Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BI1940

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
31-03-2009
Datum publicatie
22-04-2009
Zaaknummer
105.007.611/01, C08/201 (oud)
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

arbeidsrecht; persiontoezegging werkgever; voor ongehuwd samenwonenden is er alleen een risico-nabestaandenpensioenuitkering; ingeval van overlijden tijdens dienstverband en vóór persioengerechtigde leeftijd; beide partijen komen hier te pas

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2009, 109
AR-Updates.nl 2009-0335
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector handel

Zaaknummer : 105.007.611/01

Rolnummer (oud) : 08/201

Rolnummer rechtbank : 181899 CV EXPL 06-3608

arrest van de negende civiele kamer d.d. 31 maart 2009

inzake

1. [de werknemer],

2. [de partner],

wonende te [Woonplaats],

appellanten,

hierna te noemen: [de werknemer] en [de partner],

advocaat: mr. A.H. Westendorp te 's-Gravenhage,

tegen

Metso Minerals (Dordrecht) B.V.,

gevestigd te Dordrecht,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Metso,

advocaat: mr. W.P. den Hertog te 's-Gravenhage.

Het geding (vervolg)

Na het tussenarrest van 7 maart 2008 - de daarin bepaalde comparitie is niet gehouden - hebben [de werknemer] en [de partner] bij memorie van grieven (met producties) zes grieven aangevoerd (vier tegen het tussenvonnis van 30 november 2006, één tegen het tussenvonnis van 1 maart 2007 en één tegen het eindvonnis van 18 oktober 2007).

Metso heeft de grieven bij memorie van ant¬woord (met productie) bestreden.

Tot slot hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd (in het procesdossier van Metso ontbreekt het gedeelte van het proces-verbaal van getuigenverhoor van [de werknemer]).

Beoordeling van het hoger beroep

1. Tegen de door de rechtbank in het tussenvonnis van 30 november 2006 sub 1. t/m 6. vastgestelde feiten wordt door [de partner] en [de werknemer] niet opgekomen, zodat ook het hof daarvan uitgaat.

2. Het gaat in deze zaak, kort gezegd, om het volgende.

2.1. [de werknemer] is geboren op 9 januari 1940. Hij is van 1 december 1971 tot aan zijn pensionering op 1 februari 2005 bij Metso in dienst geweest. Onderdeel van de arbeidsovereenkomst was een pensioenvoorziening, die door Metso was ondergebracht bij Nationale Nederlanden Levensverzekering Mij N.V. (hierna: NN).

2.2. [de werknemer] woont sedert 1 juli 1979 samen met [de partner]. Sedert 25 februari 1991 (het hof houdt de vermelding "25 augustus 1991" in het tussenvonnis van de rechtbank op een verschrijving) hebben zij een notarieel verleden samenlevingscontract, dat [de werknemer] in 1999 heeft toegezonden aan de tussenpersoon (in de relatie tussen de partijen in deze procedure) van Metso.

2.3. [de werknemer] ontving via Metso pensioenoverzichten van NN. Daarin wordt werd achtereenvolgens gesproken van een risico-nabestaandenpensioen, een weduwepensioen (in de opgave gedateerd 31-8-2004, met daarbij een bedrag van € 1.811,20) en een risico-nabestaandenpensioen.

2.4. Het risico-nabestaandenpensioen volgens de regeling van Metso bij NN geeft recht op een periodieke uitkering aan de partner van de werknemer indien deze vóór de pensioengerechtigde leeftijd - in dit geval de 1e van de maand, samenvallend met of eerstvolgend op de 65-ste verjaardag van de deelnemer (hierna: 65ste jaar) - overlijdt.

Het nabestaandenpensioen volgens die regeling geeft de weduwe, met wie de werknemer vóór zijn 65ste jaar is gehuwd, recht op een periodieke uitkering indien de werknemer - vóór of na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd - overlijdt.

