Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BI1655

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-02-2009
Datum publicatie
28-04-2009
Zaaknummer
105.012.380.01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2011:BU3786, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2011:BU3786
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ouderschapsonderzoek met beperkt doel: observeren van interactie vader/kinderen en daarover rapporteren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 25 februari 2009

Zaaknummer : 105.012.380/01

Rekestnummer : R07 /1816

Rekestnr. rechtbank : 06-2202

[de moeder],

wonende te [woonplaats],

verzoekster, tevens incidenteel verweerster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. A.R.M. van Kempen,

tegen

[de vader],

wonende te [woonplaats],

verweerder, tevens incidenteel verzoeker, in hoger beroep

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. A.H. Haga.

Als belanghebbende is aangemerkt:

2. Stichting Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland, kantoorhoudende te Leiden

Hierna te noemen: Jeugdzorg.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 21 december 2007 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 19 oktober 2007 van de rechtbank ‘s-Gravenhage.

De vader heeft op 21 januari 2008 een verweerschrift tevens houdend incidenteel appel ingediend.

De moeder heeft op 15 januari 2009 een verweerschrift tegen het incidenteel appel, tevens houdende wijziging appel ingediend.

Van de zijde van de moeder zijn bij het hof op 10 januari 2008, 18 januari 2008, 11 juni 2008 en 22 januari 2009 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de vader zijn bij het hof op 11 juni 2008 en 20 januari 2009 aanvullende stukken ingekomen.

Jeugdzorg heeft op 25 januari 2008 een brief aan het hof gestuurd met het verzoek ter zitting als informant op te treden. Op 23 januari 2009 heeft Jeugdzorg een verweerschrift ingediend.

De raad voor de Kinderbescherming ‘s-Gravenhage, kantoorhoudende te Den Haag heeft bij brief van 20 januari 2009 aan het hof laten weten niet ter zitting te zullen verschijnen.

Op 28 januari 2009 is de zaak mondeling behandeld. Gelijktijdig zijn behandeld de zaken met zaaknummers: 105.012.217, 200.010.599, 200.020.045. Verschenen zijn: de moeder, bijgestaan door haar advocaat, en de vader, bijgestaan door zijn advocaat. Namens Jeugdzorg zijn verschenen [naam] en [naam]. Partijen hebben het woord gevoerd, de raadsvrouw van de moeder onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotities. De minderjarige heeft geen gebruik gemaakt van de door het hof geboden gelegenheid om zijn mening ten aanzien van de omgang kenbaar te maken.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking en de tussenbeschikking van 21 juli 2006.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzit¬ting staat - voor zover in hoger beroep van belang - tussen de vader en de moeder, hierna ook gezamenlijk te noemen: de ouders, het volgende vast.

Uit het op 19 januari 2004 door echtscheiding ontbonden huwelijk van de ouders zijn de volgende nog minderjarige kinderen geboren:

[minderjarige sub 1], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats];

[minderjarige sub 2], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats];

[minderjarige sub 3], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats];

[minderjarige sub 4], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats];

Hierna ook te noemen: de kinderen.

De ouders hebben gezamenlijk het gezag over de kinderen. De kinderen verblijven sinds het uiteengaan van de ouders bij de moeder. Bij de bestreden beschikking is een omgangsregeling vastgesteld waarbij de vader de kinderen bij zich mag hebben als volgt:

Een traject van begeleide omgangscontacten bij het omgangshuis Cardea Jeugdzorg, gevolgd door een regeling met ingang van 15 april 2008, waarbij er omgang zal plaatsvinden tussen de vader en de minderjarigen gedurende een weekend per veertien dagen in de oneven weken van zaterdag 10.30 uur tot zondag 19.00 uur, en de woensdagmiddag in de even weken na school tot 19.00 uur, waarbij de vader de minderjarige haalt en brengt bij de moeder.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de omgangsregeling tussen de vader en de kinderen.

2. In appel verzoekt de moeder, voor zover wettelijk mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende primair het verzoek van de moeder om de vader het recht op omgang met de kinderen te ontzeggen toe te wijzen, althans de uitoefening van het recht van de vader op omgang met de kinderen te schorsen voor de duur van drie jaar of voor een zodanige periode als het hof in goede justitie vermeent te behoren.

