Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BH9207

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-03-2009
Datum publicatie
01-04-2009
Zaaknummer
200.027.138-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gesloten jeugdzorg. Het hof wijst het verzoek tot (algemene) onverbindendverklaring van artikel 29a eerste lid WJZ af. Er zijn bijzondere situaties denkbaar waarin vrijheidsbeneming van de (jong)meerderjarige voor korte duur niet in strijd is met artikel 5 eerste lid EVRM. In deze concrete zaak is sprake van een onaanvaardbare inbreuk op de persoonlijke vrijheid van de (inmiddels) meerderjarige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 26 maart 2009

Zaaknummer. : 200.027.138\01

Rekestnr. rechtbank : J2 RK 09-21

De stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio [woonplaats],

kantoor houdende te [woonplaats],

verzoekster, tevens incidenteel verweerster, in hoger beroep,

hierna te noemen: Jeugdzorg,

advocaat mr. A.C. van Seventer,

tegen

[verweerster],

geboren op 2 april 1991 [geboorteplaats],

verweerster, tevens incidenteel verzoekster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de minderjarige,

advocaat mr. R.E. Tergau.

Als belanghebbende is aangemerkt:

[naam belanghebbende],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de moeder.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

Jeugdzorg is op 9 maart 2009 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 25 februari 2009 van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam, hierna: de bestreden beschikking.

Van de zijde van Jeugdzorg zijn bij het hof op 24 maart 2009 aanvullende stukken ingekomen.

Op 26 maart 2009 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn, namens Jeugdzorg mr. A.C. van Seventer en mevrouw Y. Putter, de gezinsvoogd van de minderjarige. Voorts is verschenen de minderjarige, ter zitting bijgestaan door mr. D.H. van Tongerlo, vervangende mr. R.E. Tergau. De moeder is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Partijen hebben het woord gevoerd, de raadslieden van partijen onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotities. Ter terechtzitting heeft de advocaat van de minderjarige een verweerschrift, tevens houdende incidenteel appel, overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Daarin is het verzoek tot verlenging van de machtiging om de minderjarige in gesloten jeugdzorg te doen verblijven, voor zover dit betrekking heeft op de periode na 2 april 2009, afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de kinderrechter vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil is de plaatsing in gesloten jeugdzorg van de minderjarige voor de periode vanaf 2 april 2009, de dag dat de minderjarige 18 jaar oud wordt.

2. Jeugdzorg verzoekt vernietiging van de bestreden beschikking en toewijzing van het verzoek strekkende tot afgifte van een machtiging gesloten plaatsing ex artikel 29b Wet op de Jeugdzorg (hierna: WJZ), voor de (thans nog) minderjarige voor de periode waarvoor het onderliggende indicatiebesluit geldt, te weten tot 29 juni 2009.

3. De minderjarige bestrijdt het beroep en voert daartoe aan dat voortzetting van de plaatsing in gesloten jeugdzorg na de meerderjarigheid in strijd is met artikel 5 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten voor de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM). Ook zijn er thans geen gronden aanwezig die een gesloten plaatsing rechtvaardigen nu de noodzakelijke begeleiding en ondersteuning, waar de minderjarige voor open staat, ook in een open kader kunnen worden aangeboden. Daarbij wijst de minderjarige op het bestaan van de door haar onderbouwde mogelijkheid om bij haar nicht te verblijven in afwachting van het beschikbaar komen van de voor haar geselecteerde voorziening voor begeleid wonen.

De minderjarige verzoekt incidenteel bekrachtiging van de bestreden beschikking onder aanvulling met onverbindendverklaring van artikel 29a WJZ wegens strijdigheid met artikel 5 EVRM.

IN HET PRINCIPALE HOGER BEROEP

4.1 Jeugdzorg betoogt in haar eerste grief dat verlenging van de machtiging voor gesloten jeugdzorg na de meerderjarigheid, anders dan de kinderrechter heeft geoordeeld, niet in strijd is met het bepaalde in artikel 5, eerste lid, aanhef en onder d, EVRM.

