Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BI1166

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-04-2009
Datum publicatie
15-04-2009
Zaaknummer
22-004852-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

"Metselmoorden". Het Hof spreekt de verdachte vrij.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 47
Wetboek van Strafrecht 287
Wetboek van Strafrecht 289
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2009, 121
NBSTRAF 2009/179
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-004852-07

Parketnummer: 09-754129-04

Datum uitspraak: 15 april 2009

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 4 september 2007 in de strafzaak tegen de verdachte:

[Verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedag] 1946,

[adres].

1. Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 7 november 2008, 10, 13 en 17 maart en 1 april 2009.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na aanpassing van de omschrijving van de tenlastelegging op de voet van artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering - ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 12 augustus 2004 te ’s-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans met dat opzet

- meermalen, althans eenmaal met een of meer mes(sen), althans (een) scherp(e) en/of puntig(e) voorwerp(en) gestoken in het hart en/of de borstkas en/of de/een long(en), althans in het lichaam van [slachtoffer 1] en/of

- meermalen, althans eenmaal met een of meer mes(sen), althans (een) scherp(e) en/of puntig(e) voorwerp(en) gestoken in het hart en/of de borstkas en/of de/een long(en) en/of het middenrif, althans in het lichaam van [slachtoffer 2],

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn overleden.

3. Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het impliciet primair tenlastegelegde – medeplegen van moord, meermalen gepleegd - veroordeeld tot een gevangenisstraf van 20 jaren met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

4. Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

5. Weergave van de feiten en omstandigheden

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting gaat het hof uit van het navolgende.

5.1 Voorgeschiedenis

Op 4 augustus 2004 wordt door de zoon van de verdachte, [medeverdachte 2], aangifte gedaan van wederrechtelijke vrijheidsberoving, afpersing en mishandeling op 31 juli 2004.1 Op 17 augustus 2004 worden door [medeverdachte 2] op het politiebureau, aan de hand van foto’s, [slachtoffer 1] en [getuige 1] aangewezen als daders van deze feiten.2

Laatstgenoemde is door de rechtbank te ’s-Gravenhage op 6 april 2005 veroordeeld voor onder meer deze feiten.3 Ook de verdachte doet op 5 augustus 2004 aangifte van mishandeling met geweld gepleegd door twee mannen.4 Al deze feiten zouden te maken hebben met een financieel conflict dat [slachtoffer 1] met [betrokkene 1] had. [slachtoffer 1] zou [medeverdachte 2] en de verdachte bij dit conflict hebben betrokken omdat zij een familierelatie hebben met [betrokkene 1] - [betrokkene 1] is de partner van de zus van [medeverdachte 2], welke zus de dochter is van de verdachte - en deze destijds in Suriname zou verblijven.5

5.2 Vermissing van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]

Op 13 augustus 2004 wordt aangifte gedaan van de vermissing van [slachtoffer 1], geboren op [geboortedag] 1979 te [geboorteplaats] en [slachtoffer 2], geboren op [geboortedag] 1980 te [geboorteplaats]. Zij zouden op 12 augustus 2004 omstreeks 10.30 uur in een rode Volkswagen Golf naar Den Haag zijn gereden.6 Deze auto wordt twee weken later, op 25 augustus 2004, leeg aangetroffen in de [C-straat] in Den Haag.7

5.3 Aantreffen slachtoffers [B-straat]

In een pand, gelegen aan de [B-straat] te Den Haag en in eigendom toebehorende aan [medeverdachte 2]8, wordt op 23 september 2004 door “bloed- en lijkenhonden” in een afgesloten en onbereikbare ruimte achter het toilet een bloed- en lijkengeur waargenomen. Na voltooiing van de sloopwerkzaamheden worden op 25 september 2004 twee lijken in een blok beton aangetroffen. De lichamen zijn in transparante folie en in een vloerbedekking verpakt.9 Het blijken de lichamen te zijn van de vermiste [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2].10

5.4 Doodsoorzaak

Uit sectie blijkt dat het slachtoffer [slachtoffer 1] door 43 tot 45 steek- en snijwonden met één of meer scherpe, smalle voorwerpen om het leven is gebracht. In het lichaam worden 46 scherprandige huidperforaties aan borst, buik, rug, beide flanken, hals, hoofd, rechterbeen en armen aangetroffen. De letsels aan de armen kunnen passen bij afweer. Het oplopen van de letsels verklaart het overlijden zonder meer, op basis van orgaan- en weefselbeschadiging van onder meer borstkas, hart en longen.11

Uit sectie blijkt dat het slachtoffer [slachtoffer 2] door tenminste 29 steek- en snijwonden met één of meer scherpe, smalle voorwerpen om het leven is gebracht. In het lichaam worden 33 huidperforaties aangetroffen aan borst, buik, rug, rechter- en linkerarm, rechteroksel, hals, hoofdhuid en rechterhand.