2.5. Per 1 januari 2002 is de pensioenovereenkomst tussen Metso en NN beëindigd. Vanaf die datum werd voor [de werknemer] een pensioen, alsmede een nabestaandenpensioen, opgebouwd bij het Pensioenfonds voor Metaal en Techniek (hierna: PMT).

2.6. In eerste aanleg vorderden [de werknemer] en [de partner] - zakelijk en voor zover in hoger beroep van belang - veroordeling van Metso om voor [de partner] een geïndexeerde nabestaandenvoorziening te treffen ter grootte van 70% van het ouderdomspensioen van [de werknemer] voor het geval [de werknemer] (na zijn 65ste jaar) overlijdt. De rechtbank heeft deze vordering afgewezen.

3. Het hof zal de vragen die met de grieven en de toelichting daarop aan de orde komen hieronder behandelen en overweegt als volgt.

4. Tussen partijen is niet in geschil dat het pensioenreglement van Metso - sedert (in ieder geval) 1 januari 1992 tot aan de datum waarop Metso verplicht in de regeling van PMT ging deelnemen (1 januari 2002) - voor werknemers die niet waren gehuwd maar op basis van een notarieel verleden samenlevingscontract samenwoonden, slechts voorzag in een risico-nabestaandenpensioen voor het geval van overlijden vóór het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd (65 jaar), alsmede dat een dergelijke verzekering in voormelde periode daadwerkelijk voor [de werknemer] bij NN was verzekerd.

5. [de werknemer] en [de partner] hebben onder meer als volgt aangevoerd.

5.1. [de werknemer] heeft vóór zijn pensionering nooit een pensioenreglement van Metso ontvangen.

5.2. In de inleidende dagvaarding (van [de werknemer] en [de partner]) is onder meer als volgt vermeld:

"11. De heer [de werknemer] ontving via Metso af en toe periodieke overzichten van [NN] over de hoogte van het pensioen. Die overzichten vermeldden aanvankelijk in het geheel geen "weduwepensioen". De heer [de werknemer] en ging er van uit dat dat niet hoefde; het nabestaandenpensioen voor zijn partner betrof 70% van zijn eigen oudedagspensioen zodat de hoogte van dat partnerpensioen eenvoudig (door een vermenigvuldiging met 0,7) was te herleiden, zoals door Metso aangegeven.

12. In november 2002 ontving de heer [de werknemer] zoals gebruikelijk via Metso een pensioenoverzicht van [NN]. Dit overzicht (gedateerd 14 november 2002) vermeldde een "risico-nabestaandenpensioen" à € 15.898,00. Dat was een term die eisers niet kenden en waarover de heer [de werknemer] dan ook navraag deed bij Metso. De heer [X] zag het bedrag op het overzicht, ging verder totaal niet in op de term "risico-nabestaandenpensioen" en verzekerde de heer [de werknemer] - afgaand op genoemd bedrag: "Zie je wel dat alles in orde is".

13. Op het volgende pensioen overzicht van 31 augustus 2004 (bijna 2 jaar later) stond vermeld een "weduwenpensioen" à € 1.811,20. Dit bedrag veroorzaakte begrijpelijkerwijs grote ongerustheid bij de heer [de werknemer] en mevrouw [de partner]. Met het daarop volgende overzicht van 20 september 2004 (3 weken later) werd het vorige bedrag echter gecorrigeerd. Nu was evenwel de vermelding: een risico-nabestaandenpensioen à € 16.774,00. Wederom deed de heer [de werknemer] navraag bij Metso. En wederom verzekerde de heer [X] hem; "Zie je wel, alles okay". Zonder verder aandacht te schenken aan de term "risico-nabestaandenpensioen". "

5.3. In de conclusie van repliek (van [de werknemer] en [de partner]) is onder meer als volgt vermeld:

"Geen informatieverstrekking aan [de werknemer]

24. [de werknemer] was zich niet bewust van enig pensioenreglement, en heeft daarom ook niet gevraagd om toezending daarvan. Volgens de verklaringen van de heren [Y] en [X] zou [de werknemer] eerst informatie bij Metso hebben ingewonnen: zij zouden niets weten, waarna [de werknemer] informatie inwon bij [NN]. Dat is juist: [de werknemer] kon niet anders.