Het hof overweegt daaromtrent als volgt.

4.2 Bij de beoordeling of verlen(g)ing van een machtiging voor gesloten jeugdzorg voor een jeugdige van 18 jaar en ouder in strijd is met het bepaalde in artikel 5, eerste lid, aanhef en onder d, EVRM staat voorop dat zodanige machtiging strekt tot vrijheidsbeneming als bedoeld in artikel 5 van dit verdrag. Dit artikel houdt een absoluut verbod in om iemand zijn vrijheid te ontnemen tenzij sprake is van een of meer van de in het eerste lid limitatief opgesomde gevallen. Anders dan bij sommige andere in het EVRM geregelde grondrechten, kent dit verbod geen uitzondering voor bij de wet geregelde inbreuken die in een democratische samenleving noodzakelijk worden geacht.

4.3 De eerste grief strekt tot aanname van de stelling dat bij gesloten jeugdzorg als voorzien in artikel 29b jo, 29a-1 WJZ sprake is van een geval van rechtmatige detentie van een minderjarige met het doel toe te zien op zijn opvoeding. Ook de naar Nederlandse nationale maatstaven meerderjarige jeugdige tot de leeftijd van 21 jaar kan, zo wordt betoogd, onder het in het EVRM gebezigde begrip "minderjarige" worden gebracht omdat het EVRM het begrip minderjarige niet aan een leeftijdsgrens bindt en de nationale wetgeving derhalve bepalend is. Nu de Nederlandse wet verschillende mogelijkheden kent om af te wijken van de in artikel 1:233 BW bepaalde meerderjarigheidsgrens en juist ook in de context van de jeugdzorg het hanteren van een flexibele benadering noodzakelijk kan zijn, acht Jeugdzorg gesloten plaatsing van een meerderjarige toelaatbaar.

Dit betoog houdt geen stand. In geen enkele Nederlandse wettelijke bepaling, in het bijzonder ook niet in artikel 29a, eerste lid, WJZ, wordt afgeweken (laat staan "de mogelijkheid" geschapen om af te wijken) van de in artikel 1:233 BW bepaalde leeftijdsgrens teneinde de meerderjarigheid later dan de achttiende verjaardag te doen intreden. Dit betekent dat invulling naar Nederlandse nationale wettelijke maatstaven van het begrip minderjarigheid in artikel 5 EVRM tot geen andere conclusie kan leiden dan dat een achttienjarige niet meer kan worden aangemerkt als minderjarige in de zin van artikel 5, eerste lid, aanhef en onder d, EVRM. Daaraan doet niet af dat de Nederlandse wet verscheidene bepalingen kent die toelaten dat de vrijheid van handelen (althans de gevolgen daarvan) van meerderjarigen wordt beperkt omdat de desbetreffende persoon wordt geacht ondanks meerderjarigheid zijn belangen niet ten volle te kunnen waarnemen. Aldus heeft de betrokkene immers aanspraak op toetsing van deze beperkingen aan de grondrechtelijke waarborgen die voor hem als meerderjarige bestaan. Het EVRM biedt geen ruimte om de meerderjarige over wie wordt beweerd dat zich ten aanzien van hem het geval als bedoeld in artikel 29b, derde lid, WJZ voordoet, deze rechtsbescherming te onthouden.

4.4 Nu een jeugdige van 18 jaar of ouder niet kan worden aangemerkt als minderjarige in de zin van artikel 5, eerste lid, aanhef en onder d, EVRM, is vrijheidsbeneming in het kader van gesloten jeugdzorg ten aanzien van een dergelijke jeugdige met toepassing van artikel 29a, eerste lid, WJZ niet verenigbaar met deze een ieder verbindende verdragsbepaling.