De letsels aan de rechterhand passen bij afweer. Het oplopen van de letsels verklaart het overlijden zonder meer, op basis van orgaan- en weefselbeschadiging van onder meer borstkas, hart, bovenste holle ader, longen en middenrif.12

5.5 Onderzoek [A-straat]

Nadat de medeverdachten [medeverdachte 4]13 en [medeverdachte 3]14, respectievelijk aangehouden op 14 en 17 december 2004, een verklaring hebben afgelegd, wordt door de Technische Recherche een onderzoek ingesteld in de woning aan de [A-straat] te Den Haag. Uit dit onderzoek blijkt dat in alle kamers de vloerbedekking en/of laminaatvloer geheel of gedeeltelijk is verwijderd. Alle deuren van de vertrekken in het pand zijn verwijderd, evenals alle tegels van de muur en de vloer in het toilet en de douche. De kamer rechts aan de voorzijde (KAMER 1), waar later naar wordt verwezen als “de kamer van de Chinees”, wordt geheel leeg aangetroffen. Op de muren van deze kamer worden echter vele bloedspatten aangetroffen, welke worden veiliggesteld.15 De aangetroffen bloedsporen kunnen op grond van het vergelijkend DNA-onderzoek afkomstig zijn van de medeverdachte, en zoon van de verdachte, [medeverdachte 1] en eerdergenoemde slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Dit betekent tevens dat het celmateriaal niet afkomstig is van één van de andere personen van wie in deze zaak een DNA-profiel is vervaardigd. De kans dat een willekeurig gekozen individu hetzelfde DNA-profiel bezit als dat van het onderzochte spoor is in die gevallen minder dan 1 op 1 miljard.16

5.6 De gebeurtenissen op 12 augustus 2004

Op 24 september 2004 worden de verdachte en zijn zoon [medeverdachte 1] aangehouden. Beiden ontkennen op welke wijze dan ook betrokken te zijn geweest bij de dood van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2].17

Eerst op 29 december 2004 legt de medeverdachte [medeverdachte 1] tegenover de rechter-commissaris een verklaring af omtrent zijn betrokkenheid bij de gebeurtenissen die hebben geleid tot de dood van de slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. [medeverdachte 1] verklaart dat hij op 12 augustus 2004 in de woning aan de [A-straat] in “de kamer van de Chinees” in gevecht is geraakt met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Tijdens dit gevecht is hij door middel van een mes gewond geraakt aan zijn arm en zijn [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] door zijn toedoen om het leven gekomen, nadat hij beide slachtoffers meerdere malen met een mes heeft gestoken.18

De verdachte en medeverdachte [medeverdachte 3] die eveneens op 12 augustus 2004 in de woning aan de [A-straat] waren, bevestigen dat [medeverdachte 1] op enig moment tezamen met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in “de kamer van de Chinees” was, dat daar geluiden te horen waren die zij duiden als gevechtsgeluiden en dat slechts de verdachte de kamer levend heeft verlaten. Zij bevonden zich beiden op dat moment in de kamer van [medeverdachte 3] en de deur van die kamer was door de verdachte op slot gedaan.19 Nadat de verdachte uit de kamer van de Chinees geen geluiden meer hoorde, is hij uit de kamer van [medeverdachte 3] gegaan. De deur van de kamer van de Chinees was toen open zodat hij naar binnen kon kijken en hij heeft daar de lichamen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zien liggen. Tevens zag hij bij zijn zoon [medeverdachte 1] bloed op zijn elleboog. Hij schreeuwt dan dat [medeverdachte 1] de mannen heeft doodgemaakt.20

6. Standpunt van het Openbaar Ministerie

De vordering van de advocaat-generaal houdt in dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het impliciet primair tenlastegelegde, te weten medeplegen van moord, meermalen gepleegd, zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 jaren met aftrek van voorarrest.

