Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BH8613

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-03-2009
Datum publicatie
27-03-2009
Zaaknummer
BK-08/00074 en BK-08/00075
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Met betrekking tot het hoger beroep van belanghebbende is tussen partijen uitsluitend in geschil het antwoord op de vraag of met betrekking tot de terbeschikkingstelling van [B] aan [C] sprake is van een van omzetbelasting vrijgestelde prestatie, welke vraag door belanghebbende bevestigend en door de Inspecteur ontkennend wordt beantwoord.

Met betrekking tot het hoger beroep van de Inspecteur is de vraag aan de orde of de rechtbank het bedrag aan aftrekbare voorbelasting aan de hand van de juiste maatstaf heeft vastgesteld, zij het dat de door de rechtbank becijferde omvang van de voor aftrek in aanmerking komende voorbelasting, groot € 20.322, niet meer in geschil is.

Wetsverwijzingen
Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968
Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2009/42.13 met annotatie van Redactie
FutD 2009-0687
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE ’s-GRAVENHAGE

Sector belasting

nummers BK-08/00074 en BK-08/00075

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer van 6 maart 2009

op het hoger beroep van [belanghebbende(school A)] te [Z], hierna: belanghebbende

en

op het hoger beroep van de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Holland-Midden (kantoor Z), hierna: de Inspecteur,

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 4 januari 2008, nummer AWB 05/9006 OB, LJN: BC3986, betreffende de hierna vermelde naheffingsaanslag en boetebeschikking.

1. Naheffingsaanslag, beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende is over het tijdvak van 1 januari 2000 tot en met 31 december 2003 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting ten bedrage van € 70.836 opgelegd. Tegelijk met de naheffingsaanslag is aan belanghebbende bij beschikking een verzuimboete opgelegd van € 4.537.

1.2. Bij de in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag verminderd tot op € 70.389 en de boetebeschikking gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd, de boetebeschikking vernietigd en bepaald dat de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit, de naheffingsaanslag verminderd tot op € 33.534 en bepaald dat de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 810 en de Staat aangewezen als de rechtspersoon die dat bedrag aan belanghebbende voldoet, en de Staat gelast het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 276 te vergoeden.

2. Loop van het geding

2.1. Beide partijen zijn van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband met het door belanghebbende ingestelde hoger beroep is door de griffier een griffierecht van € 428 geheven. Belanghebbende en de Inspecteur hebben ieder een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 23 januari 2009, gehouden te Den Haag. Daar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

3. Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is in hoger beroep, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1. Belanghebbende is een erkende onderwijsinstelling. Zij vormt het bevoegde gezag van [school A] te [Z], een openbare scholengemeenschap voor Atheneum, HAVO, MAVO, VBO en IVBO. Voor de in dat kader verrichte prestaties, bestaande in het verstrekken van onderwijs, voldoet belanghebbende, zo zij al te dien aanzien ondernemer voor de omzetbelasting is, aan de voorwaarden voor toepassing van de vrijstelling als bedoeld in artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel o, punt 1, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet). Naast die prestaties verricht zij prestaties ter zake waarvan zij omzetbelasting is verschuldigd.

3.2. Belanghebbende stelt op structurele basis personeel ter beschikking aan derden, zoals scholen en andere instanties. Door haar is voor zover hier van belang [B ter beschikking gesteld aan de vennootschap onder firma [C] te [Q]. [C] verricht van omzetbelasting vrijgestelde (onderwijs )prestaties. [B] is een firmant binnen [C]. Belanghebbende betaalde op de gebruikelijke wijze het salaris aan [B]. [C] heeft zich bij de tussen belanghebbende en [C] gesloten detacheringsovereenkomst verplicht de loonkosten van [B] aan belanghebbende te vergoeden.

4. Omschrijving geschillen en standpunten van partijen

4.1. Met betrekking tot het hoger beroep van belanghebbende is tussen partijen uitsluitend in geschil het antwoord op de vraag of met betrekking tot de terbeschikkingstelling van [B] aan [C] sprake is van een van omzetbelasting vrijgestelde prestatie, welke vraag door belanghebbende bevestigend en door de Inspecteur ontkennend wordt beantwoord.