4.5 Het verdere betoog in de toelichting op de eerste grief, dat erop neerkomt dat naleving van dit verbod met als gevolg het vroegtijdig afbreken van de behandeling van een achttienjarige met een combinatie van gedragsproblemen, psychiatrische problemen en een verstandelijke handicap zonder dat enige alternatieve vorm van hulp mogelijk is, zodat de kans op maatschappelijk en sociaal afglijden wordt vergroot en de Nederlandse overheid aldus inbreuk zou maken op het verbod om iemand te onderwerpen aan een vernederende behandeling zoals neergelegd in artikel 3 EVRM, faalt evenzeer.

In zijn algemeenheid kan immers niet worden volgehouden dat iemand die blootstaat aan een al dan niet grote kans op maatschappelijk en sociaal afglijden de door artikel 5 EVRM gewaarborgde vrijheid niet meer deelachtig is. Voor zover de betrokkene als gevolg van een geestelijke stoornis, al dan niet in combinatie met overige problematiek, een gevaar oplevert en dit gevaar - bijvoorbeeld doordat de betrokkene zich aan de zorg onttrekt - niet op andere wijze kan worden afgewend, biedt de Wet bijzondere opnemingen psychiatrische ziekenhuizen (wet BOPZ) een met waarborgen omklede procedure om de betrokkene tegen gevaar voor maatschappelijke teloorgang te behoeden met een gedifferentieerd stelsel van inbreuken op de door artikel 5 EVRM gewaarborgde persoonlijke vrijheid. Gesteld noch gebleken is dat de voorwaardelijke machtiging als voorzien in artikel 14a Wet BOPZ niet zou kunnen dienen om in een dergelijk geval voortzetting van de uit psychiatrisch oogpunt noodzakelijke behandeling van de achttienjarige te waarborgen. Gegeven de bestaande mogelijkheden tot overheidsingrijpen, leidt het ontbreken van de gelegenheid om meerderjarigen aan gesloten jeugdzorg te (blijven) onderwerpen dus niet tot schending van het verbod van artikel 3 EVRM.

4.6 Ook het ter toelichting op de eerste grief gedane beroep op artikel 3 van het Internationaal verdrag voor de rechten van het kind (IVRK) faalt. Dit verdrag strekt niet, althans niet primair, tot bescherming van de rechten van meerderjarigen en doet reeds om die reden niet af aan de fundamentele rechten die een achttienjarige meerderjarige uit anderen hoofde heeft.

4.7 Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de kinderrechter terecht heeft overwogen dat gesloten jeugdzorg na de achttiende verjaardag van de minderjarige in strijd is met het bepaalde in artikel 5 lid 1 aanhef en onder d, EVRM, zodat de eerste grief faalt.

5.1 De tweede grief strekt ten betoge dat de verzochte machtiging desondanks ook voor de periode na 2 april 2009 diende te worden verleend. Dit betoog berust op vooronderstelde analogie van het onderhavige geval met het in de uitspraak Eriksen tegen Noorwegen behandelde geval. In de uitspraak Eriksen tegen Noorwegen achtte het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) detentie voor een periode van korte duur in afwachting van verblijf elders met het EVRM in overeenstemming.

Jeugdzorg heeft in dit kader een emailbericht overgelegd waaruit blijkt dat de minderjarige op de wachtlijst staat voor een project begeleid kamerwonen van de [naam stichting] en dat de minderjarige daar, in afwachting van de verbouwing, naar verwachting over 2 á 3 maanden kan worden geplaatst.

5.2 Het hof stelt voorop dat de ingeroepen uitspraak ook in de parlementaire geschiedenis van de onderhavige jeugdbeschermingsmaatregel aan de orde is gesteld en dat de Raad van State op basis van deze uitspraak niet uitgesloten acht dat bij een concreet uitzicht op opvang of verblijf elders op korte termijn, bij wijze van overbruggingsfase, vrijheidsbeneming na het bereiken van de meerderjarigheid toegelaten is.

