Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BI1620

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-03-2009
Datum publicatie
20-04-2009
Zaaknummer
105.007.000-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

pandrecht roerende zaak; executie, art. 3:249 en 3:250 BW, revindicatie, art. 3:86 BW, goede trouw

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector handel

Zaaknummer : 105.007.000/01

Rolnummer (oud) : 07/1135

Rolnummer rechtbank : 64332 HA ZA 06-2278

arrest van de negende civiele kamer d.d. 17 maart 2009

inzake

[appellante],

wonende te [Woonplaats], gemeente [X],

appellante,

hierna te noemen: [appellante],

advocaat: mr. L.Ph.J. van Utenhove te 's-Gravenhage,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [Woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. L.M. Bruins te 's-Gravenhage.

Het geding

Bij exploot van 7 september 2007 is [appellante] in hoger beroep gekomen van twee door de rechtbank Dordrecht tussen partijen gewezen vonnissen van 15 augustus 2007 (hierna: het eindvonnis) en 25 oktober 2006 (hierna: het tussenvonnis). Bij arrest van 7 november 2007 is een comparitie van partijen gelast. Deze comparitie heeft plaatsgevonden op 14 april 2008 in deze zaak en in de (rolgevoegde) zaak 07/1229. Van de comparitie is een proces-verbaal opgemaakt. Tussen partijen heeft de comparitie niet geleid tot royement. Bij memorie van grieven heeft [appellante] vervolgens vijf grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord met een productie heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden.

Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Ontvankelijkheid

Tegen het tussenvonnis zijn geen grieven gericht, zodat het hoger beroep voor zover het zich richt tegen dit vonnis niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Beoordeling van het hoger beroep

1. De door de rechtbank in het eindvonnis onder 4.1 tot en met 4.6 vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal daar van uitgaan.

2. Het gaat in deze zaak om het volgende:

Op 27 januari 2003 heeft [geïntimeerde] door middel van een notarieel vastgelegde pandakte bezitloos pandrecht gevestigd op haar paard [het paard] (hierna: [het paard]) ten behoeve van [de pandnemer] (hierna: [de pandnemer]) als pandnemer ter verzekering van de betaling van een door de broer van [geïntimeerde] aan [de pandnemer] verschuldigde geldsom.

Op 8 september 2003 is het bezitloos pandrecht van [de pandnemer] omgezet in een vuistpandrecht doordat de managehouder waar [het paard] was ondergebracht het paard voor [de pandnemer] is gaan houden.

Op 23 oktober 2003 heeft [de pandnemer] [het paard] onderhands verkocht aan [appellante] voor een bedrag van € 12.500,--.

Stal [Y] heeft [het paard] op 12 november 2003 getaxeerd op een waarde van “plus minus tussen de € 5.000,-- en 6.000,--.”

[appellante] heeft [het paard] verkocht aan Eveline [de koper] (hierna: [de koper]) voor een bedrag van € 12.500,--.

[de koper] heeft [het paard] door de dierenarts laten keuren op 20 november 2003. De opdracht daartoe had zij enige dagen daarvoor gegeven op naam van mevr. [de pandnemer].

Op 20 november 2003 is ook het in kortgeding gewezen vonnis uitgesproken

3. Voor zover in hoger beroep nog van belang heeft [geïntimeerde] in eerste aanleg gevorderd – kort gezegd – (primair) een verklaring voor recht dat [het paard] haar eigendom is, met veroordeling van [de koper] en [appellante] tot teruggave van [het paard], met dwangsom en (subsidiair) een schadevergoeding met rente en kosten. [appellante] heeft verweer gevoerd.

4. De rechtbank heeft de gevraagde verklaring voor recht toegewezen en [de koper] en [appellante] hoofdelijk veroordeeld tot teruggave van [het paard], met dwangsom en kosten. De rechtbank heeft daaraan – kort gezegd – ten grondslag gelegd dat [de pandnemer] niet bevoegd was [het paard] te vervreemden op de wijze waarop hij dat gedaan heeft en dat [appellante] en [de koper] niet te goeder trouw waren op het tijdstip van de bezitsverkrijging van [het paard].

Na gedeeltelijk royement speelt [de koper] in hoger beroep geen rol meer. Ook haar reconventionele vordering is in hoger beroep niet meer van belang.

