Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BH6474

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-03-2009
Datum publicatie
18-03-2009
Zaaknummer
22-005018-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft jarenlang ontuchtige handelingen gepleegd met de minderjarige dochter van zijn eerste partner en later met de twee minderjarige dochters van zijn tweede partner. Het seksueel misbruik begon op jonge leeftijd, nog voordat de meisjes twaalf jaar oud waren, en vond thuis plaats. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij er voor heeft gekozen niet te verschijnen ter terechtzitting in hoger beroep en derhalve geen verantwoording heeft willen nemen en afleggen voor wat hij gedaan heeft. De verdachte heeft op geen enkele wijze blijk gegeven van zelfinzicht en spijt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-005018-07

Parketnummer(s): 09-900282-07

Datum uitspraak: 17 maart 2009

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 11 september 2007 in de strafzaak tegen de verdachte:

[de verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1956,

thans verblijvende in [penitentiaire instelling].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 3 maart 2009.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals ter terechtzitting in eerste aanleg op vordering van de officier van justitie gewijzigd.

Van de dagvaarding en van de vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 3 derde alternatief/cumulatief tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1, onder 2 eerste, tweede en derde alternatief/cumulatief en onder 3 eerste en tweede alternatief/cumulatief tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren met aftrek van voorarrest, met beslissingen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen zoals nader in het vonnis omschreven.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 3 derde alternatief/cumulatief is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, onder 2 eerste, tweede en derde alternatief/cumulatief en onder 3 eerste en tweede alternatief/cumulatief tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 29 mei 19835 tot en met 29 mei 1987 te 's-Gravenhage vleselijke gemeenschap heeft gehad met een meisje beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten met [slachtoffer 1], geboren op 29 mei 1975;

2.

hij in de periode van 7 juli 1994 tot 7 december 1995 te 's-Gravenhage, met [slachtoffer 2] (geboren op 7 december 1983), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2], hebbende verdachte zijn penis en/of vinger(s) en/of tong en/of een vibrator in de vagina van die [slachtoffer 2] gebracht en/of zich door die [slachtoffer 2] laten aftrekken

en

hij in de periode van 7 december 1995 tot 7 december 1999 te 's-Gravenhage, met [slachtoffer 2] (geboren op 7 december 1983), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2], hebbende verdachte zijn penis en/of vinger(s) en/of tong en/of een vibrator in de vagina van die [slachtoffer 2] gebracht en/of zijn penis (deels)in de anus van die [slachtoffer 2] gebracht en/of zich door die [slachtoffer 2] laten aftrekken

en

hij in de periode van 7 december 1999 tot 7 juni 2001 te 's-Gravenhage ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarig stiefkind [slachtoffer 2] (geboren op 7 december 1983), bestaande die ontucht hierin dat hij, verdachte, zijn penis en/of vinger(s) en/of tong en/of een vibrator in de vagina van die [slachtoffer 2] heeft gebracht en/of zich door die [slachtoffer 2] heeft laten aftrekken.

3.

hij in de periode van 7 juni 1995 tot 7 juni 1997 te 's-Gravenhage, met [slachtoffer 3] (geboren op 7 juni 1985), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 3], hebbende verdachte zijn penis en/of vinger(s) en/of tong en/of een vibrator in de vagina van die [slachtoffer 3] gebracht en/of zich door die [slachtoffer 3] laten aftrekken

en

hij in de periode van 7 juni 1997 tot 7 juni 2001 te 's-Gravenhage, met [slachtoffer 3] (geboren op 7 juni 1985), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 3], hebbende verdachte zijn penis en/of vinger(s) en/of tong en/of een vibrator in de vagina van die [slachtoffer 3] gebracht en/of zijn penis (deels) in de anus van die [slachtoffer 3] gebracht en/of zich door die [slachtoffer 3] laten aftrekken.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

De raadsvrouwe heeft aangevoerd dat de verklaringen van de aangeefsters inconsistent zijn en onbetrouwbaar. Ook de conclusie die de deskundige Wolters in zijn rapport heeft getrokken ten aanzien van de betrouwbaarheid van de aangeefsters acht zij gelet op de gebruikte onderzoeksmethode en de voorbarige conclusies onvoldoende betrouwbaar.