Nog daargelaten dat een door de wetgever niet overgenomen uitlating van de Raad van State niet zonder meer kan worden gerekend tot het materiaal aan de hand waarvan de wet dient te worden uitgelegd, is het hof van oordeel dat, gegeven de context van deze uitlating, te weten de uitgesproken aarzeling van de Raad van State bij de toelaatbaarheid van gesloten jeugdzorg voor meerderjarige jeugdigen als nuance waarop de door Jeugdzorg ingeroepen passage dient, de uitspraak Eriksen tegen Noorwegen geenszins de conclusie rechtvaardigt dat in zijn algemeenheid een korte periode van vrijheidsbeneming ter overbrugging naar een verblijf waarop concreet vooruitzicht bestaat, toelaatbaar is. Het hof constateert dat het in de zaak Eriksen tegen Noorwegen een vrijheidsbeneming betrof van een persoon die als volwassene gedurende een reeks van jaren en kennelijk onder invloed van een door diverse psychiaters vastgestelde geestelijke stoornis een aaneenschakeling van strafbare en/of gevaarzettende gedragingen had gepleegd en met wiens tijdelijk voortgezette vrijheidsbeneming kennelijk ook de afwending van toekomstige gevaarzetting werd beoogd.

Aldus kenmerkt deze zaak zich door aspecten die, anders dan in het geval van de minderjarige die als meerderjarige nog niet de gelegenheid heeft gehad te bewijzen haar vrijheid waard te zijn, nauw verwant lijken aan de gevallen die onder a en e als uitzondering op het verbod van vrijheidsbeneming in het eerste lid van artikel 5 EVRM zijn opgenomen.

5.3 Deze aspecten maken dat een zo algemene conclusie als Jeugdzorg trekt niet te verbinden is aan de zaak Eriksen tegen Noorwegen. Ook is er geen sprake van analogie van het onderhavige geval met het in de uitspraak Eriksen tegen Noorwegen behandelde geval nu vrijheidsbeneming op opvoedkundige gronden niet gelijk te stellen is met vrijheidsbeneming op grond van het (vermoeden van) het plegen van een strafbaar feit. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat ook de tweede grief faalt.

6. Het hof ziet vanzelfsprekend het belang onder ogen dat is gediend met behoud van de mogelijkheid dat de minderjarige in een veilige omgeving het moment kan afwachten dat voor haar een plaats bij de [naam stichting] beschikbaar komt. Dit belang kan echter niet leiden tot aanvaarding van een rechtens onaanvaardbare inbreuk op de persoonlijke vrijheid. De beschikking zal dan ook worden bekrachtigd.

IN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

7. Het in incidenteel appel gedaan verzoek tot onverbindendverklaring van artikel 29a, eerste lid, WJZ wijst het hof als onvoldoende onderbouwd af.

Uit de overwegingen in het principaal appel volgt immers dat toepassing van artikel 29a WJZ in de onderhavige zaak niet verenigbaar is met het een ieder verbindende verbod van artikel 5, eerste lid, EVRM en dat naar het oordeel van het hof geen aanleiding bestaat om voor de onderhavige zaak een uitzondering op dit verbod toe te laten, zoals het EHRM die in de zaak Eriksen wel heeft uitgesproken.

Dat tegen de achtergrond van de zaak Eriksen nimmer en onder geen enkele omstandigheid voor toepassing van artikel 29 a WJZ een zodanige uitzondering toelaatbaar is volgt uit deze overwegingen niet en heeft de minderjarige, anders dan met een beroep op haar op dit punt niet nader gespecificeerde visie, niet uiteengezet. Ook het beroep van de minderjarige op de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 januari 2009 (LJN: BH0778) faalt, zulks reeds vanwege de omstandigheid dat aan de daarbij uitgesproken onverbindendverklaring overwegingen zijn ten grondslag gelegd die werden ontleend aan de casus van de voorgelegde zaak, zodat in die overwegingen besloten ligt dat niet is uitgesloten dat de rechtbank bij een ander feitensubstraat over de toepassing van artikel 29a WJZ anders zou hebben geoordeeld.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Bouritius, van Nievelt en van de Poll, bijgestaan door mr. Zandbergen als griffier, uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 maart 2009 en geminuteerd op 1 april 2009.