5. Grief I richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat [de pandnemer] als pandhouder handelde in strijd met zijn zorgverplichting door de aan hem verpande zaak te vervreemden op de in het vonnis vermelde wijze. Voorts richt de grief zich tegen het oordeel dat [de pandnemer] niet bevoegd was dit te doen maar wel de mogelijkheid ertoe had.

6. De grief faalt. Uitgangspunt is dat de bevoegdheid van een pandhouder tot executie slechts zo ver gaat als de wettelijke regeling omtrent pand strekt. Vast staat dat [de pandnemer] heeft gehandeld in strijd met de artikelen 3:249 en 3:250 BW. Dat een van de situaties geregeld in artikel 3:251 BW zich heeft voorgedaan is gesteld noch gebleken. Door in strijd met de genoemde bepalingen [het paard] onderhands te verkopen heeft [de pandnemer] de op hem rustende wettelijke verplichtingen geschonden. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen was [de pandnemer] niet bevoegd tot die wijze van verkoop over te gaan, maar had hij, nu [het paard] feitelijk in zijn bezit was, wel de mogelijkheid dat te doen.

Dat schending van artikel 3:249 BW niet tot nietigheid van de koop leidt, neemt niet weg dat sprake is van onbevoegdheid. Artikel 3:249 BW is juist geschreven ter bevordering van het totstandkomen van een koopsom op transparante wijze. Het naleven van deze bepaling leidt in ieder geval (ook) tot een plicht de daardoor ontstane schade te vergoeden, zoals [appellante] onderkent in haar memorie van grieven onder 7.

7. Grief II richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat het buiten redelijke twijfel staat dat [appellante] niet te goeder trouw was ten tijde van de koop. Bij de beoordeling van deze vraag dienen twee subvragen te worden beantwoord te weten: (i) had [appellante] een onderzoeksplicht en heeft zij daaraan voldaan en (ii) is het verweer van [appellante] dat de koop van [het paard] een gewone transactie betrof geloofwaardig.

8. Met betrekking tot de onder (i) bedoelde vraag geldt het volgende in onderling verband en onderlinge samenhang bezien. In hoger beroep is de vaststelling van de rechtbank in het bestreden vonnis dat [de pandnemer] geen affiniteit had met paarden niet betwist. Niet in geschil is dat [appellante] en [de pandnemer] elkaar goed kenden. Onder die omstandigheden had op het op zijn minst op de weg van [appellante] gelegen te informeren hoe [de pandnemer] aan [het paard] was gekomen. Dat [appellante] [de pandnemer] kende als handelaar is zonder nadere toelichting, die ontbreekt, gelet op de betwisting door [geïntimeerde] onvoldoende om te oordelen dat deze eenvoudige onderzoeksvraag niet gesteld behoefde te worden. Niet is immers gesteld of gebleken dat [de pandnemer] regelmatig handelde in paarden en als professioneel paardenhandelaar kon worden gezien. [appellante] heeft (in de toelichting op grief II) nog aangegeven dat zij ervan mocht uitgaan dat [de pandnemer] bevoegd was omdat [het paard] vergezeld was van alle relevante papieren. Het hof gaat hier in zoverre aan voorbij, dat geen sprake was van het paardenpaspoort. [appellante] heeft dat bij conclusie van antwoord onder 2 zelf beaamd. [de koper] heeft voorts ter gelegenheid van de comparitie in eerste aanleg verklaard dat zij niet over het paspoort beschikt. Juist dit paspoort is benodigd voor deelname aan wedstrijden en vervoer.