Het hof overweegt dat de verklaringen van de aangeefster afgelegd zowel tegenover de politie als de rechter-commissaris authentiek en betrouwbaar overkomen, waarbij het hof met name heeft gelet op de overeenkomst tussen het verloop van het seksuele misbruik bij de drie slachtoffers en de overeenkomstige ervaringen van de slachtoffers. De door de deskundige aangedragen gegevens en conclusies stemmen hiermee overeen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

vleselijke gemeenschap hebben met een meisje beneden de leeftijd van twaalf jaren.

ten aanzien van het onder 2 eerste alternatief/cumulatief en 3 eerste alternatief/cumulatief bewezenverklaarde:

met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

ten aanzien van het onder 2 tweede alternatief/cumulatief en 3 tweede alternatief/cumulatief bewezenverklaarde:

met iemand, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

ten aanzien van het onder 2 derde alternatief/cumulatief bewezenverklaarde:

ontucht plegen met zijn minderjarig stiefkind.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1, onder 2 eerste, tweede en derde alternatief/cumulatief en onder 3 eerste en tweede alternatief/cumulatief tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft jarenlang ontuchtige handelingen gepleegd met de minderjarige dochter van zijn eerste partner en later met de twee minderjarige dochters van zijn tweede partner. Het seksueel misbruik begon op jonge leeftijd, nog voordat de meisjes twaalf jaar oud waren, en vond thuis plaats, een plek waar een kind zich bij uitstek veilig en geborgen dient te kunnen voelen. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dit soort zedendelicten vaak nog lang ernstige psychische gevolgen ondervinden van hetgeen hen is overkomen. Dat dit zeker ook geldt voor de slachtoffers van deze feiten is gebleken uit de door de slachtoffers ter terechtzitting in hoger beroep voorgedragen slachtofferverklaringen die het hof zeer overtuigend voorkwamen: zowel zij als hun partners ondervinden nog iedere dag de uitermate nadelige gevolgen van wat hen is aangedaan. Eén en ander rechtvaardigt reeds een forse gevangenisstraf.

Het hof rekent het de verdachte echter ook aan dat hij er voor heeft gekozen niet te verschijnen ter terechtzitting in hoger beroep en derhalve geen verantwoording heeft willen nemen en afleggen voor wat hij gedaan heeft. De verdachte heeft op geen enkele wijze blijk gegeven van zelfinzicht en spijt.

Het hof heeft acht geslagen op het onderzoek naar de persoonlijkheid van de verdachte, verricht door de vaste gerechtelijke deskundige prof. dr. R. Bullens, waarin deze concludeert dat de verdachte voor zover hij de tenlastegelegde feiten erkent vanuit gedragsweten-schappelijke optiek als volledig toerekeningsvatbaar kan worden beschouwd en dat voor zover de verdachte de feiten ontkent de deskundige zich van een oordeel over de toerekeningsvatbaarheid van de verdachte onthoudt. Voorts heeft de deskundige de verdachte ondermeer beschreven als een op zichzelf gerichte persoon met gering zelfinzicht, die zijn eigen rol tracht te verkleinen. Tevens heeft het hof gelet op de voorlichtingsrapportage van J.A. van Beersum van 15 mei 2007.

Naar 's hofs oordeel komen de ernst van de bewezenverklaarde feiten, de omvang van de schade die is aangericht bij de slachtoffers en het gebrek aan verantwoordelijkheid en spijt daarvoor bij de verdachte onvoldoende tot uitdrukking in de door de rechtbank opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde straf. Het hof is van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van navermelde duur een meer passende en geboden reactie vormt. Gelet op de duur van deze op te leggen straf komt het hof niet meer toe aan het opleggen van een voorwaardelijk deel en derhalve ook niet aan het opleggen van behandeling in het kader van een bijzondere voorwaarde.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 1]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 tenlastegelegde, tot een bedrag van in totaal € 8.140,00 (€ 8.000 immateriële schade + € 140 materiële schade). In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 8.140,00.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte deels betwist.

