw haar vordering baseert is geen zelfstandige bron van verbintenissenrecht.

13. De grief van de vrouw dat de rechtbank de vrouw ten onrechte heeft veroordeeld tot terugbetaling van de vanaf die datum teveel door haar ontvangen partneralimentatie, slaagt naar het oordeel van het hof evenmin. De vrouw was bekend met het convenant en wist dat de partneralimentatie zou eindigen op het moment van het verlaten of de verkoop van de echtelijke woning. De vrouw had de man hierover tijdig moeten informeren. Nu zij dit heeft nagelaten en het bewust verzwegen heeft, komt dit voor haar rekening en risico. Mitsdien is het hof van oordeel dat terugbetaling van de partneralimentatie vanaf 24 december 2006 in redelijkheid van de vrouw gevergd kan worden.

14. Mitsdien wordt als volgt beslist.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Mink, Labohm en Milar, bijgestaan door mr. Steenks als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 april 2009.