Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BH9490

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-02-2009
Datum publicatie
02-04-2009
Zaaknummer
105.010.790.01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2009:BK0158, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2009:BK0158
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omgang: ontzeggen of verzoek afwijzen? Nu niet om ontzegging is verzocht kan alleen afwijzing worden uitgesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 11 februari 2009

Zaaknummer : 105.010.790.01

Rekestnummer : 214-M-07

Rekestnr. rechtbank : FA RK 06-880

[naam verzoeker],

thans verblijvende in de penitentiaire inrichting [naam penitentiaire inrichting],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. S. Köller,

tegen

[naam verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. F.L.I. de Vleesschauwer.

Verschenen is:

de raad voor de kinderbescherming,

optredend in zijn in artikel 810, tweede lid, Rv omschreven hoedanigheid,

vestiging [woonplaats],

hierna te noemen: de raad.

VERDERE PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

Het hof verwijst voor het verloop van het geding naar zijn tussenbeschikking van 19 maart 2008, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast moet worden beschouwd. Bij die beschikking heeft het hof de raad voor de kinderbescherming, regio [woonplaats], hierna te noemen: de raad, verzocht een vooronderzoek te verrichten met het oog op de vraag of een onderzoek naar de bij de uitoefening van het omgangsrecht van de vader betrokken belangen van de minderjarigen verantwoord is.

Verder is iedere beslissing aangehouden.

Het rapport van de raad is op 28 oktober 2008 bij het hof ingekomen.

Bij brief van 25 november 2008 is de reactie van de moeder op het rapport bij het hof ingekomen.

Bij brief van 5 december 2008 is de reactie van de vader op het rapport bij het hof ingekomen.

VERDERE BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. De raad komt tot de conclusie dat er bij de moeder geen ruimte is om de minderjarigen te ondersteunen bij het raadsonderzoek naar mogelijkheden tot contact(herstel) met de vader. De moeder zal hiertoe volgens de raad niet in staat zijn, waardoor de raad een raadsonderzoek tegen het belang van de minderjarigen acht.

2. De moeder kan zich blijkens haar reactie vinden in het rapport van de raad.

3. De vader is van mening dat het onderzoek van de raad onevenwichtig is, nu hij ten onrechte niet is gehoord door de raad en deze voor de mening van de moeder een te grote rol heeft weggelegd, waarbij het relaas van de vrouw onjuistheden bevat, die aan de hand van de inbreng van de man eenvoudig hadden kunnen worden gecontroleerd.

Daarnaast stelt hij dat uit het rapport van de raad blijkt dat het goed gaat met de minderjarigen, dat zij zich hebben aangepast aan de nieuwe situatie en dat geen behandeling meer nodig is in het kader van traumaverwerking. Volgens de vader is daarmee het standpunt van de vrouw dat omgang te belastend is voor de minderjarigen vanwege het trauma dat zij hebben opgelopen, weersproken.

De vader is voorts van mening dat van de moeder mag worden verwacht dat zij medewerking verleent aan de informatieverplichting die op haar rust en aan ondersteuning van de kinderen tijdens een raadsonderzoek. Hij betoogt dat niet is gebleken van enig bezwaar tegen een onderzoek door de raad. De moeder kan bij de uitvoering van het onderzoek volgens de vader worden ontzien door derden in te schakelen die de minderjarigen kunnen begeleiden. Ook kunnen volgens de vader derden worden ingezet bij de uitvoering van een omgangsregeling. Verder verzoekt de vader thans om een omgangsregeling vast te stellen strekkende tot eens per twee weken een telefonisch contact en eens per vier weken een bezoek in de penitentiaire inrichting onder begeleiding van een familielid van de vader danwel een door het hof passend te achten omgangsregeling vast te stellen.

Tot slot stelt de man het onderzoek van de raad vooringenomen en onevenwichtig te vinden en door de wijze van uitvoering daarvan geen vertrouwen te hebben in nader onderzoek door de raad.

4. Blijkens hetgeen het hof in rechtsoverweging 8 van zijn tussenbeschikking overwoog, strekt het vooronderzoek ertoe vast te stellen of het onder de gegeven omstandigheden verantwoord is de minderjarigen bloot te stellen aan een onderzoek naar de bij de uitoefening van het omgangsrecht betrokken belangen van de minderjarigen. Het hof is dan ook van oordeel dat de raad het vooronderzoek terecht heeft toegespitst op de draagkracht van de minderjarigen met betrekking tot het ondergaan van zodanig onderzoek. Gegeven het feit dat er tussen de vader en de minderjarigen reeds zeer aanzienlijke tijd geen contact is geweest, acht het hof de keuze van de raad om met het oog op dit onderzoekspunt bij de vader geen informatie te vergaren niet onjuist en die keuze maakt het vooronderzoek niet zodanig onevenwichtig dat om die reden aan de resultaten daarvan voorbij moet worden gegaan. Daarbij neemt het hof bovendien in overweging dat deze resultaten van het vooronderzoek door de raad wel in concept aan de vader voor commentaar zijn voorgelegd en dat zijn reactie, die dateert van na afsluiting van het rapport, als bijlage bij het rapport aan het hof is overgebracht. In zoverre is er dus geen sprake van dat de vader bij dit vooronderzoek in het geheel niet is betrokken.