7. Standpunt van de verdachte en de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft overeenkomstig zijn pleitnota verweer gevoerd. De raadsman stelt zich op het standpunt dat de verdachte moet worden vrijgesproken van medeplegen van moord dan wel doodslag.

8. Het oordeel van het hof

Op grond van voornoemde bewijsmiddelen onder 5.3, 5.4, 5.5 en 5.6 is bewezen dat de medeverdachte [medeverdachte 1] [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] door messteken om het leven heeft gebracht en dat dit is gebeurd in de zogenaamde kamer van de Chinees in de [A-straat] te Den Haag.

8.1 Vooropgezet plan

De advocaat-generaal heeft zich, verwijzend naar het door de officier van justitie gehouden requisitoir, op het standpunt gesteld dat er sprake is van moord, nu er sprake was van een vooropgezet plan van de verdachte en zijn medeverdachten om [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] van het leven te beroven. Dit vindt volgens de advocaat-generaal steun in –samengevat en zakelijk weergegeven- de verklaringen van de verdachte, medeverdachten en getuigen over een vooropgezet plan, de verklaringen van getuigen omtrent een afspraak op 12 augustus 2004 en het feit dat zich in de ochtend van 12 augustus 2004 in de [A-straat]zes mensen uit het [‘verdachte-kamp’] hebben verzameld, terwijl een aantal van hen geen plausibele reden voor hun aanwezigheid daar en toen kan geven.

De advocaat-generaal heeft, in het kader van getuigenverklaringen over een vooropgezet plan, gewezen op verklaringen van de verdachte welke hij kort na zijn aanhouding op 26 en 30 september 2004 heeft afgelegd. Hij verklaart ondermeer dat zijn zoon en medeverdachte, [medeverdachte 2], zou hebben gezegd dat hij de mannen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] wel terug zou pakken, omdat die bedreigingen op moesten houden en dat [medeverdachte 2] een van de opdrachtgevers is van of schuld heeft aan de moorden op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2].

Naar het oordeel van het hof kan aan deze verklaringen geen doorslaggevende waarde worden gehecht. De verdachte ontkende na zijn aanhouding elke betrokkenheid. Pas later (vanaf 20 december 2004) is hij gaan verklaren over zijn aanwezigheid in het pand aan de [A-straat] terwijl de slachtoffers elders in dat pand de dood vonden en heeft hij hetgeen hij eerder heeft verklaard – over zijn afwezigheid in dat pand tijdens het doden van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] - teruggetrokken.

Voorts heeft de advocaat-generaal in dat verband gewezen op een verklaring van [getuige 2] van 6 november 2004, waarin hij verklaart dat hij [medeverdachte 2] heeft horen zeggen dat hij de mannen naar de [A-straat]zou lokken en dat de mannen moesten worden opgeknapt. Deze verklaring heeft [getuige 2] tegenover de rechter-commissaris herhaald. Getuige [getuige 3] heeft bevestigd dat zij van [getuige 2] heeft gehoord dat [medeverdachte 2] de mannen naar de [A-straat]zou lokken. Ook is gewezen op de verklaring van de getuige en tevens medeverdachte [medeverdachte 4] dat de verdachte tegen hem heeft gezegd dat hij het zelf ging doen als de politie niets aan het probleem zou doen.

Naar het oordeel van het hof kan uit deze verklaringen niet meer worden afgeleid dan dat zowel [medeverdachte 2] als de verdachte hun ongenoegen hebben geuit over de politie die niets aan hun probleem zou doen. Gelet op het feit dat de verdachte en [medeverdachte 2] beiden kort daarvoor het slachtoffer waren geworden van de zogenaamde incassopraktijken van [slachtoffer 1], is het niet onbegrijpelijk dat beiden in dergelijke bewoordingen over de situatie hebben gesproken. Dit is echter onvoldoende om daaruit af te leiden dat bij hen het voornemen bestond om de mannen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] van het leven te beroven.

De getuige [getuige 4] heeft verklaard over een kromzwaard dat de verdachte zou hebben willen laten slijpen en een beitel die verdachte in zijn auto zou hebben gelegd. Er is echter geen enkel technisch bewijs dat een kromzwaard of beitel uiteindelijk is gebruikt bij het doden van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2].