3. De vader bestrijdt haar beroep en verzoekt incidenteel de bestreden beschikking gedeeltelijk te vernietigen en opnieuw recht te doen, in die zin dat

- de moeder wordt veroordeeld om het echtscheidingsconvenant tussen partijen van 7 januari 2005 na te komen, met name voor wat betreft de kinderen, althans

- om de door de rechtbank in eerste instantie vastgestelde omgangsregeling na te komen, aangevuld met een regeling voor de helft van de vakanties, verjaardagen en feestdagen, althans

- om een door het hof vastgestelde omgangsregeling na te komen, en

- de moeder te veroordelen om haar informatieverplichting jegens de vader na te komen, voor wat betreft de kinderen, en

- de moeder te veroordelen tot medewerking aan de omgangsregeling met machtiging van de vader om met behulp van de sterke arm van justitie en politie de tenuitvoerlegging van de beslissing te bewerkstelligen en deze beschikking uitvoerbaar bij lijfsdwang te verklaren, voor de duur van telkens drie dagen, zoals door het hof te bepalen, dan wel

- de behandeling aan te houden en te bepalen dat bij niet nakoming van de moeder van haar verplichtingen in de proefperiode, door het hof vast te stellen dwangmiddelen zullen worden toegepast, waarbij het hof mogelijk kan bepalen dat de vier minderjarige kinderen aan de vader zullen worden toevertrouwd, in die zin dat de gewone woon- en verblijfplaats van de kinderen voorlopig wordt gewijzigd in die zin dat de kinderen woonachtig zullen zijn op het adres van de vader zijnde het [adres] te [woonplaats], dit met bevel aan de moeder de kinderen aan de vader af te geven om de wijziging van de verblijfplaats feitelijk te kunnen realiseren, met machtiging aan de vader de in dezen te geven (voorlopige) uitspraak, daar waar het afgifte van de kinderen betreft in zoverre nodig zelf ten uitvoer te (doen) leggen met behulp van de sterke arm van politie en justitie, dan wel de vader verlof te verlenen de uitspraak van het hof ten uitvoer te doen leggen bij lijfsdwang en de moeder in gijzeling te doen stellen, voor zover nodig voor de duur dat de vader in een aanhangig te maken bodemprocedure zal vragen om definitieve toevertrouwing van de kinderen en gezagswijziging, eventueel met benoeming van een forensisch mediator, of zodanige andere voorzieningen te treffen als het hof juist acht.

4. De moeder verzoekt het incidenteel appel van de vader niet ontvankelijk te verklaren, dan wel de verzoeken van de vader in incidenteel appel af te wijzen en de door de vader aangevallen beschikking voor het door de vader bestreden deel te bekrachtigen.

5. De moeder stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ’s-Gravenhage ten onrechte een omgangsregeling heeft vastgesteld. Alvorens een omgangsregeling te kunnen vaststellen, dient duidelijkheid te bestaan over de vraag of een omgangsregeling in het belang van de kinderen is. Door het vaststellen van een omgangsregeling ontstaat een onaanvaardbaar risico dat de kinderen door het contact met hun vader worden beschadigd. De moeder is van mening dat de vader met zijn verzoek tot het treffen van een uitgebreide omgangsregeling de belangen van de kinderen uit het oog verliest. De kinderen hebben keer op keer bij verschillende instanties en verschillende gelegenheden te kennen gegeven bang te zijn voor de vader en geen contact met hem te willen. De vader mishandelt de kinderen, heeft voortdurend kritiek en is erg autoritair in zijn optreden. Tevens wordt door de vader de problematiek van de kinderen gebagatelliseerd. De kinderen dienen niet gedwongen te worden omgang met hun vader te hebben. Er heeft in de afgelopen jaren uitvoerig onderzoek plaatsgevonden, waarbij consequent werd vastgesteld dat de kinderen bang zijn voor de vader en een zorgelijke ontwikkeling vertonen, waardoor hulpverlening geïndiceerd is. De kinderen zijn gebaat bij rust teneinde de door het Haags Ambulatorium zeer recent geadviseerde agressieregulatie therapie en systeemgerichte therapie te ondergaan.