25. Waar het hier nu fout is gegaan, zit 'm in het feit dat Metso [de werknemer] niet heeft geïnformeerd dat voor zijn ongehuwde partner slechts was voorzien in een risico-nabestaandenpensioen. Vervolgens heeft Metso dat ook niet gerepareerd, door alsnog [de werknemer] hierover te informeren

(…)

36. [de werknemer] liet van zich horen zodra hij argwaan kreeg. [de werknemer] vroeg geen nieuw exemplaar van enig pensioenreglement omdat hij in het geheel nimmer enig pensioenreglement en addenda had ontvangen. [de werknemer] vroeg informatie over de inhoud van de pensioenregeling zodra hij daarover argwaan kreeg, maar Metso wist hem geen duidelijkheid te geven (hoewel zij dat eenvoudig aan de hand van haar eigen pensioenreglement met [NN] had kunnen geven).

37. [de werknemer] heeft uitleg gevraagd van het begrip risico-nabestaandenpensioen, zodra hij überhaupt daarmee bekend werd. Onjuist is dan ook de suggestie (…) dat [de werknemer] Metso in een positie zou hebben gebracht dat deze niet kon weten wat [de werknemer]s zorgen waren en in hoeverre [de werknemer] op de hoogte was van zijn pensioenen. Metso weigerde aan [de werknemer] informatie te geven over de pensioenvoorziening: zij verklaart zelf dat zij dit navragen van [de werknemer] maar "lastig" vond. Metso wilde zich verre houden van deze kwestie terwijl zij juist de spil daarin was."

5.4. In de memorie van grieven (van [de werknemer] en [de partner]) is onder meer als volgt opgenomen:

"8. Onregelmatig bleven er via Metso pensioenoverzichten van NN komen. [de werknemer] ontving (verlaat) pensioenoverzichten via Metso met de navolgende informatie en (desgevraagd) de volgende reacties van de heer [X] (Metso):

a. overzicht 14 november 2002: risiconabestaandenpensioen € 15.898,00 >>> [X]: "zie je wel dat alles in orde is" (waarbij hij doelde op de hoogte van het bedrag en hij in elk geval bij [de werknemer] geen bijzondere aandacht vroeg voor de toevoeging "risico-" want niet wetende dat dat van belang kon zijn);

b. overzicht 31 augustus 2004 vermeldt weduwenpensioen ad € 1.811,20 >>> [X]: "Dit moet een vergissing zijn, ik zal contact opnemen" (want beide schrokken van het lage bedrag);

c. overzicht 20 september 2004: risiconabestaandenpensioen € 16.774,00 >> [X]: "Zie je, alles okay" (waarbij hij doelde op de hoogte van het bedrag en hij wederom geen bijzondere aandacht schonk aan de toevoeging "risico-" want niet wetende dat dat van belang kon zijn)."

5.5. Indien zij tijdig hadden begrepen dat dit voor een nabestaandenpensioen ingeval van overlijden (ook) ná het bereiken van de 65-jarige leeftijd noodzakelijk was, zouden [de werknemer] en [de partner] vóór de pensionering van [de werknemer] in het huwelijk zijn getreden.

5.6. De heren [Y] (algemeen directeur) en [X] (financieel directeur) gingen er - blijkens hun uitlatingen tijdens gesprekken na [de werknemer]s pensionering - tot enig moment ná pensionering van [de werknemer] - ook steeds van uit dat de pensioenregeling van Metso voor partners als [de werknemer] en [de partner] ook een voorziening bevatte voor het geval [de werknemer] ná zijn pensionering zou overlijden.