De advocaat-generaal heeft voor het bewijs dat er sprake was van een afspraak tussen [medeverdachte 2] en [slachtoffer 1] op 12 augustus 2004 de verklaringen van de getuigen [getuige 5], [getuige 1] en [getuige 6] aangehaald.

Blijkens haar eigen verklaringen heeft [getuige 5], moeder van [slachtoffer 2], hetgeen zij weet van een afspraak, gehoord van de getuige [getuige 1]. De getuige [getuige 1] heeft op zijn beurt ter terechtzitting in hoger beroep op 10 maart 2009 verklaard dat hij op 11 augustus 2004 van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft begrepen dat zij de volgende dag weer terug zouden gaan naar Den Haag. Hij verklaart daarbij dat hij heeft begrepen dat er een afspraak was en dat deze, naar zijn weten, met [medeverdachte 2] was. Helemaal zeker van deze lezing is hij ter terechtzitting in hoger beroep niet meer.

Een en ander zou hij ook hebben verklaard toen hij werd gehoord door de politie Zaandijk naar aanleiding van de vermissing van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Destijds heeft [getuige 1] echter verklaard dat hij weet dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] samen naar Den Haag zouden gaan. Dat hij niet weet wat ze daar gingen doen, maar dat hij denkt dat zij hetzelfde gingen doen als wat hijzelf en [slachtoffer 1] daar altijd deden, te weten in gesprek gaan met die [medeverdachte 2].21

Naar het oordeel van het hof is gelet op het vorenoverwogene onduidelijk, los van het feit of getuige [getuige 1] wel of niet van [slachtoffer 1] dan wel [slachtoffer 2] had vernomen dat er een afspraak was, of dit een eenzijdige “afspraak” betrof of dat ook [medeverdachte 2] op de hoogte was van deze afspraak. De getuige [getuige 1] heeft immers op 7 november 2007 tegenover de rechter-commissaris verklaard dat [slachtoffer 1], als hij een klusje had, ook wel het woord “afspraak” gebruikte. Het is dan ook niet komen vast te staan dat [medeverdachte 2] met [slachtoffer 1] een afspraak heeft gemaakt om elkaar op 12 augustus 2004 te treffen in de [A-straat].

De getuige [getuige 6] heeft in een artikel in de Nieuwe Revu van augustus 2006 geschreven over een telefonische afspraak tussen [slachtoffer 1] en [medeverdachte 2]. Deze getuige is meerdere malen bij de rechter-commissaris en ter terechtzitting in eerste aanleg gehoord, maar heeft zich steeds beroepen op zijn recht om als journalist zijn bronnen te beschermen. Zelfs nadat de rechtbank zich op het standpunt had gesteld dat het belang van de waarheidsvinding zwaarder moet wegen dan dit recht op verschoning, heeft de journalist geweigerd zijn bron(nen) prijs te geven.

Nu die bron(nen) onbekend is/zijn gebleven, kan naar het oordeel van het hof aan de bewering dat er een telefonische afspraak was, zonder meer geen waarde worden gehecht. Deze bewering vindt overigens ook geen steun in de tapgesprekken of printgegevens van het politieonderzoek Spoor of Wissel.

De advocaat-generaal heeft ten slotte nog op de verklaring van [getuige 7] gewezen die erop zou duiden dat [medeverdachte 2] op 12 augustus 2004 mensen in de [A-straat]verwachtte en dat hij zich zenuwachtig gedroeg.

Het hof merkt hierbij op dat, gelet op het feit dat [medeverdachte 2] al enige tijd werd gezocht door [slachtoffer 1] en hij zich om die reden niet meer in zijn eigen auto verplaatste, uit zijn gedrag evenzeer zou kunnen worden afgeleid dat hij een ontmoeting met [slachtoffer 1] trachtte te voorkomen.

Bovendien was [slachtoffer 1], blijkens een afgeluisterd telefoongesprek op 11 augustus 2004 om 19.13 uur tussen [slachtoffer 1] en [buurman], destijds woonachtig op [A-straat], juist op zoek naar [medeverdachte 2] om hem onverhoeds te treffen, zodat het bestaan van een afspraak niet erg waarschijnlijk is. [slachtoffer 1] vraagt [buurman] in dit gesprek –samengevat en zakelijk weergegeven- of hij [medeverdachte 2] kan bellen en dat hij in moet spreken dat zijn dak lekt. [slachtoffer 1] zegt dan tegen [buurman] dat [medeverdachte 2] dan waarschijnlijk naar hem toe komt en als [medeverdachte 2] komt, moet [buurman] [slachtoffer 1] meteen bellen.

