Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BI1173

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-04-2009
Datum publicatie
15-04-2009
Zaaknummer
22-004878-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

"Metselmoorden". Deels vrijspraak, deels ovar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-004878-07

Parketnummer: 09-754167-04

Datum uitspraak: 15 april 2009

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 4 september 2007 in de strafzaak tegen de verdachte:

[Verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedag] 1957,

[adres].

1. Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 7 november 2008, 10, 13 en 17 maart en 1 april 2009.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na aanpassing van de omschrijving van de tenlastelegging op de voet van artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering en wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

primair

hij op of omstreeks 12 augustus 2004 te ’s-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans met dat opzet

meermalen, althans eenmaal met een of meer mes(sen), althans (een) scherp(e) en/of puntig(e) voorwerp(en) gestoken in het hart en/of de borstkas en/of de/een long(en), althans in het lichaam van [slachtoffer 1] en/of

meermalen, althans eenmaal met een of meer mes(sen), althans (een) scherp(e) en/of puntig(e) voorwerp(en) gestoken in het hart en/of de borstkas en/of de/een long(en) en/of het middenrif, althans in het lichaam van [slachtoffer 2],

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn overleden.

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden

hij op één of meer tijdstippen gelegen in de periode van 12 augustus 2004 tot en met 24 september 2004 te ’s-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, nadat er op 12 augustus 2004 te ’s-Gravenhage, het misdrijf was gepleegd van de moord/doodslag op [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], althans nadat er enig misdrijf was gepleegd, met het oogmerk om dat misdrijf te bedekken of de nasporing of vervolging daarvan te beletten of te bemoeilijken, een of meer voorwerpen waarop of waarmee dat misdrijf was gepleegd of andere sporen van dat misdrijf heeft vernietigd en/of weggemaakt en/of verborgen en/of aan het onderzoek van de ambtenaren van justitie of politie onttrokken, immers heeft de verdachte en/of een (of meer van) zijn mededader(s) op één of meer tijdstip(pen) gelegen in de periode van 12 augustus 2004 tot en met 24 september 2004 te ’s-Gravenhage, na de moord, althans doodslag op [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] geholpen met

- het schoonmaken van het pand aan de [A-straat] te 's-Gravenhage waarin [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] om het leven zijn gebracht en/of

- het weghalen van tapijt in dat pand waar [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] om het leven zijn gebracht en/of

- het (in (een) tapijtrol(len)) inpakken van de/het vermoorde(n) licha(a)m(en) van voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en/of

- het dragen en/of slepen van de/het vermoorde(n) licha(a)m(en) van voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] uit het pand waarin zij om het leven zijn gebracht naar een busje, althans voertuig en/of

- het vervoeren van de/het vermoorde(n) licha(a)m(en) van voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] naar een pand aan de [B-straat] te 's-Gravenhage en/of

- het verbergen van de/het vermoorde(n) licha(a)m(en) van voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] door deze in te metselen in een muur in voornoemd pand aan de [B-straat] en/of

- het slopen en/of verwijderen van de deur(en) en/of de vloer(en) en/of het toilet en/of de keuken in het pand aan de [A-straat] en/of

- het weghalen van puin en/of afval uit het pand aan de [A-straat] en/of het wegbrengen van dat puin en/of dat afval naar een vuilstortplaats.

3. Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het primair tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het subsidiair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 179 dagen met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

4. Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

5. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard, nu de verdachte tijdens het vooronderzoek niet in de gelegenheid is gesteld met bijstand van een tolk te worden gehoord.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt dienaangaande als volgt. De verdachte heeft vanaf het moment van zijn inverzekeringstelling op 17 december 2004 bijstand gehad van een raadsman. Pas op 7 februari 2005 heeft de raadsman per brief verzocht de verdachte, indien hij door de rechter-commissaris of ter terechtzitting zou worden gehoord, met bijstand van een tolk Hindi te horen. Vanaf 8 april 2005 heeft de verdachte op verzoek van de raadsman bij politieverhoren bijstand van een tolk gehad. Dat bijstand van een tolk in een eerder stadium vereist was, is niet zonder meer gebleken.