5.7. [de werknemer] mocht er - gelet op hetgeen hem van de kant van Metso is medegedeeld - van uitgaan dat er voor [de partner] een nabestaandepensioen was voorzien "als waren zij gehuwd". Daarom is Metso gehouden om [de werknemer] en [de partner] alsnog in die situatie te brengen.

5.8. Tot zover [de werknemer] en [de partner].

6. De heer [X] heeft als getuige onder meer als volgt verklaard:

"Tijdens het dienstverband van [[de werknemer]] heb ik niet of nauwelijks met hem gesproken over het pensioen. Toen het einde van het dienstverband van [[de werknemer]] naderde kwam hij naar mij toe om te kijken of de pensioengegevens juist waren. Ik heb toen gebeld met [NN] die mij aangaf dat alles klopte en dat ze dat ook al aan [[de werknemer]] hadden doorgegeven. Inhoudelijk heb ik over de pensioenregeling niet gesproken met [[de werknemer]]. Pas in februari/maart 2005 heeft men zich gerealiseerd dat er een verschil was tussen een risico-nabestaandenpensioen en een nabestaandenpensioen. Ik heb zelf geen informatie verzameld over de inhoud van een risico-nabestaandenpensioen en [[de werknemer]] heeft mij dat ook nooit gevraagd. (…)

Ik weet vrijwel zeker (99%) dat de pensioenreglementen in 1990 aan de werknemers, dus ook aan [[de werknemer]] zijn uitgedeeld. [[de werknemer]] heeft mij niet expliciet verzocht om een pensioen dat [[de partner]] recht zou geven op een nabestaandenpensioen als hij na zijn 65e zou overlijden. Op basis van de pensioenoverzichten gingen we er allebei van uit dat dit al zo geregeld was. Er is ook niet expliciet over gesproken. Pas later bleek dat het niet zo geregeld was.

(…)

Ik wist dat [[de werknemer]] ongehuwd samenwoonde met [[de partner]]. Ik wist niet wat hiervan de consequenties waren ten aanzien van het nabestaandenpensioen. Toen begin 2005 bleek dat het risico-nabestaandenpensioen betrof en geen nabestaandenpensioen schrok ik (en met mij de overige directieleden van Metso), want [NN] had altijd aangegeven dat een en ander goed geregeld was. Uit de opmerkingen van [NN] dat het "goed geregeld was" leidde ik af dat het te verstrekken pensioen tot tevredenheid was van [[de werknemer]], met name omdat [NN] mij aangaf dat [[de werknemer]] zelf ook contact had gehad met [NN]. Het pensioenreglement is eigenlijk nooit onderwerp van gesprek geweest. Pas na de pensionering van [[de werknemer]] zijn wij ons gaan verdiepen in het reglement."

7. Ook wanneer veronderstellenderwijs van de juistheid van de hierboven sub 5. vermelde stellingen van [de werknemer] en [de partner] wordt uitgegaan, is dat een en ander - op zich zelf - naar het oordeel van het hof onvoldoende om Metso gehouden te achten om [de werknemer] en [de partner] in een positie te brengen als waren zij vóór [de werknemer]s pensionering gehuwd. Zoals ook de rechtbank heeft geoordeeld, lag het op de weg van [de werknemer] om te onderzoeken wat zijn pensioenrechten precies inhielden en is hij daarin ook naar het oordeel van het hof niet ver genoeg gegaan. Daarbij is in aanmerking genomen dat uit zijn eigen stellingen naar het oordeel van het hof duidelijk naar voren komt dat de 'geruststellende geluiden' van de kant van Metso volgens zijn eigen waarneming vooral zagen op de in de door hem getoonde pensioenoverzichten vermelde bedragen. Zonder een vraag in de zin van 'wat zijn precies de voorwaarden' mocht hij - mede gelet op zijn functie van onweersproken bovengemiddeld niveau qua verantwoordelijkheid en bijbehorend inkomen - er niet van uit gaan dat het risico-nabestaandenpensioen gelijk was aan het voor gehuwde partners toepasselijke nabestaandenpensioen. De gevolgen van het nalaten van dergelijk onderzoek moet dan ook in beginsel voor zijn rekening blijven.