5. Uit het rapport volgt dat de school die de drie minderjarigen bezoeken geen duidelijke inschatting kan maken van de gevolgen van de ingrijpende gebeurtenissen op hun emotionele ontwikkeling. Men houdt er rekening mee dat de kinderen geen openheid geven over wat er precies in hen omgaat. Het hof is van oordeel dat dit gegeven voldoende bevestiging vormt voor de in diens overwegingen besloten conclusie van de raad dat de minderjarigen bij een onderzoek naar de bij de uitoefening van het omgangsrecht betrokken belangen zijn aangewezen op ondersteuning van de moeder, bij gebreke waarvan hun draagkracht onvoldoende is om zodanig onderzoek verantwoord in te stellen.

Bij die stand van zaken komt doorslaggevende betekenis toe aan de mate waarin de moeder tot het bieden van zodanige ondersteuning is staat is. Maatstaf daarvoor is allereerst de mate waarin de moeder zich daartoe in staat acht.

Gegeven het feit dat de moeder de raad “heeft aangegeven” haar kinderen op geen enkele wijze te kunnen en te willen ondersteunen bij welke vorm van contact met de vader dan ook, welke geciteerde bewoordingen niet anders zijn op te vatten dan dat de raad bij kritisch aanhoren van de moeder zelfstandig de overtuiging heeft bekomen dat de moeder daartoe daadwerkelijk niet in staat is, acht het hof de conclusie van de raad dat de moeder niet in staat zal zijn de kinderen bij een onderzoek naar de mogelijkheden tot contact(herstel) met de vader te ondersteunen, voldoende aannemelijk.

Het hof neemt de conclusie van de raad dat een onderzoek naar de bij de uitoefening van het omgangsrecht betrokken belangen van de minderjarigen niet verantwoord is dan ook over en maakt deze tot de zijne.

6. Anders dan bij de tussenbeschikking voorzien voor het geval dat zodanig onderzoek door de raad wel verantwoord zou zijn geacht, zal het hof zonder nadere terechtzitting en na uitsluitend schriftelijke raadpleging van partijen, de zaak afdoen.

7. Met inachtneming van hetgeen het hof in zijn tussenbeschikking heeft overwogen, brengt de omstandigheid dat een inhoudelijk raadsonderzoek niet verantwoord is te achten, in het gegeven geval mee dat niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat enige omgangsregeling de kinderen in de door het derde lid van artikel 1:377a BW beschermde belang niet treft.

Het hof houdt het er dan ook voor dat ten aanzien van ieder van de drie minderjarige kinderen van partijen omgang in strijd is met hun zwaarwegende belangen als minderjarige.

Dit brengt mee dat het verzoek van de man tot vaststelling van een omgangsregeling niet kan worden toegewezen.

8. Nu bij de bestreden beschikking het recht op omgang is ontzegd ondanks het ontbreken van een daartoe ingediend verzoek, kan zij niet in stand blijven en zal het hof haar vernietigen en opnieuw rechtdoende het inleidend verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling alsnog afwijzen.

9. Met betrekking tot het in geschil zijnde recht op informatie overweegt het hof dat de raad hieraan geen afzonderlijk onderdeel van zijn advies heeft gewijd, maar dat uit de hiervoor in overweging genomen feiten en omstandigheden volgt dat het belang van ieder van de minderjarigen afzonderlijk vereist dat ten aanzien van hem/haar het bepaalde in artikel 1: 377b, eerste lid, BW buiten toepassing blijft. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat informatievoorziening als door de man verzocht niet denkbaar is zonder dat de desbetreffende minderjarige zich daarvan bewust is alsmede dat uit hetgeen hiervoor in overweging is genomen kan worden afgeleid dat de draagkracht bij de minderjarigen onvoldoende is om te worden geconfronteerd met de belangstelling die de vader voor hen als zijn kind aan de dag legt.

De rechtbank heeft het hierop betrekking hebbende verzoek van de man dan ook terecht afgewezen.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voorzover daarin de man het recht op omgang is ontzegd, en in zoverre opnieuw beschikkende:

wijst af het inleidend verzoek van de man tot vaststelling van een omgangsregeling;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. van Nievelt, Bouritius en Hulsebosch, bijgestaan door mr. Vergeer-van Zeggeren als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 februari 2009.