Gelet op het vorenoverwogenis is door het openbaar ministerie niet gehandeld in strijd met de beginselen van een goede procesorde.

6. Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte primair is tenlastegelegd, zodat – overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal - de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

7. Weergave van de feiten en omstandigheden

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting gaat het hof uit van het navolgende.

7.1 Vermissing van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]

Op 13 augustus 2004 wordt aangifte gedaan van de vermissing van [slachtoffer 1], geboren op [geboortedag] 1979 te [geboorteplaats] en [slachtoffer 2], geboren op [geboortedag] 1980 te [geboorteplaats]. Zij zouden op 12 augustus 2004 omstreeks 10.30 uur in een rode Volkswagen Golf naar Den Haag zijn gereden.1 Deze auto wordt twee weken later, op 25 augustus 2004, leeg aangetroffen in de [C-straat] in Den Haag.2

7.2 Aantreffen slachtoffers [B-straat]

In een pand, gelegen aan de [B-straat] te Den Haag en in eigendom toebehorende aan [medeverdachte 3]3, wordt op 23 september 2004 door “bloed- en lijkenhonden” in een afgesloten en onbereikbare ruimte achter het toilet een bloed- en lijkengeur waargenomen.

Na voltooiing van de sloopwerkzaamheden worden op 25 september 2004 twee lijken in een blok beton aangetroffen. De lichamen zijn in transparante folie en in een vloerbedekking verpakt.4 Het blijken de lichamen te zijn van de vermiste [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2].5

Op 24 september 2004 worden de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] aangehouden. Beiden ontkennen op welke wijze dan ook betrokken te zijn geweest bij de dood van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2].6

7.3 Doodsoorzaak

Uit sectie blijkt dat het slachtoffer [slachtoffer 1] door 43 tot 45 steek- en snijwonden met één of meer scherpe, smalle voorwerpen om het leven is gebracht. In het lichaam worden 46 scherprandige huidperforaties aan borst, buik, rug, beide flanken, hals, hoofd, rechterbeen en armen aangetroffen. De letsels aan de armen kunnen passen bij afweer. Het oplopen van de letsels verklaart het overlijden zonder meer, op basis van orgaan- en weefselbeschadiging van onder meer borstkas, hart en longen.7

Uit sectie blijkt dat het slachtoffer [slachtoffer 2] door tenminste 29 steek- en snijwonden met één of meer scherpe, smalle voorwerpen om het leven is gebracht. In het lichaam worden 33 huidperforaties aangetroffen aan borst, buik, rug, rechter- en linkerarm, rechteroksel, hals, hoofdhuid en rechterhand.

De letsels aan de rechterhand passen bij afweer. Het oplopen van de letsels verklaart het overlijden zonder meer, op basis van orgaan- en weefselbeschadiging van onder meer borstkas, hart, bovenste holle ader, longen en middenrif.8

7.4 Onderzoek [A-straat]

Nadat de verdachte9 en de medeverdachte [medeverdachte 4]10, respectievelijk aangehouden op 17 en 14 december 2004, een verklaring hebben afgelegd, wordt door de Technische Recherche een onderzoek ingesteld in de woning aan de [A-straat] te Den Haag. Uit dit onderzoek blijkt dat in alle kamers de vloerbedekking en/of laminaatvloer geheel of gedeeltelijk is verwijderd. Alle deuren van de vertrekken in het pand zijn verwijderd, evenals alle tegels van de muur en de vloer in het toilet en de douche. De kamer rechts aan de voorzijde (KAMER 1), waar later naar wordt verwezen als “de kamer van de Chinees”, wordt geheel leeg aangetroffen. Op de muren van deze kamer worden echter vele bloedspatten aangetroffen, welke worden veiliggesteld.11 De aangetroffen bloedsporen kunnen op grond van het vergelijkend DNA-onderzoek afkomstig zijn van de medeverdachte [medeverdachte 1] en eerdergenoemde slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Dit betekent tevens dat het celmateriaal niet afkomstig is van één van de andere personen van wie in deze zaak een DNA-profiel is vervaardigd.