De analyse van telefoongegevens en cell-id gegevens leveren naar het oordeel van het hof evenmin ondersteuning op voor de stelling van het openbaar ministerie dat er sprake was van een vooropgezet plan en dat de personen aanwezig op de [A-straat] elkaar daar met het oog op het doden van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben getroffen.

Een ontmoeting tussen [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [betrokkene 2], nadat laatstgenoemde om 10.48 uur door [slachtoffer 1] is gebeld, is niet komen vast te staan. De analyse van de cell-id gegevens toont immers slechts aan dat de telefoon van [betrokkene 2] in hetzelfde gebied was als waar de telefoons van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zich bevonden.

Daarbij kan over de inhoud van de diverse telefonische contacten tussen [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en [betrokkene 3], de ex-partner van de verdachte, voordat men zich in de [A-straat] bevond, slechts gespeculeerd worden. Dat er telefonische contacten hebben plaatsgevonden staat vast, hiermee is echter geenszins gezegd dat er daadwerkelijk afstemming heeft plaatsgevonden om zich naar de [A-straat]te bewegen, laat staan met welk doel. De tegenstrijdige verklaringen van de betrokkenen hieromtrent doen hieraan niet af.

Het feit dat de verklaringen van de verdachte en zijn medeverdachten met betrekking tot de reden van hun komst naar de [A-straat] en de wijze waarop ze zijn gekomen, uiteenlopen en gedeeltelijk onderling tegenstrijdig zijn, vormt evenmin voldoende bewijs voor een vooropgezet plan om de slachtoffers op te wachten.

Ook voor zover er wel sprake zou zijn van een afspraak elkaar in de [A-straat]te treffen en de komst van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] af te wachten, kan daaruit niet zonder meer worden afgeleid dat men het plan had de mannen van het leven te beroven.

Gelet op het hetgeen hiervoor is overwogen, is het hof van oordeel dat niet is komen vast te staan dat er sprake was van een vooropgezet plan van de verdachte en zijn medeverdachten om [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] van het leven te beroven.

8.2 Handelingen achteraf

Onder 8.1 heeft het hof overwogen dat een vooropgezet plan om [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] van het leven te beroven niet is komen vast te staan.

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting als vermeld onder 5.6 dient ervan te worden uitgegaan dat [medeverdachte 1] de slachtoffers heeft doodgestoken terwijl de verdachte zich elders in het pand aan de [A-straat] te Den Haag bevond.

De advocaat-generaal heeft gewezen op de handelingen van de verdachte om de misdrijven te verdoezelen nadat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] door [medeverdachte 1] met messteken zijn gedood, te weten het wegwerken van de lichamen en het verwijderen van sporen, welke handelingen deel uitmaken van een zorgvuldig voorbereide actie.

Naar het oordeel van het hof zijn deze handelingen ook in samenhang bezien met hetgeen onder 8.1 is overwogen niet redengevend om voorbedachte rade aan te nemen.

Dergelijk laakbaar handelen is strafbaar gesteld op grond van artikel 151 van het Wetboek van Strafrecht (onttrekking van een lijk aan nasporing). Dit feit is evenwel door het openbaar ministerie niet aan de verdachte ten laste gelegd.

8.3 Kalm beraad en rustig overleg

De advocaat-generaal heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat er sprake is van voorbedachte rade en derhalve van moord, overeenkomstig de overweging van de rechtbank in eerste aanleg, nu de medeverdachte [medeverdachte 1] voorafgaande aan en gedurende zijn gewelddadige handelingen tijd had zich te beraden op het te nemen of genomen besluit, waarbij hij zich ofwel tevoren ofwel tijdens de uitvoering van die handelingen van een mes heeft voorzien.

Naar het oordeel van het hof is er onvoldoende bewijs voor voorbedachte rade in de zin van kalm beraad en rustig overleg bij [medeverdachte 1], nu niet is komen vast te staan dat deze medeverdachte tijdens het uitvoeren van eerdergenoemde handelingen, op de plek waar het gebeuren zich heeft afgespeeld, gelegenheid en tijd heeft gehad zich te beraden over hetgeen hij aan het doen was en nog zou gaan doen. Evenmin is vast te stellen door welke steek of steken en op welk moment de slachtoffers dodelijk zijn getroffen.