9. Met betrekking tot de beantwoording van vraag (ii) geldt het volgende in onderling verband en onderlinge samenhang bezien. Vast staat dat [appellante] [het paard] op 23 oktober 2003 heeft gekocht van [de pandnemer]. Op 20 november 2003 heeft [de koper] [het paard] laten keuren. Dit laat geen andere slotsom toe dan dat voor die datum tussen [appellante], althans [de pandnemer], en [de koper] over verkoop van [het paard] moet zijn gesproken. Bij gezamenlijk telefaxbericht van [de pandnemer] en [appellante] van 25 november 2003 aan (de toenmalige raadsman van) [geïntimeerde] is gesteld: “Nogmaals de behoefte om het paard te verkopen bestaat in het geheel niet. … Indien u bereid bent € 50.000,-- te betalen wil er over nadenken.” Dat [appellante] niet aan [geïntimeerde] wilde verkopen in verband met de negatieve ervaringen, waaronder de beschuldigingen die in kort geding gedaan waren, overtuigt niet, nu dat kort geding is gevoerd tegen [de pandnemer] en de naam van [appellante] toen niet bekend was (het kort geding was er immers op gericht dat [de pandnemer] de naam van de koper van [het paard] zou noemen). Niet valt in te zien waarom [appellante] – gelet op de verkoopbesprekingen die tussen haar, althans [de pandnemer], en [de koper] moeten zijn gevoerd (en in lijn hiermee heeft [appellante] ter terechtzitting in eerste aanleg ook verklaard) dat niet aan [geïntimeerde] kenbaar heeft gemaakt, indien zij te goeder trouw was. Gelet op de korte tijdspanne tussen de aankoop van [het paard] (23 oktober 2003) en de keuring van [het paard] door [de koper] (bijna 4 weken) is ook de verklaring van [appellante] dat zij [het paard] moest verkopen omdat haar broer moest verhuizen en zij zwanger was niet geloofwaardig. [appellante] heeft haar stellingen op dit punt in hoger beroep voorts niet nader geconcretiseerd, bijvoorbeeld door de gang van zaken rond de verhuizing nader toe te lichten. Evenmin heeft zij aangegeven waarom zij na de bevalling [het paard] niet meer kon gaan berijden. Ter gelegenheid van de comparitie in eerste aanleg heeft zij bovendien verklaard dat zij toen zij [het paard] kocht al zwanger was en daar problemen mee waren. Dat zij door haar zwangerschap beperkt werd in het paardrijden komt het hof aannemelijk voor, maar dat maakt de aanschaf van [het paard] op juist dit moment niet voor de hand liggend. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom [appellante] [het paard] heeft gekocht om zelf te berijden.

Wat de inschakeling van [de pandnemer] betreft bij de verkoop van [het paard] aan [de koper] geldt dat het bevreemdt dat [appellante], wetende dat [de pandnemer] geen affiniteit heeft met paarden, als zij [het paard] wil verkopen daarvoor weer [de pandnemer] inschakelt. Dat hij bekend is met de paardenwereld is gesteld noch gebleken. Evenmin is (voldoende) gesteld of gebleken dat [de pandnemer] regelmatig handelde in paarden, terwijl paardenhandel een specifieke expertise vereist. Veeleer had het in de rede gelegen dat [appellante] een manege zou inschakelen. [appellante] noemt [het paard] wel een tamelijk doorsnee paard, maar niet is betwist dat [het paard] een wedstrijdpaard was, waarmee [geïntimeerde] ook wedstrijden reed. [het paard] was verzekerd voor € 18.000,--. Ook [de koper] wilde met [het paard] wedstrijden gaan rijden. Dat het hier om een doorsnee paard valt is in dat licht, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in te zien.

10. Bij hetgeen onder 9. is overwogen komt nog het volgende. Vast staat dat [het paard] verzekerd was voor € 18.000,--. [appellante] heeft haar gekocht voor € 12.500,--. Zij heeft verklaard dat zij een recreatiepaard wilde. Onbetwist is dat de prijs voor een recreatiepaard € 3.000,-- à € 4.000,-- is. Stal [Y] taxeert [het paard] kort na de aankoop door [appellante] en kort voor de keuring door [de koper] op € 5.000,-- à € 6.000,--. [de koper] heeft ter comparitie in eerste aanleg verklaard dat zij € 12.500,-- een reële prijs vindt voor een dressuurpaard. Het wekt bevreemding dat [appellante] bereid is de prijs voor een dressuurpaard te betalen als zij alleen maar een recreatiepaard zoek, dat ongeveer € 8.000,-- à € 9.000,-- goedkoper is.