Naar het oordeel van het hof is aannemelijk geworden dat de gevorderde materiële en immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezenverklaarde. De vordering leent zich derhalve voor toewijzing tot een bedrag van € 8.140,00. Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 8.140,00 aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van [slachtoffer 1].

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 2]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 2 eerste, tweede en derde alternatief/cumulatief tenlastegelegde, tot een bedrag van € 8.000,00. In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte deels betwist.

Naar het oordeel van het hof is aannemelijk geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De vordering leent zich voor toewijzing tot een bedrag van € 8.000,00. Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 8.000,00 aansprakelijk is voor de schade die door het onder 2 eerste, tweede en derde alternatief/cumulatief bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van [slachtoffer 2].

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 3]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 3]

zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 3 eerste en tweede alternatief/cumulatief tenlastegelegde, tot een bedrag van in totaal € 11.919,60 (€ 10.000 immateriële schade + € 1.919,60 materiële schade). In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 11.919,60.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij, en wel tot een bedrag van € 10.388,60 (€ 10.000 immateriële schade + € 388,60 materiële schade), met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voorts heeft de advocaat-generaal geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij voor het overige.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte deels betwist.

Naar het oordeel van het hof is aannemelijk geworden dat er materiële en immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 10.388,60: € 10.000 immateriële schade + € 388,60 materiële schade. De gevorderde vergoeding ter zake van het vervangen van de sloten en het verlies van arbeidsvermogen zijn niet van zo eenvoudige aard dat zij zich lenen voor behandeling in het onderhavige strafproces. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij ter zake van dit deel van haar vordering niet-ontvankelijk is. Dit deel kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Het voorgaande brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 10.388,60 aansprakelijk is voor de schade die door het onder 3 eerste en tweede alternatief/cumulatief bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van [slachtoffer 3].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 57, 244, 245 en 249 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 3 derde alternatief/cumulatief tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1, onder 2 eerste, tweede en derde alternatief/cumulatief en onder 3 eerste en tweede alternatief/cumulatief tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

6 (zes) jaren.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] tot het gevorderde bedrag van

€ 8.140,00 (achtduizend honderdveertig euro)

en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met de vordering heeft gemaakt - welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 1], van een bedrag van

€ 8.140,00 (achtduizend honderdveertig euro)

voor welk bedrag in het geval volledige betaling noch volledig verhaal volgt vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van

75 (vijfenzeventig) dagen,

met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis deze betalingsverplichting niet opheft.

Verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer en omgekeerd.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] tot het gevorderde bedrag van

€ 8.000,00 (achtduizend euro)

en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met de vordering heeft gemaakt - welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, [slachtoffer 2] van een bedrag van

€ 8.000,00 (achtduizend euro)

voor welk bedrag in het geval volledige betaling noch volledig verhaal volgt vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van

75 (vijfenzeventig) dagen,

met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis deze betalingsverplichting niet opheft.

Verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer en omgekeerd.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] tot een bedrag van

€ 10.388,60

(tienduizend driehonderdachtentachtig euro en zestig cent)

en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Bepaalt dat de benadeelde partij de vordering inzoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met de vordering heeft gemaakt - welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, [slachtoffer 3], van een bedrag van

€ 10.388,60

(tienduizend driehonderdachtentachtig euro en zestig cent)

voor welk bedrag in het geval volledige betaling noch volledig verhaal volgt vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van

86 (zesentachtig) dagen,

met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis deze betalingsverplichting niet opheft.

Verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer en omgekeerd.

Dit arrest is gewezen door mr. M.L.C.C. de Bruijn-Lückers, mr. R.C.A. Duindam en mr. J.A.C. Bartels, in bijzijn van de griffier mr. E.J.M. van der Laan.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 17 maart 2009.

Mr. J.A.C. Bartels is buiten staat dit arrest te ondertekenen.