Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BI0043

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-03-2009
Datum publicatie
06-04-2009
Zaaknummer
200.009.349.01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitkering tot levensonderhoud. Artikel 1:160 BW niet van toepassing in verhouding moeder en dochter. Grievend gedrag; wijziging omstandigheden; behoefte en draagkracht.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 41
Burgerlijk Wetboek Boek 1 80a
Burgerlijk Wetboek Boek 1 160
Burgerlijk Wetboek Boek 1 401
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2009/350
JPF 2009/109 met annotatie van PVl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 25 maart 2009

Zaaknummer : 200.009.349.01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 07-5200

[naam verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. J. Wolfert-Brouwer,

tegen

[naam verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. J.P. Verhaar-Kok.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 24 juni 2008 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank

‘s-Gravenhage van 25 maart 2008.

De vrouw heeft op 10 september 2008 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de man zijn bij het hof op 3 september 2008 en 19 januari 2009 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof op 7 januari 2009 aanvullende stukken ingekomen.

Op 29 januari 2009 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door zijn advocaat, en de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. Partijen hebben het woord gevoerd, de advocaat van de man onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotities.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking is het verzoek van de man tot wijziging van de beschikking van 6 september 2000 en het door partijen ondertekende echtscheidingsconvenant met

betrekking tot de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw (hierna: de partneralimentatie), afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de partneralimentatie.

2. De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en te bepalen dat de door de man te betalen partneralimentatie met ingang van 1 augustus 2007, althans met ingang van een door dit hof in goede justitie te bepalen datum, op nihil wordt gesteld, althans op een in goede justitie te bepalen bedrag, kosten rechtens.

3. De vrouw bestrijdt het beroep.

4. De man stelt in zijn eerste en enige grief – kort samengevat – dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er geen sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden (in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW) en dat het verzoek van de man tot wijziging van de partneralimentatie ten onrechte is afgewezen. Volgens de man is er wel degelijk sprake van gewijzigde omstandigheden waardoor de tussen partijen overeengekomen partneralimentatie niet langer aan de wettelijke maatstaven voldoet. Hij stelt de navolgende gewijzigde omstandigheden:

Artikel 1:160 BW

5. Primair stelt de man zich op het standpunt dat de vrouw met haar dochter is gaan samenleven als waren zij gehuwd of als hadden zij hun partnerschap laten registreren in de zin van artikel 1:160 BW, waardoor zijn verplichting tot het betalen van partneralimentatie is geëindigd.

6. De vrouw betwist de stellingen van de man.

7. Het hof overweegt als volgt. Het ontstaan van een situatie als bedoeld in artikel 1:160 BW heeft van rechtswege tot gevolg dat de verplichting tot het verschaffen van partneralimentatie eindigt. Gelet op de artikelen 1:41, eerste lid en 1:80a, zesde lid BW vormt de verwantschap tussen de vrouw en haar dochter een beletsel voor huwelijk of geregistreerd partnerschap, zodat de door de man bedoelde situatie, wat daarvan verder ook zij, niet tot beëindiging van de onderhoudsplicht leidt.

Grievend gedrag

8. De man heeft subsidiair betoogd dat de vrouw zich op dusdanig grievende en respectloze wijze jegens de man heeft gedragen dat van hem niet kan worden gevergd om nog langer aan haar partneralimentatie te betalen.

Hij heeft daartoe aangevoerd dat de vrouw de loonadministratie van de man heeft gebeld en ten onrechte betalingsachterstanden van de man en andere onjuistheden heeft voorgespiegeld. Verder heeft de vrouw de aanwezigheid van de man bij het huwelijk van de dochter van partijen gefrustreerd. Ook frustreert de vrouw het contact met het kleinkind van de man en stookt zij de familie tegen hem op. Verder heeft de vrouw volgens de man opzettelijk WAO gelden achtergehouden toen deze gelden op een verkeerd rekeningnummer waren gestort. Voorts heeft de vrouw volgens de man ten tijde van het huwelijk, zonder medeweten van de man, gewerkt en hiervoor zelfs speciaal een bankrekening geopend.

9. De vrouw heeft de stelling van de man gemotiveerd weersproken.

10. Het hof overweegt als volgt. Gedrag aan de zijde van de alimentatiegerechtigde kan er toe leiden dat de alimentatieplicht eindigt. Doorslaggevend hierbij is of de omstandigheid die wordt aangevoerd een dermate grievend karakter heeft dat in redelijkheid niet van de alimentatieplichtige gevergd kan worden dat deze partneralimentatie blijft betalen. Naar het oordeel van het hof heeft de man zijn stelling hoofdzakelijk kwalificatief en onvoldoende feitelijk onderbouwd. Het hof zal derhalve deze stelling van de man eveneens passeren.

Relevante wijziging van omstandigheden

11. Het hof overweegt als volgt. Tussen partijen staat onweersproken vast dat zich een wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan. De man is immers met ingang van 1 augustus 2007 met vervroegd pensioen (prepensioen) gegaan. De vraag die aan het hof voorligt, is of daarmee sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden op grond waarvan in casu de beschikking van 6 september 2000 en het door partijen ondertekende echtscheidingsconvenant hebben opgehouden aan de wettelijke maatstaven te voldoen.

Het hof is van oordeel dat dit laatste het geval is. Daartoe overweegt het hof als volgt.

