Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BI0640

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-03-2009
Datum publicatie
10-04-2009
Zaaknummer
105.012.457.01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omgang ontzegd voor de duur van twee jaren aan vader zonder gezag. Omgang op dit moment in strijd met zwaarwegende belangen minderjarige: minderjarige is negen jaar oud, kent de vader niet en weet niet dat hij haar vader is. De vader heeft een langdurige detentie achter de rug en dient eerst zijn leven op orde te krijgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 11 maart 2009

Zaaknummer : 105.012.457.01

Rekestnummer : 027-M-08

Rekestnr. rechtbank : FA RK 07-862

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. F.A.M te Braake.

tegen

[verweerster]

hierna te noemen: de moeder,

en

[verweerder],

beiden wonende te [woonplaats],

verweerders in hoger beroep,

hierna gezamenlijk te noemen: verweerders,

advocaat mr. J. Wouters.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 3 januari 2008 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 10 oktober 2007 van de rechtbank Middelburg.

Verweerders hebben op 4 februari 2008 een verweerschrift ingediend.

Op 6 februari 2009 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vader, bijgestaan door zijn advocaat, mr. F.A.M. te Braake, en verweerders, bijgestaan door hun advocaat, mr. J. Wouters. Partijen en hun raadslieden hebben het woord gevoerd.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking zijn de verweerders gezamenlijk belast met het gezag over de na te noemen minderjarige en is voorts de geslachtsnaam van de minderjarige gewijzigd van [geslachtsnaam moeder] in [geslachtsnaam verweerder]. Het verzoek van de vader tot het vaststellen van een omgangsregeling is afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de omgang tussen de vader en [naam minderjarige], geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats], verder: de minderjarige, die bij verweerders verblijft. De vader heeft de minderjarige op [datum] 1999 erkend.

2. De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen (het hof leest: voor zover het de afwijzing van het verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling betreft) en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat er omgang zal zijn tussen hem en de minderjarige één dag per veertien dagen op zondag van 10.00 uur tot 18.00 uur, alsmede gedurende de helft van de schoolvakanties.

3. De verweerders hebben het beroep van de vader gemotiveerd weersproken. Zij hebben verzocht de vader in zijn appèl niet-ontvankelijk te verklaren, althans zijn verzoek aan hem te ontzeggen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4. Ter terechtzitting hebben verweerders aangevoerd dat de vader in zijn beroepschrift geen grieven heeft aangevoerd tegen de beslissing van de rechtbank. Kennelijk beroepen verweerders zich op artikel 359 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) juncto artikel 278 lid 1 Rv, zodat het hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Het hof is van oordeel dat de vader ontvankelijk is in zijn hoger beroep. Immers, de grief van de vader behelst de klacht dat de rechtbank ten onrechte het verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling heeft afgewezen en voorts blijkt uit het beroepschrift op welke gronden de vader oordeelt dat de door hem bestreden beschikking onjuist is. Het hof passeert derhalve dit verweer.

5. Voorts hebben verweerders ter terechtzitting aangevoerd dat de vader niet in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot de minderjarige die kan worden aangemerkt als ‘family-life’. Vaststaat dat de vader op [datum] 1999 de minderjarige heeft erkend. Nog daargelaten of er sprake is van ‘family-life’, biedt artikel 1:377a BW de vader als niet-gezagsouder aanspraak op het treffen van een omgangsregeling tussen hem en de minderjarige. Naar het oordeel van het hof is mitsdien de vader ontvankelijk in zijn verzoek.

6. De vader heeft aangevoerd dat hij na de geboorte van de minderjarige regelmatig contact met haar heeft gehad en ook feitelijk met haar heeft samengewoond. De moeder heeft er ook in toegestemd dat de vader kort na de geboorte de minderjarige heeft erkend. De laatste jaren heeft de vader weliswaar geen contact gehad met de minderjarige doch dat is te wijten aan de omstandigheid dat hij zelf een problematische tijd heeft gehad. Bovendien was hij niet op de hoogte van de verblijfplaats van de moeder en de minderjarige. De vader heeft weliswaar een strafrechtelijk verleden, doch dit staat aan een omgangsregeling niet in de weg. Uit een andere relatie heeft de vader ook een kind, waarmee hij een omgangsregeling heeft. Ter terechtzitting heeft de vader nog aangevoerd dat hij uit detentie wordt ontslagen. Hij wenst stapsgewijs contact met de minderjarige. Om die reden heeft hij zich ook gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank omtrent de gezagsvoorziening en de geslachtsnaam van de minderjarige.