8. Het voorgaande neemt naar het oordeel van het hof echter niet weg dat ook aan Metso in dit geval het een en ander valt te verwijten.

8.1. In de conclusie van antwoord (eerste aanleg) heeft Metso onder punt 29. als volgt aangevoerd:

"Metso heeft de informatie aan [de werknemer] verschaft, die als goed werkgever van haar mocht worden verwacht. Zij heeft het pensioenreglement aan [de werknemer] uitgereikt en hem tijdig pensioenopgaven van [NN] en later PMT verstrekt."

Ook [de werknemer] heeft aangevoerd dat hij van Metso als goed werkgever mocht verlangen dat zij hem in ieder geval het pensioenreglement zou verschaffen. Hierover zijn partijen het dus eens.

8.2. Naar het oordeel van het hof weegt voormelde verplichting in dit geval des te zwaarder, nu onweersproken in het van het reglement (1992) deel uitmakende addendum "nabestaandenpensioen met bijbehorend wezenpensioen op risicobasis" is bepaald dat het nabestaandenpensioen voor ongehuwd samenwonenden met een notarieel samenlevingscontract alleen uitkering biedt ingeval van overlijden vóór de pensioendatum (en mits de betrokkene dan nog deelnemer is, dus alleen tijdens het dienstverband); de hoogte van dat nabestaandenpensioen is - net als het 'gewone' nabestaandenpensioen - 70% van het bereikbare reglementaire oudedagspensioen.

In het betreffende addendum is voorts onweersproken onder meer als volgt opgenomen:

"6. De overige bepalingen in het reglement met betrekking tot het weduwen- en weduwnaarspensioen zijn voor zover mogelijk van overeenkomstige toepassing op het nabestaandenpensioen".

Hoe meer overeenkomsten er zijn tussen verschillende regelingen, des groter het risico dat de indruk ontstaat dat de regelingen in alle opzichten een vergelijkbare inhoud hebben. Dit is iets waar Metso als werkgever naar het oordeel van het hof rekening mee had moeten houden.

8.3. Naar het oordeel van het hof heeft Metso de stelling van [de werknemer] en [de partner], inhoudende dat [de werknemer] nimmer een pensioenreglement heeft ontvangen onvoldoende gemotiveerd weersproken. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat tussen partijen niet in geschil is dat [de werknemer] uit hoofde van zijn functie regelmatig in het buitenland verbleef zodat niet valt uit te sluiten dat hij ten tijde van het concrete 'uitreiken' (zie hierboven sub 6, tweede alinea) niet aanwezig was. Hoe dit uitdelen in zijn werk is gegaan en wie dit feitelijk namens Metso deden is evenmin vermeld. Voorts is van enige begeleidende brief niet gebleken. Aan bewijslevering komt het hof op dit punt dan ook niet toe. Los daarvan voldoet het bewijsaanbod van Metso - naar het oordeel van het hof brengt een redelijke bewijslastverdeling in dit geval mee dat de bewijslast van het verstrekken van het pensioenreglement op Metso rust - niet aan de daaraan in hoger beroep te stellen eisen, nu niet is aangegeven wat zij thans meer of anders zouden kunnen verklaren (Metso heeft aangeboden "de juistheid van haar stellingen te bewijzen met alle middelen rechtens, in het bijzonder door middel van een aanvullende getuigenverklaring van haar huidige directeur, de heer [X], en haar voormalig directeur, de haar [Y]"). Derhalve moet het er voor worden gehouden dat Metso geen pensioenreglement aan [de werknemer] heeft doen toekomen. Dat [de werknemer] dat reglement - tijdig voor zijn pensionering - langs andere weg heeft verkregen is gesteld noch gebleken.