De man heeft in zijn verzoek in eerste aanleg verzocht de door hem verschuldigde partneralimentatie met ingang van 1 augustus 2007 op nihil te stellen. Hij stelt dat met ingang van de dag dat hij met prepensioen is gegaan, zijn inkomen drastisch is verlaagd.

Uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is onweersproken komen vast te staan dat de man een arbeidsverleden van 46 jaar heeft en dat hij tussentijds gedeeltelijk arbeidsongeschikt is geraakt. Het hof is van oordeel dat het de man onder deze omstandigheden ook jegens de vrouw vrijstond met prepensioen te gaan. Uit de stukken, met name de door de man overgelegde jaaropgave 2006, is voorts gebleken dat de man in 2006 een inkomen had van € 24.651,- per jaar. In 2007 bedroeg dit inkomen € 15.657,- per jaar. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de man voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zijn inkomen in 2007 in aanzienlijke mate is afgenomen ten opzichte van 2006. Er is derhalve sprake van een wijziging van omstandigheden die een nieuwe beoordeling van de wettelijke maatstaven rechtvaardigt.

Ingangsdatum

12. Nu de door de man aangevoerde wijziging van omstandigheden op 1 augustus 2007 intrad, zal het hof de alimentatie voor ingang van die datum herbeoordelen.

Behoefte vrouw

13. De vrouw ontvangt sinds medio 2007 een uitkering ingevolge de Wet inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA) van € 420,- netto per maand. Het hof is van oordeel dat hiermee de behoefte aan de geldende partneralimentatie van (thans) € 662,17 bruto per maand voldoende vaststaat.

De stelling van de man dat de vrouw moet worden geacht met arbeid haar inkomen te verhogen faalt, nu de vrouw sedert medio 2007 voor de toepassing van de WIA 80-100% arbeidsongeschikt wordt geacht.

Bijzondere omstandigheden op grond waarvan in afwijking van dit gegeven zou moeten worden geoordeeld zijn door de man niet gesteld.

Evenzeer faalt de stelling van de man dat de vrouw haar lasten door de samenwoning met de dochter zodanig heeft beperkt dat zij geen of in verminderde mate alimentatie behoeft, nu haar totale inkomen ongeveer op bijstandsniveau is gelegen.

Draagkracht man

14. Het hof zal bij de berekening van de draagkracht van de man uitgaan van de door hem bij brief van 30 januari 2008 aan de rechtbank overgelegde draagkrachtberekening (productie 16), nu deze door de vrouw niet gemotiveerd is betwist. Tevens zal het hof voor wat betreft de woonlasten, in afwijking van die draagkrachtberekening echter uitgaan van het volgende.

Woonlasten

15. De man had blijkens het huurverhogingsvoorstel per 1 juli 2007, op naam van zijn toenmalige partner, van 1 augustus 2007 tot 1 september 2008 een kale huur van € 253,- per maand. Het hof gaat er van uit dat de man deze huurlasten met zijn (toenmalige) partner kon delen en zal in voornoemde periode bij de draagkrachtberekening rekening houden met een kale huur van afgerond € 127,- per maand.

Het hof gaat er van uit dat het huurcontract van de nieuwe woning van de man, met een kale huur van afgerond € 431,- per maand, is ingegaan op 1 september 2008. Op grond van de brief van 16 januari 2009 van de zijde van de man, gaat het hof er van uit dat de relatie van de man met zijn partner op 1 januari 2009 is geëindigd. Het hof zal er daarom in de periode van 1 september 2008 tot 1 januari 2009 rekening mee houden dat de man zijn woonlasten nog kon delen en uitgaan van een kale huur van € 216,- per maand. Met ingang van 1 januari 2009 gaat het hof uit van een kale huur van € 431,- per maand.

Conclusie

16. Uit het voorgaande volgt dat de man in de periode van 1 augustus 2007 tot 1 september 2008 voldoende draagkracht heeft om een partneralimentatie te betalen van € 350,- per maand en in de periode van 1 september 2008 tot 1 januari 2009 voldoende draagkracht heeft voor een partneralimentatie van € 340,- per maand. Vanaf 1 januari 2009 kan de man een partneralimentatie betalen van € 90,- per maand. Voor zover de vrouw nadien meer alimentatie heeft ontvangen dan haar op grond van deze beschikking toekomt, zal het hof, gelet op het consumptieve karakter ervan, bepalen dat zij het teveel ontvangene niet aan de man behoeft terug te betalen. Het hof zal derhalve de bestreden beschikking vernietigen en beslissen als hierna te melden.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en, in zoverre opnieuw beschik¬ken¬de:

bepaalt - met dienovereenkomstige wijziging van de beschik¬king van 6 september 2000 van de rechtbank ’s-Gravenhage en het tussen partijen gesloten echtscheidingsconvenant - de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw ten laste van de man, met ingang van 1 augustus 2007 tot 1 september op € 350,- per maand, in de periode van 1 september 2008 tot 1 januari 2009 op € 340,- per maand en met ingang van 1 januari 2009 op € 90,- per maand, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat de vrouw de eventueel door de man aan haar teveel betaalde alimentatie niet aan hem behoeft terug te betalen.

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Husson, Bouritius en Van der Burght, bijgestaan door mr. Vergeer-van Zeggeren als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 maart 2009.