7. Verweerders hebben – kort gezegd – het volgende naar voren gebracht. De vader heeft een strafrechtelijk verleden. Verweerders hebben moeten vernemen dat de vader het Exodushuis casu quo de behandeling heeft verlaten, respectievelijk heeft opgegeven. De vader is in 2007 in [plaatsnaam] gesignaleerd bij een coffeeshop. De minderjarige kent de vader niet. De vader heeft niets reëels in het perspectief van een positieve beoordeling van de omgang ingebracht. De vader biedt geen perspectief met betrekking tot de waarborgen die er zouden moeten zijn als de omgang tot stand komt. De vader heeft niet met de minderjarige samengewoond. Hij heeft de minderjarige slechts één keer gezien toen deze een half jaar oud was. Ook heeft hij haar nooit ten tijde van een samenwoning meegemaakt. Dat de vader de minderjarige heeft erkend betekent nog niet dat er aanspraak is op omgang. De moeder heeft destijds in de erkenning bewilligd, omdat zij meende dat – gezien het feit dat de vader de verwekker is van de minderjarige – voor de toekomst zeker nog deuren open zouden moeten blijven staan. De vader was op de hoogte van de verblijfplaats van de minderjarige. Ter terechtzitting heeft de moeder verklaard dat zij te zijner tijd aan de minderjarige zal vertellen wie haar biologische vader is. Zij wenst geen negatief beeld te schetsen van de vader.

8. Het hof overweegt als volgt. Uitgangspunt is dat de minderjarige en de niet met het gezag belaste ouder recht hebben op omgang met elkaar. Slechts indien een van de in de wet vermelde ontzeggingsgronden aanwezig is kan dit recht, al dan niet tijdelijk, aan deze ouder worden ontzegd. In het onderhavige geval is de minderjarige negen jaar oud, kent zij de vader niet en weet zij tot heden niet dat hij haar biologische vader is. Reeds op die grond kan nu niet zonder meer een omgangsregeling worden bepaald. De vader heeft daarnaast een langdurige detentie achter de rug. Hij stelt, direct na zijn detentie over een baan en over huisvesting te beschikken. Het hof is van oordeel dat de vader eerst zijn leven op orde dient te krijgen en er enige tijd overheen zal gaan, voordat gesproken kan worden van een bestendige situatie. Dit laatste is noodzakelijk om bij verweerders het vertrouwen te doen ontstaan, dat omgang tussen de minderjarige en de vader niet nadelig voor de minderjarige zal zijn. Op grond van het vorenoverwogene komt het hof tot de conclusie, dat omgang tussen de vader en de minderjarige op dit moment in strijd is met zwaarwegende belangen van de minderjarige. Het hof ziet daarin grond om de vader de omgang met de minderjarige voor de duur van twee jaren te ontzeggen.

9. In genoemde periode van twee jaren kan de moeder de minderjarige gaan inlichten over haar status, dat wil zeggen over haar vader. Ter terechtzitting heeft de moeder verklaard dat zij de minderjarige zal vertellen wie haar vader is. Het hof is van oordeel dat van de moeder in deze periode verwacht mag worden dat zij de minderjarige zal vertellen wie haar vader is. Een latere statusvoorlichting zoals in de puberteit acht het hof niet wenselijk.

10. Het hof overweegt voorts dat de tweejaarstermijn eerst ingaat op de datum waarop de onderhavige beschikking van het hof zal zijn gegeven.

11. Gelet op het vorenstaande dient de bestreden beschikking, voor zover daarbij het verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling is afgewezen, te worden vernietigd.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover daarbij het verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling is afgewezen en, in zoverre opnieuw beschikkende:

ontzegt de vader het recht op omgang met de minderjarige gedurende twee jaren, ingaande de datum van deze beschikking;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Bouritius, Van Leuven en Mink, bijgestaan door mr. Berkelaar als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 maart 2009.