De kans dat een willekeurig gekozen individu hetzelfde DNA-profiel bezit als dat van het onderzochte spoor is in die gevallen minder dan 1 op 1 miljard.12

7.5 De gebeurtenissen op 12 augustus 2004

Eerst op 29 december 2004 legt de medeverdachte [medeverdachte 1] tegenover de rechter-commissaris een verklaring af omtrent zijn betrokkenheid bij de gebeurtenissen die hebben geleid tot de dood van de slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2].

[medeverdachte 1] verklaart dat hij op 12 augustus 2004 in de woning aan de [A-straat]in de kamer van de Chinees in gevecht is geraakt met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Tijdens dit gevecht is hij door middel van een mes gewond geraakt aan zijn arm en zijn [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] door zijn toedoen om het leven gekomen, nadat hij beide slachtoffers meerdere malen met een mes heeft gestoken.13

De verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 2] die eveneens op 12 augustus 2004 in de woning aan de [A-straat] waren, bevestigen dat [medeverdachte 1] op enig moment tezamen met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in de kamer van de Chinees was, dat daar geluiden te horen waren en dat slechts de verdachte de kamer levend heeft verlaten. Zij bevonden zich beiden op dat moment in de kamer van de verdachte.14 De verdachte heeft verklaard dat hij in de kamer van de Chinees een raar geluid hoorde alsof er mensen aan het vechten waren. Nadat [medeverdachte 2] de kamer van de verdachte heeft verlaten, hoort hij [medeverdachte 2] zeggen dat [medeverdachte 1] die mensen heeft vermoord.15 De verdachte heeft, zoals hij dat zelf verklaart “na het doden” vanuit de gang de kamer van

de Chinees ingekeken en is vervolgens weggegaan.16

7.6 De gebeurtenissen na 12 augustus 2004

Op 13 augustus 2004 zijn een aantal personen waaronder de verdachte en [medeverdachte 2] wederom in de woning aan de [A-straat]. De verdachte is naar de woning gegaan om zijn spullen op te halen. Als hij in de woning is, ziet hij twee rollen tapijt liggen. De verdachte verklaart dat hij toen hij de rollen tapijt zag liggen, dacht “dat zullen die twee lijken wel zijn”. Hij ziet de lijken dan niet meer in de kamer van de Chinees liggen.17 De verdachte heeft geholpen met het tillen van deze rollen tapijt.18 [medeverdachte 2] verklaart eveneens dat hij op 13 augustus 2004 samen met onder meer de verdachte in de woning aan de [A-straat] is. Ook hij ziet die dag dat de lijken in vloerbedekking waren gerold.

Samen met de verdachte en [medeverdachte 3] heeft hij de lijken naar beneden getild en in de bus gelegd, aldus [medeverdachte 2].19

8. Standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 179 dagen met aftrek van voorarrest.

9. Standpunt van de verdachte en de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft overeenkomstig zijn pleitnota verweer gevoerd. De raadsman stelt zich op het standpunt dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het subsidiair tenlastegelegde, te weten begunstiging. Subsidiair doet de raadsman een beroep op afwezigheid van alle schuld bij de verdachte.

Ten slotte stelt de raadsman zich op het standpunt, met beroep op recente jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 27 november 2008 en 11 december 2008 in de zaken Salduz v. Turkije en Panovits v. Cyprus, dat de verklaringen van de verdachte voor zover hij deze heeft afgelegd zonder bijstand van een raadsman van het bewijs dienen te worden uitgesloten.

10. Het oordeel van het hof

Op grond van voornoemde bewijsmiddelen onder 7.2, 7.3, 7.4 en 7.5 is bewezen dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] door messteken om het leven zijn gebracht en dat dit is gebeurd in de zogenaamde kamer van de Chinees in de [A-straat] te Den Haag. Op grond van voornoemde bewijsmiddelen onder 7.6 in samenhang met bewijsmiddelen betreffende de verdachte onder 7.5 is bewezen dat de verdachte tezamen met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] met het wegtillen van de in tapijt gerolde lichamen het oogmerk heeft gehad om het misdrijf te bedekken of nasporingen van justitie en politie te bemoeilijken, nu zijn handelen, naar hij moet hebben beseft, als noodzakelijk en dus door hem gewild gevolg meebracht dat sporen van het misdrijf, te weten de doodslag op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], zouden verdwijnen.

