Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BH7437

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-01-2009
Datum publicatie
23-03-2009
Zaaknummer
BK-08/00141
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De auto van belanghebbende was geparkeerd op een plaats in een gebied in de binnenstad van Gouda waar blijkens zoneborden uitsluitend met een parkeervergunning of een dagkaart mocht worden geparkeerd. Zonder een parkeervergunning of dagkaart was het verboden daar te parkeren.

Belanghebbende heeft, door zijn auto zonder vergunning of dagkaart op de onderwerpelijke parkeerplaats te laten staan, dit verbod overtreden. Het betreft, nu dit verbod voortvloeit uit de aanwezigheid van het vorenvermelde Bord E1 van Bijlage 1 van het RVV 1990 als zonebord, een wettelijk verbod dat aan naheffing van parkeerbelasting in de weg staat. Reeds hierom kan de naheffingsaanslag niet in stand blijven.

Ter zitting heeft de Inspecteur gesteld dat van het parkeerverbod zijn uitgezonderd de plaatsen waar met een vergunning of met een dagkaart kan worden geparkeerd. Een onderbord waaruit deze restrictie blijkt ontbreekt echter.

Ook overigens kan de naheffingsaanslag geen stand houden omdat uit de Verordening en het Uitvoeringsbesluit en de situatie ter plaatse niet eenduidig kan worden vastgesteld naar welk tarief voor betaald parkeren parkeerbelasting zou zijn verschuldigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2009/774
V-N 2009/37.23 met annotatie van Redactie
FutD 2009-0682
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-08/00141

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer d.d. 15 januari 2009

op het hoger beroep van X te Z tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 29 februari 2008, nr. AWB 07/5531, betreffende na te noemen naheffingsaanslag.

Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor de rechtbank

1.1 De Inspecteur, het hoofd van de afdeling Belastingen van de gemeente Gouda, heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting van die gemeente opgelegd ten bedrage van € 58 (€ 10 aan parkeerbelasting en € 48 aan kosten).

1.2 Belanghebbende heeft tegen deze naheffingsaanslag een bezwaarschrift ingediend. De Inspecteur heeft bij zijn uitspraak het bezwaar tegen de naheffingsaanslag afgewezen.

1.3 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Inspecteur beroep bij de rechtbank ingesteld. In dit verband is een griffierecht geheven van € 39. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1 Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 107. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2 De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 1 december 2008, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen.

Verordening

3.1 De raad van de gemeente Gouda heeft in zijn openbare vergadering van 13 december 2006 vastgesteld de Verordening Parkeerbelastingen 2007 (hierna: de Verordening). Bij de Verordening hoort een Tarieventabel.

3.2 Het college van burgemeester en wethouders van Gouda (hierna: het college) heeft in zijn vergadering van 19 december 2006 het Uitvoeringsbesluit Parkeerverordening 2007 en Verordening Parkeerbelastingen 2007 (hierna: het Uitvoeringsbesluit) vastgesteld.

3.3 De Verordening en het Uitvoeringsbesluit zijn op 1 januari 2007 in werking getreden.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, in hoger beroep het volgende komen vast te staan:

4.1 Op vrijdag 22 juni 2007 om 15.11 uur stond de auto van belanghebbende, een [merk] met het kenteken AA-BB-00, geparkeerd op een parkeerplaats aan de Groeneweg in de binnenstad van Gouda (hierna ook aan te duiden als: de parkeerplaats). Het betreft een parkeerplaats die blijkens het bepaalde in het Uitvoeringsbesluit, onderdelen I en II, door het college is aangewezen als een plaats in Sector 1 die van maandag tot en met zaterdag van 9.00 tot 21.00 uur bestemd is voor het parkeren door vergunninghouders.

4.2 Ingevolge onderdeel V van het Uitvoeringsbesluit is de parkeerplaats op die tijdstippen eveneens aangewezen als een plaats waar tegen betaling bij parkeerapparatuur mag worden geparkeerd.

4.3 Ter zitting heeft de Inspecteur toegelicht dat dergelijke parkeerapparatuur een parkeermeter kan zijn die bij een parkeerplaats staat, of een verzamelparkeermeter (parkeerautomaat). Gaat het om een verzamelparkeermeter (dit is parkeerapparatuur waar kan worden betaald voor parkeren op verscheidene parkeerplaatsen) dan geldt een tarief van € 10 per dag (dagkaart), behalve voor parkeerplaatsen die zijn gemarkeerd met een zogenoemde ‘betaaltegel’ in het wegdek, in welk geval een tarief geldt van € 1,90 per uur. Deze tarieven zijn genoemd in de Tarieventabel, Onderdeel I, sub 1, respectievelijk sub 2 onder b. Een betaaltegel is, zoals blijkt uit tot de stukken behorende foto's, een stoeptegel met een witte letter P en een afbeelding, voorstellende een hand die een munt in een gleuf werpt. Van een betaaltegel wordt overigens in de Verordening, noch in het Uitvoeringsbesluit gerept.