11. Hetgeen onder 8 is overwogen en de onder 9 en 10 genoemde omstandigheden wettigen de conclusie dat [appellante] niet als te goeder trouw valt aan te merken. In de bijzondere omstandigheden van dit geval was [appellante] gehouden nader onderzoek te doen en dit is nagelaten. De koop van [het paard] was bepaald geen gewone transactie. Grief II faalt. Er is derhalve sprake van een ongeldige overdracht, die niet door het bepaalde in artikel 3:86, lid 1, BW wordt geheeld. [appellante] is geen eigenares van [het paard] geworden en [geïntimeerde] heeft de eigendom nooit verloren. Ook als bewezen zou worden dat [appellante] [het paard] wilde verkopen omdat haar broer moest verhuizen en haar zwangerschap problemen gaf die paardrijden verhinderden, is hetgeen overblijft van dien aard dat dit niet zal leiden tot een ander oordeel. Het bewijsaanbod ter zake wordt verworpen.

12. Grief III klaagt dat de rechtbank ten onrechte buiten de rechtsstrijd tussen partijen is getreden. Dienaangaande geldt het volgende. Het is aan - in dit geval - [geïntimeerde] om de feiten en omstandigheden te stellen die de vordering kunnen dragen. Het is aan de rechter om de juridische kwalificatie aan die feiten te hechten of om die indien nodig aan te vullen.

Niet is gesteld of gebleken dat de rechtbank andere feiten dan de door [geïntimeerde] of [appellante] gestelde feiten aan de bestreden beslissing ten grondslag heeft gelegd. De door [geïntimeerde] gestelde feiten kunnen de vordering dragen. Grief III faalt daarmee.

13. Grief IV heeft betrekking op het geschil tussen [appellante] en [de koper]. Nu [de koper] niet meer in het hoger beroep is betrokken, behoeft deze grief geen bespreking meer.

14. Grief V voert aan dat de rechtbank ten onrechte niet heeft overwogen dat de schadevergoeding op basis van het vonnis in kort geding (hof: die [de pandnemer] aan De Graaf moet voldoen) een teruggave van het paard niet verdraagt. In de toelichting op grief V, onder 30, geeft [appellante] aan dat haar belang bij deze stelling daar ligt dat als [geïntimeerde] geen belang meer heeft toewijzing van het paard te vorderen, de eigendom bij [de koper] blijft, zodat zij niet veroordeeld had kunnen worden tot terugbetaling van de koopprijs aan [de koper]. Onder 13 is reeds overwogen dat [de koper] niet meer in het hoger beroep is betrokken. In zoverre behoeft deze grief geen bespreking meer. Ook [geïntimeerde] heeft dit kennelijk aangenomen. Voor zover deze grief op het geschil tussen [appellante] en [geïntimeerde] betrekking heeft geldt dat de vorderingen van [geïntimeerde] op [de pandnemer] en op [appellante] een andere grondslag hebben. Het staat [geïntimeerde] vrij om jegens [de pandnemer] schadevergoeding te vorderen (nu die [het paard] niet meer in bezit had) en jegens [appellante] en [de koper], (van wie één [het paard] in bezit had) de teruggave van [het paard] te vorderen. Grief V faalt in zoverre.

15. De grieven falen. Het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd. [appellante] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep worden verwezen. Het bewijsaanbod onder 16 van de memorie van grieven is hiervoor reeds verworpen omdat het niet relevant is. De feiten zouden, ook al zijn zij bewezen, niet tot een ander oordeel leiden. Het algemene bewijsaanbod van [appellante] wordt verworpen omdat het niet voldoet aan de daaraan in hoger beroep te stellen eisen.

Beslissing

Het hof:

verklaart [appellante] niet-ontvankelijk in het hoger beroep tegen het tussenvonnis van de rechtbank Dordrecht van 25 oktober 2006;

bekrachtigt het eindvonnis van de rechtbank Dordrecht van 15 augustus 2007 in de hoofdzaak in conventie;

veroordeelt [appellante] tot betaling van de proceskosten in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 75,-- aan griffierecht te voldoen aan [geïntimeerde] en op € 225,-in debet gesteld griffierecht en € 894,-- aan kosten voor de advocaat, op de voet van artikel 243 RV te voldoen aan de griffier.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.C.M. van Dijk, Th.W.E.H. Schmitz en R.S. van Coevorden en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2009 in aanwezigheid van de griffier.