11. Verweren

Afwezigheid van alle schuld

Gelet op na te noemen beslissing komt het hof aan de beoordeling van dit door de raadsman naar voren gebrachte verweer niet toe.

Salduzverweer

Voor zover de raadsman met een beroep op de uitspraken van het EHRM Salduz v. Turkije en Panovits v. Cyprus heeft willen betogen dat de door de verdachte afgelegde verklaringen niet voor het bewijs mogen worden gebruikt voor zover deze zijn afgelegd zonder bijstand van een raadsman, wordt dit verweer verworpen.

De verdachte had tijdens zijn inverzekeringstelling de raadsman reeds als piketadvocaat, die hem in ieder geval heeft bijgestaan tijdens de voorgeleiding bij de rechter-commissaris.

Naar het oordeel van het hof brengt de door de raadsman vermelde jurisprudentie met zich mede dat de verdachte voorafgaand aan het (eerste) politieverhoor in de gelegenheid gesteld moet worden contact op te nemen met een raadsman teneinde zijn proceshouding te kunnen bepalen. Het eerste verhoor van de verdachte heeft plaatsgevonden nadat hij in verzekering was gesteld en aan de verdachte een raadsman was toegevoegd. De verdachte heeft tijdens dat eerste verhoor overigens niet belastend voor zich zelf verklaard en deze verklaring is, nu onduidelijk is of hij op dat moment reeds contact heeft gehad met zijn raadsman, niet als bewijsmiddel gebruikt.

12. Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 13 augustus 2004 te ’s-Gravenhage, tezamen en in vereniging met anderen, nadat er op 12 augustus 2004 te ’s-Gravenhage, het misdrijf was gepleegd van doodslag op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], met het oogmerk om dat misdrijf te bedekken of de nasporing of vervolging daarvan te beletten of te bemoeilijken, voorwerpen waarop dat misdrijf was gepleegd aan het onderzoek van de ambtenaren van de justitie of politie heeft onttrokken, immers heeft de verdachte en zijn mededaders op 13 augustus 2004 te ’s-Gravenhage, na de doodslag op [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] geholpen met

- het dragen en/of slepen van de lichamen van voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] uit het pand waarin zij om het leven zijn gebracht naar een busje

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

13. Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

14. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Ambtshalve merkt het hof ten aanzien van het bewezenverklaarde het volgende op.

Het bewezenverklaarde ziet op artikel 189, eerste lid, onder 2, van het Wetboek van Strafrecht, te weten:

het nadat enig misdrijf is gepleegd, met het oogmerk om het te bedekken of de nasporing of vervolging te beletten of te bemoeilijken, voorwerpen waarop of waarmede het misdrijf gepleegd is of andere sporen van het misdrijf vernietigen, wegmaken, verbergen of aan het onderzoek van de ambtenaren van de justitie of politie onttrekken.

Ingevolge het derde lid van dat artikel is de bepaling niet van toepassing op hem die de daarin vermelde handelingen verricht ten einde gevaar van vervolging te ontgaan of af te wenden van een van zijn bloedverwanten of aangehuwden. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 17 oktober 1995, NJ 1996, 337, is de bepaling eveneens niet van toepassing op degene die de handelingen heeft verricht ten einde gevaar van vervolging voor zichzelf te ontgaan.

Het hof is van oordeel dat redelijkerwijs niet uit te sluiten valt dat de verdachte het bewezenverklaarde mede heeft verricht teneinde onder meer voor zichzelf het gevaar van vervolging te ontgaan. Daarbij merkt het hof op dat tot in hoger beroep naast het subsidiair tenlastegelegde aan de verdachte primair medeplegen van moord dan wel doodslag ten laste is gelegd.

Het hof is dan ook van oordeel dat voor het bewezenverklaarde feit het derde lid van artikel 189 van het Wetboek van strafrecht van toepassing is en dat dit feit geen strafbaar feit oplevert.