8.4 Medeplegen doodslag

Nu er onvoldoende bewijs is voor moord en derhalve ook niet voor het medeplegen van moord door de verdachte, ziet het hof zich voor de vraag gesteld of er sprake is van medeplegen van doodslag. Daarbij dient te worden opgemerkt dat er, zoals reeds onder 8.2 is vastgesteld, geen bewijs is voor directe betrokkenheid van de verdachte bij het doodsteken van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] door [medeverdachte 1].

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van medeplegen nu de verdachte moet hebben geweten wat zich in de kamer van de Chinees afspeelde, maar op geen enkel moment heeft ingegrepen of zich van het gebeuren heeft gedistantieerd.

Wil er sprake zijn van medeplegen dan is niet vereist dat de verdachte zelf uitvoeringshandelingen heeft verricht of zelfs dat hij fysiek aanwezig is geweest bij de uitvoering van het delict, mits er sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking tussen de medeplegers.

Nu, zoals reeds is overwogen, er onvoldoende bewijs is voor een vooropgezet plan van de verdachte en zijn medeverdachten om [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] om het leven te brengen, kan op grond daarvan geen nauwe en bewuste samenwerking worden aangenomen.

Ook overigens is op grond van het verhandelde ter terechtzitting geen moment aan te wijzen voor of tijdens het doden van de slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] waarop, noch een omstandigheid waaruit een nauwe en bewuste samenwerking van de verdachte met [medeverdachte 1] blijkt.

Het welbewust nalaten, door niet in te grijpen wanneer een ander een delict uitvoert en/of het zich niet distantiëren van gedragingen van anderen, kan onder omstandigheden medeplegen opleveren. Het hof is van oordeel dat in dit geval het enkel zich niet distantiëren dan wel het niet ingrijpen onvoldoende is om te kunnen spreken van medeplegen van doodslag op voornoemde slachtoffers, reeds om die reden dat niet bewezen kan worden dat de verdachte wist wat zich precies op dat moment in de kamer van de Chinees afspeelde. Immers, op grond van het onderzoek ter terechtzitting is niet komen vast te staan dat de verdachte wist dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in de kamer van de Chinees werden doodgestoken, of dat hij dit redelijkerwijs had kunnen weten. De geluiden uit voornoemde kamer die werden geduid als vechtgeluiden zijn, ook in het licht van de voorgeschiedenis als vermeld onder 5.1, daartoe onvoldoende. Dit brengt met zich mee dat niet gesteld kan worden dat de verdachte [medeverdachte 1] had moeten beletten voort te gaan met het zo gewelddadig tekeer gaan tegen de slachtoffers. Voor strafrechtelijk distantiëren van het gebeuren is gelet op het vorenoverwogene evenmin plaats.

Gelet op het vorenoverwogene is het hof, anders dan de rechtbank, van oordeel dat op geen enkele wijze samenwerking tussen [medeverdachte 1] en de verdachte is komen vast te staan en dat derhalve medeplegen van doodslag niet bewezen kan worden verklaard.

9. Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is derhalve niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

10. Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 1]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van EUR 3.556,40.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Nu de verdachte ter zake van het tenlastegelegde wordt vrijgesproken, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.

Dit brengt mee dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten het hof begroot op nihil.

11. Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 2]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van EUR 2.553,95 plus de wettelijke rente.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Nu de verdachte ter zake van het tenlastegelegde wordt vrijgesproken, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.

Dit brengt mee dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten het hof begroot op nihil.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk in de vordering.

Veroordeelt de benadeelde partij [benadeelde partij 1] in de kosten die de verdachte in verband met de verdediging tegen die vordering heeft gemaakt, welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil.

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in de vordering.

Veroordeelt de benadeelde partij [benadeelde partij 2] in de kosten die de verdachte in verband met de verdediging tegen die vordering heeft gemaakt, welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit arrest is gewezen door mr. Stoker-Klein, mr. G.J.W. van Oven en mr. J.W. Klein Wolterink, in bijzijn van de griffier mr. P. Melis.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 15 april 2009.

Mr. J.W. Klein Wolterink is buiten staat dit arrest te ondertekenen.