6. De vader is van mening dat omgang tussen de vader en de minderjarigen in het belang is van de kinderen. De rechtbank ’s-Gravenhage heeft dan ook ten onrechte de door partijen onderling getroffen regeling in het echtscheidingsconvenant gewijzigd. Er dient een regeling te gelden waarbij de vader de kinderen ieder weekend ziet alsmede tijdens vakanties, feestdagen en verjaardagen. De moeder belemmert al jaren tezamen met Jeugdzorg zonder reden het contact tussen vader en de kinderen en negeert daarmee rechterlijke uitspraken en dwangmiddelen. Dit heeft ertoe geleid dat de kinderen hun vader al drie jaar niet meer hebben gezien. Er is echter geen reden om de kinderen bij de vader weg te houden, aangezien hij een goede vader is voor de kinderen en hij medeverantwoordelijk is en wil zijn voor hun opvoeding. De angst voor de vader vloeit dan ook niet voort uit zijn gedrag, maar uit het gedrag van de moeder en de verhalen die zij over hem vertelt. Er is een proces van ouderverstoting gaande. Zo spraken de kinderen een aantal jaar geleden bij dr. Feenstra nog genuanceerd over hun vader, terwijl zij bij het Haags Ambulatorium enkel nog negatief zijn geweest. Het Haags Ambulatorium heeft in zijn onderzoek ten onrechte geen aandacht besteed aan het ouderverstotingssyndroom. De vader is van mening dat contactherstel tussen hem en de kinderen mogelijk is. De vader is bereid dit contactherstel door middel van begeleide omgang te realiseren, waarbij hij de voorkeur heeft deze begeleide omgang niet in een onnatuurlijke omgeving plaats te laten vinden, maar in een voor de vader en kinderen vertrouwde omgeving.

7. Het hof overweegt als volgt. Uit de aan het hof overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de vader en de moeder hun gedragingen als ouders na scheiding niet op elkaar kunnen afstemmen en dat zij niet met elkaar kunnen communiceren. Dit vormt een belemmering om tot overeenstemming te komen over een allesomvattende ouderschapsregeling rond de minderjarigen. Het hof is van oordeel dat de minderjarigen er het meest bij gebaat zijn dat de ouders komen tot een heroriëntatie op het ouderschap na scheiding. De ouders lijken daartoe op dit moment nog niet toe in staat. Het hof acht het niet doelmatig om het na te noemen ouderschapsonderzoek hiertoe in te zetten. Het hof heeft vastgesteld dat er gedurende de afgelopen jaren en met name in het kader van de rechterlijke beoordeling van de omgangskwestie, niet een observatie heeft plaatsgevonden van de interactie tussen de vader en de kinderen, zowel in de situatie dat de vader met alle kinderen tezamen omgaat, als met ieder kind afzonderlijk. Het hof heeft partijen reeds ter zitting voorgehouden dat het zo een observatie in het belang van de kinderen noodzakelijk acht. Aan partijen zijn vervolgens per brief van 4 februari 2009 de meer op een algemeen ouderschapsonderzoek gerichte vragen voorgelegd. Beide partijen hebben daarop gereageerd, bij brieven van 13 februari 2009. Beide partijen zijn het er over eens dat hier geen uitgebreid ouderschapsonderzoek dient plaats te vinden. Het hof sluit zich daarbij aan. Vervolgens lijken partijen ieder ook voorwaarden te stellen aan het uit te voeren interactie onderzoek. Zo stelt de vrouw dat er slechts één interactie mag plaatsvinden. De man stelt dat er strikte, korte termijnen in acht dienen te worden genomen. Het hof zal deze voorwaarden als wensen beschouwen en vraagt partijen met klem zelf geen voorwaarden te stellen aan de deskundige. Indien ten aanzien van één of meerdere kinderen meerdere interactiemomenten met de vader nodig zijn of indien de termijnen niet strikt in acht kunnen worden genomen op door de deskundige te beoordelen en te billijken gronden, dan zij dat zo.

8. Het hof zal op gronden als onder 7. vermeld een beperkt ouderschapsonderzoek gelasten. Het hof zal als deskundige benoemen:

Drs. B.A. de Vries

[adres]

[woonplaats]

[telefoonnummer]

Partijen dienen de deskundige binnen 14 dagen nadat deze beschikking is gegeven te voorzien van afschriften van de processtukken.

9. Het hof zal tevens een raadsheer-commissaris benoemen onder wiens leiding het onderzoek zal plaatsvinden. De deskundige kan zich, indien daartoe aanleiding is, met de raadsheer-commissaris verstaan omtrent het verloop en voortgang van het onderzoek.

10. Het hof zal de behandeling van de zaak aanhouden tot 25 juli 2009 pro forma, teneinde het onderzoek door de deskundige te laten plaatsvinden. Deze krijgt de opdracht onderzoek te verrichten gericht op de interactie tussen de vader en de kinderen, tezamen en/of individueel per kind, alles naar de wens en het inzicht van de deskundige. Binnen het onderzoek staat het de deskundige vrij met de ouders, afzonderlijk en/of gezamenlijk, en met de kinderen, afzonderlijk en/of gezamenlijk gesprekken te voeren, met het doel de interactiemomenten in goede banen te leiden.