De verdachte moet derhalve terzake van dat feit worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart dat dit bewezenverklaarde feit geen strafbaar feit oplevert.

Ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Dit arrest is gewezen door mr. Stoker-Klein, mr. G.J.W. van Oven en mr. J.W. Klein Wolterink, in bijzijn van de griffier

mr. P. Melis.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 15 april 2009.

Mr. J.W. Klein Wolterink is buiten staat dit arrest te ondertekenen.

1 Proces-verbaal van relaas van de politie Zaanstreek-Waterland, d.d. 26 november 2004, opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, dossier Binnenhof, p. 5-9.

2 Proces-verbaal van bevindingen van de politie Haaglanden, d.d. 25 augustus 2004, nr. PL15J2/2004/1546-13, opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, dossier Wissel 01/AH/005, p.29.

3 Proces-verbaal van bevindingen van de politie Haaglanden, d.d. 28 september 2004, nr. PL1590/2004/1546, opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, dossier Wissel 01A/AH/21, p. 160.

4 Proces-verbaal van de politie Haaglanden, d.d. 28 september 2004, opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, dossier Wissel 01B/AH/28, p. 272-277.

5 Processen-verbaal van de politie Haaglanden, d.d. 28 september 2004, opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, dossier Wissel 01A/AH/19, p. 142-144 en proces-verbaal van de politie Haaglanden, d.d. 28 september 2004, opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, dossier Wissel 01A/AH/20 p. 153.

6 Processen-verbaal van verhoor medeverdachte [medeverdachte 1], d.d. 24 en 26 september 2004, opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, dossier Wissel V04/3f en V04/4f, p. 23-35 en proces-verbaal van verhoor medeverdachte [medeverdachte 2], d.d. 25 september 2004, opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, dossier wissel V03/1f, p. 11-15.

7 Een sectieverslag van het Nederlands Forensisch Instituut te Rijswijk, d.d. 10 januari 2005, betreffende [slachtoffer 1], opgemaakt en ondertekend door [patholoog], patholoog, dossier Wissel 01G/GD3/7, p. 1164-1174.

8 Een sectieverslag van het Nederlands Forensisch Instituut te Rijswijk, d.d. 19 januari 2005, betreffende [slachtoffer 2], opgemaakt en ondertekend door [patholoog], patholoog, dossier Wissel 01H/GD3/11, p. 1309-1319.

9 Proces-verbaal van verhoor verdachte van de politie Haaglanden, d.d. 17 december 2004, opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, dossier Wissel V07/1f, p. 17-21.

10 Proces-verbaal van verhoor medeverdachte [medeverdachte 4] van de politie Haaglanden, d.d. 15 december 2004, opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, dossier Wissel V05/2f, p. 37-48.

11 Proces-verbaal van de politie Haaglanden, Technische Recherche, d.d. 28 december 2004, opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, dossier Wissel Technische Recherche, 2de Relaas bijlage D2.

12 Een deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut te ’s-Gravenhage, d.d. 14 april 2005, opgemaakt en ondertekend door dr. R.J. Brink, dossier Wissel 01J/GD3/14, p. 1581-1587.

13 Proces-verbaal van verhoor door de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de arrondissementsrechtbank te Den Haag, betreffende de op 29 december 2004 afgelegde verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 1], dossier Wissel V04/e/2, p. 413-420.

14 De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg op 13 november 2006 en een proces-verbaal van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de arrondissementsrechtbank te Den Haag, betreffende de op 13 juli 2005 afgelegde verklaring van de getuige [medeverdachte 2].

15 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, d.d. 18 januari 2005, opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren H.P. van Dam en L. Uithof, dossier Wissel V07/10f, p. 87-89.

16 De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg op 13 november 2006.

17 De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg op 13 november 2006.

18 De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep op 10 maart 2009.

19 Proces-verbaal van verhoor door de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de arrondissementsrechtbank te Den Haag, betreffende de op 13 juli 2005 afgelegde verklaring van de getuige [medeverdachte 2].

??

??

??

??

- 2 - 22-004878-07