1 Proces-verbaal van aangifte van de politie Haaglanden, d.d. 4 augustus 2004, opgemaakt en ondertekend door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, dossier Spoor, p. 338-343.

2 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 2] van de politie Zaanstreek-Waterland/Zaandijk, d.d. 17 augustus 2004, opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Doesburg, dossier Spoor, p. 344-351.

3 Vonnis rechtbank 's-Gravenhage inzake [getuige 1], d.d. 6 april 2005, parketnummer [parketnummer].

4 Proces-verbaal van aangifte van de politie Haaglanden, d.d. 5 augustus 2004, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, dossier Spoor, p. 361-364.

5 Proces-verbaal van aangifte van de politie Haaglanden, d.d. 4 augustus 2004, opgemaakt en ondertekend door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, dossier Spoor, p. 338-343 en de verklaring van de getuige [getuige 1] ter terechtzitting in hoger beroep op 10 maart 2009.

6 Proces-verbaal van relaas van de politie Zaanstreek-Waterland, d.d. 26 november 2004, opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, dossier Binnenhof, p. 5-9.

7 Proces-verbaal van bevindingen van de politie Haaglanden, d.d. 25 augustus 2004, nr. PL15J2/2004/1546-13, opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, dossier Wissel 01/AH/005, p.29.

8 Proces-verbaal van bevindingen van de politie Haaglanden, d.d. 28 september 2004, nr. PL1590/2004/1546, opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, dossier Wissel 01A/AH/21, p. 160.

9 Proces-verbaal van de politie Haaglanden, d.d. 28 september 2004, opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, dossier Wissel 01B/AH/28, p. 272-277.

10 Processen-verbaal van de politie Haaglanden, d.d. 28 september 2004, opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, dossier Wissel 01A/AH/19, p. 142-144 en proces-verbaal van de politie Haaglanden, d.d. 28 september 2004, opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, dossier Wissel 01A/AH/20 p. 153.

11 Een sectieverslag van het Nederlands Forensisch Instituut te Rijswijk, d.d. 10 januari 2005, betreffende [slachtoffer 1], opgemaakt en ondertekend door [patholoog], patholoog, dossier Wissel 01G/GD3/7, p. 1164-1174.

12 Een sectieverslag van het Nederlands Forensisch Instituut te Rijswijk, d.d. 19 januari 2005, betreffende [slachtoffer 2], opgemaakt en ondertekend door [patholoog], patholoog, dossier Wissel 01H/GD3/11, p. 1309-1319.

13 Proces-verbaal van verhoor medeverdachte [medeverdachte 4] van de politie Haaglanden, d.d. 15 december 2004, opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, dossier Wissel V05/2f, p. 37-48.

14 Proces-verbaal van verhoor medeverdachte [medeverdachte 3] van de politie Haaglanden, d.d. 17 december 2004, opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, dossier Wissel V07/1f, p. 17-21.

15 Proces-verbaal van de politie Haaglanden, Technische Recherche, d.d. 28 december 2004, opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren , dossier Wissel Technische Recherche, 2de Relaas bijlage D2.

16 Een deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut te ’s-Gravenhage, d.d. 14 april 2005, opgemaakt en ondertekend door dr. R.J. Brink, dossier Wissel 01J/GD3/14, p. 1581-1587.

17 Processen-verbaal van verhoor medeverdachte [medeverdachte 1], d.d. 24 en 26 september 2004, opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, dossier Wissel V04/3f en V04/4f, p. 23-35 en proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 25 september 2004, opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, dossier wissel V03/1f, p. 11-15.

18 Proces-verbaal van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de arrondissementsrechtbank te Den Haag, betreffende de op 29 december 2004 afgelegde verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 1], dossier Wissel V04/e/2, p. 413-420.

19 De verklaring van de getuige [medeverdachte 3] ter terechtzitting in hoger beroep op 10 maart 2009 en een proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 3] van de politie Haaglanden, d.d. 18 januari 2005, opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde politieambtenaren, dossier Wissel V07/10f, p. 87-89; de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep op 10 maart 2009.

20 De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg op 14 november 2006 en de verklaring van de getuige [medeverdachte 3] ter terechtzitting in hoger beroep op 10 maart 2009.

21 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1], d.d. 16 augustus 2004, opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, dossier Binnenhof p. 11-14.