11. Het hof wenst dat de deskundige bij het uit te voeren onderzoek de volgende vragen betrekt:

a. Hoe is de relatie van (ieder van) de minderjarigen met de vader ?

b. Welke zijn de pedagogische en affectieve mogelijkheden van de vader?

c. In hoeverre is ieder van de ouders in staat om bij de uitvoering van een omgangsregeling rekening te houden met de behoeften van de minderjarigen?

d. In hoeverre zijn de ouders in staat elkaar ruimte te bieden voor omgang met de minderjarigen?

e. Wat betekent een en ander voor de omgang van (ieder van) de minderjarigen met de ouder die de kinderen niet dagelijks verzorgt?

f. Is er ruimte bij de kinderen voor interactie/omgang met de vader?

g. In hoeverre komen er uit het onderzoek bevindingen naar voren die niet aan de orde zijn gekomen in de onderzoeksvragen, maar wel van belang zijn met betrekking tot de ontwikkeling en opvoeding van de minderjarigen?

De deskundige dient het hof te rapporteren over het verloop en de resultaten van het onderzoek. Tevens dient de deskundige de gestelde vragen te beantwoorden en – indien de deskundige zich daartoe in staat acht - het hof te adviseren omtrent de omgang tussen de vader en de minderjarigen.

12. Bij toepassing van de artikelen 195 en 199 Rv komen de kosten van een deskundigenbericht in dagvaardingsprocedures ten laste van partijen. In procedures die worden ingeleid met een verzoekschrift zijn die bepalingen in artikel 284 lid 1 Rv van overeenkomstige toepassing verklaard, tenzij de aard van de zaak zich hiertegen verzet. Indien het in het belang van het kind nodig is dat een ouderschapsonderzoek plaatsvindt, biedt deze bepaling het hof de ruimte een deskundige aan te wijzen zonder partijen hiervoor een voorschot te vragen en in debet te stellen. Het hof is van oordeel dat de onderhavige zaak aan dit criterium voldoet en zal derhalve bepalen dat de kosten, tot een maximumbedrag van € 4.500,- inclusief verschotten en de BTW, ten laste van het rijk zullen komen. De deskundige dient te declareren aan de hand van een tijdsverantwoording en op basis van een uurtarief (of een gedeelte daarvan) van € 107,50 per uur exclusief BTW.

13. Op grond van de aan het hof overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat hangende het onderzoek de omgangsregeling tussen de vader en de kinderen wordt geschorst.

14. Het vorenstaande leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bepaalt dat hangende het onderzoek de omgangsregeling tussen de vader en de minderjarigen wordt geschorst - zulks behoudens de interactiemomenten die in het kader van het deskundigenonderzoek zullen plaatsvinden - en verklaart deze voorlopige regeling uitvoerbaar bij voorraad;

alvorens nader te beslissen:

houdt de verdere behandeling van de zaak aan tot 25 juli 2009 pro forma, ter fine als vermeld in rechtsoverweging 10;

gelast een deskundigenonderzoek als omschreven in rechtsoverwegingen 11;

benoemt tot deskundige drs. B. de Vries, voornoemd;

verzoekt de deskundige zo spoedig mogelijk het onderzoek aan te vangen;

bepaalt dat de kosten van de deskundige door de griffier zullen worden betaald en ten laste van ’s Rijks kas zullen komen, een en ander met inachtneming van het hiervoor in rechtsoverweging 12 bepaalde;

benoemt tot raadsheer-commissaris, onder wiens leiding het onderzoek zal plaatsvinden:

mr. C.A.R.M. van Leuven; en bij diens ontstentenis: mr. C. van Nievelt;

bepaalt dat de griffier van dit hof een afschrift van deze beschikking aan de deskundige zal zenden;

bepaalt dat de vader binnen twee weken na de datum van deze beschikking een afschrift van de processtukken ter beschikking van de deskundige zal stellen en dat de ouders alle door deze gewenste inlichtingen zullen verstrekken;

bepaalt dat de deskundige tijdig voor de hierboven vermelde pro forma datum het hof zal rapporteren over het verloop en de resultaten van het ouderschapsonderzoek;

bepaalt dat uit het deskundigenbericht moet blijken dat de ouders door de deskundige in de gelegenheid zijn gesteld opmerkingen te maken en verzoeken te doen, met vermelding van de inhoud van de eventuele opmerkingen en verzoeken;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Leuven, van Nievelt en Husson, bijgestaan door mr. Braat als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 februari 2009.