8.4. Wanneer een werknemer kort (een paar jaar) voor zijn pensionering bij zijn werkgever komt vragen of zijn pensioen - waaronder een nabestaandenpensioen - goed geregeld is, ligt het naar uit goed werkgeverschap bij de uitvoering van de arbeidsovereenkomst voortvloeit op de weg van de werkgever om ervoor te zorgen dat deze - binnen redelijke grenzen - maatregelen neemt ter voorkoming van misverstand over de betekenis van de door hem gebezigde uitdrukkingen. Immers, de werkgever moet er dan - ook zonder dat de werknemer dat met zoveel woorden aangeeft - mee rekening houden dat de zorg omtrent een nabestaandenpensioen niet is beperkt tot de situatie bij overlijden vóór de pensioendatum, maar mede - of zelfs: vooral - betrekking heeft op de situatie nadien. Als de werkgever dan niet voldoende concreet op de hoogte is van de inhoud van de - van de arbeidsvoorwaarden deel uitmakende - pensioenregeling, moet deze zich zoveel mogelijk onthouden van enige geruststellende uitlating/gedrag en bijvoorbeeld - heel eenvoudig - verwijzen naar de inhoud van het reglement. In dit geval was er in ieder geval naar aanleiding van [de werknemer]s vraag over de juistheid van het verzekerde nabestaandenpensioen - zeker toen hij zich geschrokken toonde over de beperkte omvang van het (naar achteraf bleek foutieve) weduwenpensioen - alle reden geweest om ofwel te verwijzen naar het reglement ofwel om duidelijk te maken dat men niet concreet op de hoogte was van de inhoud van de betreffende regeling. Immers, er was geen enkele reden voor [de werknemer] om niet te schrikken: er zou in het geheel geen nabestaandenpensioen tot uikering komen. Anders gezegd: Metso had maatregelen moeten nemen (actief dus) om te voorkomen dat [de werknemer] er ten onrechte van uitging dat zijn pensioen, waaronder het nabestaandenpensioen, "goed geregeld" was.

8.5. Uit de eigen stellingen van Metso - en de getuigenverklaring van de heer [X] als hierboven sub 6. weergegeven - blijkt dat dergelijke maatregelen - gelet op hetgeen hierboven sub 8.3. is overwogen, zijnde een risico waarmee Metso had moeten rekening houden - in onvoldoende mate zijn genomen. Daaraan doet niet af dat bij (de directie van) Metso van een onjuist beeld van de concrete inhoud van het reglementaire risico-nabestaandenpensioen sprake was. Ter vermijding van misverstand: anders dan hierboven sub 5. is overwogen is in dit verband niet veronderstellenderwijs uitgegaan van de juistheid van de stellingen van [de werknemer] en [de partner].

9. Door Metso is niet gesteld, noch is anderszins gebleken, dat [de werknemer] op basis van zijn contacten met de tussenpersoon van Metso (zie hierboven sub 2.2.) en/of met NN wel tijdig vóór zijn pensionering "van de hoed en de rand" van het risico-nabestaandenpensioen wist, zodat het hof ervan uit gaat dat dit niet het geval was.

10. Voorts acht het hof in dit specifieke geval voldoende aannemelijk dat [de werknemer] en [de partner] zouden zijn getrouwd indien zij tijdig vóór [de werknemer]s pensionering wisten dat dit voor een "goed (lees: ook bij overlijden na het 65ste jaar) nabestaandenpensioen" essentieel was.