4.2. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de detachering van [B] aan [C] een van omzetbelasting vrijgestelde prestatie is. In beroep en hoger beroep heeft belanghebbende aangevoerd en ter zitting toegelicht (zakelijk weergegeven):

- dat niet alleen belanghebbende, maar ook [C] als inlener van [B], onderwijs verstrekt dat op grond van artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel o, van de Wet is vrijgesteld, zodat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat [B] niet is gedetacheerd bij een instelling als bedoeld in die wetsbepaling;

- [C] draait volledig op de capaciteiten van [B], zodat is voldaan aan het vereiste dat de terbeschikkingstelling van [B] van zodanige aard en/of kwaliteit is dat zonder die dienst niet de gelijkwaardigheid kan worden verzekerd van het door [C] verzorgde en aan haar studenten verstrekte onderwijs;

- dat de ter beschikkingstellingen van personeel, gelijk ook de rechtbank heeft vastgesteld, niet in hoofdzaak ertoe strekken extra opbrengsten te verschaffen door de uitvoering van een handeling die wordt verricht in rechtstreekse mededinging met commerciële ondernemingen die aan de omzetbelasting zijn onderworpen en dat niet valt in te zien dat dit niet zou gelden voor de terbeschikkingstelling van [B];

- dat dit alles meebrengt dat de terbeschikkingstelling van [B] onder de gegeven omstandigheden deelt in de vrijstelling, en wel op dezelfde gronden als de rechtbank heeft geoordeeld met betrekking tot de terbeschikkingstellingen van de personeelsleden [D], [E] en [F].

4.3. De Inspecteur heeft daartegenover staande gehouden dat de terbeschikkingstelling van [B] niet is vrijgesteld.

4.4. Voor de standpunten van partijen en voor de gronden waarop zij hun standpunten doen steunen wordt verder verwezen naar de stukken van het geding.

4.5. Met betrekking tot het hoger beroep van de Inspecteur is de vraag aan de orde of de rechtbank het bedrag aan aftrekbare voorbelasting aan de hand van de juiste maatstaf heeft vastgesteld, zij het dat de door de rechtbank becijferde omvang van de voor aftrek in aanmerking komende voorbelasting, groot € 20.322, niet meer in geschil is.

5. Conclusies van partijen

5.1. Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vermindering van de naheffingsaanslag omzetbelasting met (afgerond) € 15.255 (€ 22.013 x 17,5/1175 + (€ 46.806 + € 28.206) x 19/119) tot op € 18.279 (€ 33.534 -/- € 15.255).

5.2. De Inspecteur heeft uiteindelijk geconcludeerd tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank, onder verbetering van de gronden wat betreft het oordeel van de rechtbank omtrent de aftrekbare voorbelasting.

6. Beoordeling van de hoger beroepen

6.1. De met betrekking tot de terbeschikkingstelling van [B] voorhanden zijnde gegevens, in samenhang met de in 4.2 vermelde, door de Inspecteur niet, althans niet afdoende, bestreden en overigens, gelet ook op hetgeen de rechtbank daaromtrent heeft vastgesteld, aannemelijk te achten uiteenzetting, bieden naar ’s Hofs oordeel in redelijkheid voldoende aanwijzingen voor de conclusie dat die terbeschikkingstelling is te rangschikken onder de vrijstelling van artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel o, van de Wet. Daarbij neemt het Hof in het bijzonder ook de criteria uit het arrest inzake het Horizon College (Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen 14 juni 2007, C 434/05, BNB 2008/100) in aanmerking. Het gelijk is wat dat betreft aan de zijde van belanghebbende. Haar hoger beroep is bijgevolg gegrond.

6.2. Het Hof is met de Inspecteur van oordeel dat de rechtbank door te oordelen dat de voorbelasting moet worden gesplitst op basis van de pro-rata-methode, heeft miskend ook belanghebbende heeft dat ter zitting desgevraagd bevestigd dat allereerst moet worden bezien of aanleiding bestaat de voorbelasting toe te rekenen volgens de regels zoals die zijn neergelegd in de onderdelen a en b van artikel 11 van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 en dat pas daarna de pro-rata-methode van onderdeel c van die bepaling voor toepassing in aanmerking komt. Niettemin treft het hoger beroep van de Inspecteur geen doel, nu tussen partijen is komen vast te staan dat ook een juiste toepassing van de toerekeningsregels tot een bedrag aan af te trekken voorbelasting van € 20.322 leidt.

7. Proceskosten en griffierecht

7.1. Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 1.932 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de rechtbank en voor het Hof (6 punten à € 322 x 1 (gewicht van de zaak)). Voor een hogere vergoeding acht het Hof geen termen aanwezig.

7.2. Voorts dient aan belanghebbende het voor de behandeling voor de rechtbank gestorte griffierecht van € 276 en het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 428 te worden vergoed.

8. Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vermindert de naheffingsaanslag tot op € 18.279;

- vernietigt de boetebeschikking;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1.932, onder aanwijzing van de Staat als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden; en

- gelast de Staat aan belanghebbende een bedrag van in totaal € 704 aan griffierecht te vergoeden.

De uitspraak is vastgesteld door mrs. J.T. Sanders, U.E. Tromp en B. van Walderveen, in tegenwoordigheid van de griffier mr. L. van den Bogerd. De beslissing is op 6 maart 2009 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.