4.4 Het parkeerregime in de binnenstad van Gouda is aangeduid met zoneborden. Belanghebbende is, om met zijn auto de parkeerplaats aan de Groeneweg te bereiken, bij het oprijden van de Oosthaven twee zoneborden gepasseerd. Deze stonden op korte afstand achter elkaar. Tot de gedingstukken behoort een foto van deze situatie. Blijkens de aanduidingen op het eerste bord, Bord E1 van Bijlage 1 bij het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) als zonebord, wordt bij het passeren ervan een zone ingegaan, waar parkeren niet is toegestaan. Blijkens de aanduidingen op het tweede bord, Bord E9 van Bijlage 1 bij het RVV 19909, wordt bij het passeren ervan een zone (Sector I) ingegaan, waar parkeren alleen is toegestaan voor vergunninghouders en dagkaarthouders.

4.5 Belanghebbende is de zoneborden gepasseerd maar heeft deze niet opgemerkt omdat het andere verkeer zijn aandacht vergde. Bij het bereiken van de parkeerplaats is belanghebbende in de parkeerverbodzone en in de vergunningparkeerzone gebleven.

4.6 De parkeerplaats was niet gemarkeerd met een betaaltegel. Er stond ook geen parkeermeter bij.

4.7 Belanghebbende heeft, alvorens de auto op de parkeerplaats achter te laten in verband met zijn bezoek aan het Streekarchief, gezocht naar aanwijzingen omtrent het geldende parkeerregime, doch heeft deze niet aangetroffen.

4.8 Een parkeercontroleur heeft geconstateerd dat de auto van belanghebbende op de in punt 4.1 vermelde datum en tijd op de parkeerplaats was geparkeerd en dat in de auto geen parkeervergunning of dagkaart aanwezig was. Naar aanleiding hiervan heeft hij de onderwerpelijke naheffingsaanslag opgelegd. Deze beloopt € 10 aan parkeerbelasting en € 48 aan kosten, in totaal derhalve € 58.

Omschrijving geschil en standpunten van partijen

5.1 Tussen partijen is in geschil of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd, welke vraag door belanghebbende ontkennend en door de Inspecteur bevestigend wordt beantwoord.

5.2 Belanghebbende heeft zich beklaagd dat hij de zoneborden heeft gemist en dat hij, ondanks de moeite die hij zich heeft getroost om erachter te komen welk parkeerregime ter plaatse gold, geen andere aanwijzing zoals een bord of een parkeermeter is tegengekomen waaruit bleek waar en wanneer parkeren was toegestaan en hoeveel hij voor het parkeren moest betalen. Achteraf is hem gebleken dat een parkeerautomaat aanwezig was op het nabijgelegen parkeerterrein Koepoort maar dit betreft een inham waarvan belanghebbende veronderstelde dat deze niet bij de Groeneweg hoort, terwijl de parkeerautomaat op dat tijdstip aan het zicht was onttrokken door materieel dat daar was opgesteld in verband met werkzaamheden.

5.3 De Inspecteur heeft te kennen gegeven dat de gemeente Gouda ernaar streeft in de binnenstad zo weinig mogelijk verkeersborden te hebben. Daarom is volstaan met zoneborden en zo min mogelijk herhalingsborden. Belanghebbende is op zijn route naar de parkeerplaats geen herhalingsbord gepasseerd. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat het parkeerregime voldoende duidelijk was aangeduid.

5.4 Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen, verwijst het Hof verder naar de gedingstukken.

Beoordeling van het hoger beroep

6.1 De auto van belanghebbende was geparkeerd op een plaats in een gebied waar blijkens de hiervoor genoemde zoneborden uitsluitend met een parkeervergunning of een dagkaart mocht worden geparkeerd. Zonder een parkeervergunning of dagkaart was het verboden daar te parkeren.

6.2 Belanghebbende heeft, door zijn auto zonder vergunning of dagkaart op de onderwerpelijke parkeerplaats te laten staan, dit verbod overtreden. Het betreft, nu dit verbod voortvloeit uit de aanwezigheid van het vorenvermelde Bord E1 van Bijlage 1 van het RVV 1990 als zonebord, een wettelijk verbod dat aan naheffing van parkeerbelasting in de weg staat. Reeds hierom kan de naheffingsaanslag niet in stand blijven.

6.3 Ter zitting heeft de Inspecteur gesteld dat van het parkeerverbod zijn uitgezonderd de plaatsen waar met een vergunning of met een dagkaart kan worden geparkeerd. Een onderbord waaruit deze restrictie blijkt ontbreekt echter.

6.4 Ook overigens kan de naheffingsaanslag geen stand houden omdat uit de Verordening en het Uitvoeringsbesluit en de situatie ter plaatse niet eenduidig kan worden vastgesteld naar welk tarief voor betaald parkeren parkeerbelasting zou zijn verschuldigd.

Proceskosten en griffierecht

7.1 Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 30,70 wegens reiskosten in verband met het bijwonen van de zitting bij de rechtbank en van de zitting bij het Hof. Voor een hogere vergoeding acht het Hof geen termen aanwezig.

7.2 Voorts dienen de voor de behandeling van de zaak in beroep en in hoger beroep gestorte griffierechten van € 39 respectievelijk € 107, in totaal € 146, aan belanghebbende te worden vergoed.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank,

- vernietigt de uitspraak van de Inspecteur, alsmede de naheffingsaanslag,

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 30,70, en wijst de gemeente Gouda aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden,

- gelast deze rechtspersoon de ter zake van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierechten, in totaal € 146, aan belanghebbende te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. J.T. Sanders, P.J.J. Vonk en B. van Walderveen, in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.W. Otto. De beslissing is op 15 januari 2009 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is

gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.