11. Naar het oordeel van het hof hebben zowel [de werknemer] als Metso in niet te verwaarlozen mate bijgedragen aan het ontstaan van een onjuist beeld bij [de werknemer] ten aanzien van het risico-nabestaandenpensioen. Dat brengt mee dat zij ieder voor een deel de gevolgen daarvan dienen te dragen, en wel in de verhouding 2:1 (anders gezegd: Metso dient één derde van de schade voor haar rekening te nemen). Daarbij speelt met name een rol: de door [de werknemer] zelf bij Metso geconstateerde gebrekkige kennis ter zake; het feit dat Metso, zoals door [de werknemer] en [de partner] gesteld, niet inging op de term "risico-nabestaandenpensioen" (zie hierboven sub 5.2. en sub 5.3. nrs. 25 en 37) reden had moeten zijn om actief extra nader onderzoek te plegen of dóór te vragen ("wat zijn de voorwaarden"); dat naar het oordeel van het hof als van algemene bekendheid moet worden beschouwd dat ongehuwd samenwonende partners niet steeds in alle opzichten met gehuwden worden gelijkgesteld; het niveau waarop [de werknemer] functioneerde en de uit dien hoofde aanwezig te achten onderzoekvaardigheid, alsmede dat hij daadwerkelijk de weg had weten te vinden naar zowel NN als de tussenpersoon, iets wat bij Metso bekend was. Hetgeen partijen overigens over en weer hebben aangevoerd is onvoldoende om tot een ander oordeel dan voormeld te komen.

12. Naar het oordeel van het hof hebben [de werknemer] en [de partner] onvoldoende gesteld om te oordelen dat zij kosten hebben gemaakt die betrekking hebben op andere werkzaamheden dan die waarvoor de proceskosten reeds een vergoeding plegen in te sluiten. Die vordering is daarom niet voor toewijzing vatbaar.

13. Het voorgaande brengt mee dat de grieven (slechts) in zoverre slagen en dat het vonnis van de rechtbank niet in stand kan blijven. Bij deze uitkomst past het om de proceskosten - zowel in eerste aanleg als in hoger beroep - te compenseren.

Hoe verder?

14. De inhoud van het procesdossier is onvoldoende om een - in het dictum op te nemen - concrete beslissing te nemen, nu in ieder geval nog onduidelijk is:

- in hoeverre bij PMT een "gewoon" nabestaandenpensioen is opgebouwd;

- of en zo ja hoe sprake moet zijn van een geïndexeerde uitkering;

- wat de koopsom is die met een voorziening voor [de partner] op basis van hetgeen hierboven is overwogen, zou zijn gemoeid.

15.1. Het hof geeft partijen in overweging om allereerst op voortvarende en constructieve wijze de hierboven sub 14. bedoelde aspecten in kaart te brengen en daarover zo mogelijk overeenstemming te bereiken, en om tevens te proberen deze zaak alsnog in der mine tot een oplossing te brengen. Zij kunnen deze procedure vervolgens royeren.

15.2. Mocht een regeling in der minne niet mogelijk zijn, dan kan de meest gerede partij - onder mededeling van de termijn die eventueel nog nodig is om voormelde informatie te verkrijgen en met opgave van de verhinderdata van beide partijen gedurende de periode van drie maanden na het einde van die termijn - om een comparitie verzoeken. Deze comparitie zal alsdan plaatsvinden ten overstaan van mr. M.H. van Coeverden, die hierbij daartoe tot raadsheer-commissaris wordt benoemd.

De hierboven sub 14. bedoelde informatie dient alsdan uiterlijk twee weken vóór de comparitie aan het hof te worden toegezonden, met tegelijk een kopie aan de wederpartij.

De comparitie zal worden benut om die informatie te bespreken c.q. een reactie daarop van de kant van de andere partij te vernemen (voor zover daarover nog discussie tussen partijen is). Tevens zal de comparitie worden benut om een regeling in der minne te beproeven.

15.3. De zaak zal daarom naar de rol worden verwezen voor uitlating partijen.

15.4. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

Beslissing

Het hof:

- verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 2 juni 2009 voor uitlating partijen als hierboven sub 15.2. bedoeld;

- iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.H. van Coeverden, J.W. van Rijkom en V. Disselkoen en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 maart 2009 in aanwezigheid van de griffier.