Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BH6455

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-02-2009
Datum publicatie
18-03-2009
Zaaknummer
105.005.294/01 / KG 06/1082 (oud)
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Machtiging tot verlof van t.b.s.-er.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Sector handel

Zaaknummer : 105.005.294/01

Rolnummer (oud) : KG 06/1082

Zaak-/rolnummer rechtbank: KG 06/659

arrest van de eerste civiele kamer d.d. 10 februari 2009

inzake

[Naam],

wonende te Nijmegen,

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. E.R. Schenkhuizen te ’s-Gravenhage,

tegen

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie, Dienst ITZ),

zetelende te 's-Gravenhage,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de Staat,

advocaat: mr. A. Th. M. ten Broeke te ’s-Gravenhage.

Het geding

Bij exploot van 7 augustus 2006 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 12 juli 2006, dat door de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage tussen partijen is gewezen. Bij memorie van grieven (met producties) heeft [appellant] drie grieven tegen dat vonnis opgeworpen, die door de Staat bij memorie van antwoord (met producties) zijn bestreden. Op 21 januari 2008 hebben partijen hun zaak ter zitting van het hof doen bepleiten, [appellant] door mr. F.J. Koningsveld, advocaat te Breda en de Staat door zijn procureur, beiden aan de hand van pleitnotities. [appellant] had op voorhand nog een aantal producties aan het hof gezonden.

De zaak is vervolgens aangehouden teneinde partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over hetgeen ter zitting is besproken.

De Staat heeft hierna een akte met producties genomen, waarop [appellant] bij antwoordakte heeft gereageerd. Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Het gaat in dit kort geding om het volgende.

1.1. In 1991 is aan [appellant] de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot dwangverpleging van overheidswege (de tbs-maatregel) opgelegd wegens onder meer een aantal zedendelicten. Na een verblijf in de Mesdag-kliniek is [appellant] overgeplaatst naar de W.P.J. Pompekliniek in Nijmegen (de Pompe-kliniek), waar hij sinds juli 2001 verblijft.

1.2. De tbs-maatregel is telkens verlengd. In het kader van de verlengingsbeslissingen is [appellant] van december 2003 tot en met februari 2004 in het Pieter Baan Centrum (PBC) in Utrecht opgenomen geweest voor onderzoek en advies over de behandeling. Het PBC stelde een voorzichtige resocialisatie voor onder strikte voorwaarden.

1.3. Bij de Pompekliniek heerste ernstige twijfel over de uiteindelijke haalbaarheid van dit resocialisatietraject, maar – om niet in een voortdurende strijd met [appellant] terecht te komen over het PBC-advies en – omdat haar inschatting was dat [appellant] niet meteen tot ernstige grensoverschrijdingen zou komen en de voorwaarden waaraan hij zich moest houden voldoende garanties boden om snel in te grijpen, was zij bereid het traject een kans te geven. De Pompekliniek diende vervolgens bij brief van 29 augustus 2005 een aanvraag in bij de Minister van Justitie (de Minister) haar te machtigen tot het verstrekken van (onbegeleid) verlof in het kader waarvan de resocialisatie kon plaatsvinden.

1.4. Aan de zijde van de Minister bestonden eveneens twijfels over de haalbaarheid van het door het PBC voorgestelde resocialisatietraject en hij vroeg een second opinion aan bij de klinisch psycholoog. R.E.J. Ziel (Ziel). Ziel concludeert in zijn rapport van 7 december 2005 aan de hand van onder meer de testuitslagen van het PBC (frustratietolerantie laag, impulsiviteit en hostiliteit hoog, geneigdheid grenzen te testen, sociale vaardigheid gering, gevoeligheid voor middelengebruik hoog waarbij geconcludeerd wordt dat het risico op agressief impulsief gedrag voortbestaat en middelengebruik kan leiden tot grensoverschrijdend seksueel ontremd gedrag) dat de delictgevaarlijkheid ook op korte termijn verhoogd is. Ziel concludeert voorts dat longstayplaatsing eerder is geïndiceerd dan resocialisatie.

1.5. In haar reactie van 14 februari 2006 op de rapportage van Ziel liet de Pompekliniek weten het grotendeels eens te zijn met diens stellingname, omdat ook volgens haar [appellant] een patiënt is met een hoog risico-profiel. De door [appellant] onder de tweede grief ingenomen stelling dat volgens de Pompe-kliniek sprake zou zijn van een matig risico-profiel hetgeen zou volgen uit haar aanvraag wordt dan ook niet door het hof gevolgd. De Pompe-kliniek liet echter wel weten, dat zij opteerde voor een voorzichtige en goed ingekaderde resocialisatiepoging. [appellant] werkte naar ieders tevredenheid vierenhalve dag buiten de kliniek, nam deel aan een dadergroep, had niet gepoogd te ontvluchten en het recidiverisico bleek door middel van strikte afspraken rondom verloven en drugsgebruik goed beheersbaar.

1.6. De Minister heeft uiteindelijk bij brief van 16 maart 2006 de aanvraag van de Pompekliniek voor een machtiging onbegeleid verlof ten behoeve van [appellant] afgewezen.

2. In dit kort geding vordert [appellant] op grond van onrechtmatige daad om de Staat op straffe van een dwangsom primair te bevelen opnieuw een machtiging tot onbegeleid verlof aan de Pompekliniek te geven en subsidiair een nieuwe beslissing omtrent het verlof en de resocialisatie te nemen. De meer subsidiaire vordering te bevelen een onafhankelijk deskundige in te schakelen om de mogelijkheden van onbegeleid verlof en verdere resocialisatie te bestuderen en daarover te adviseren is ter zitting van het hof van 21 januari 2008 ingetrokken.

3. Na verweer van de Staat heeft de voorzieningenrechter de vorderingen bij het vonnis van 12 juli 2006 afgewezen.

4. Hierna heeft zich het volgende voorgedaan.

4.1. De rechtbank Arnhem heeft op 15 december 2006 de tbs-maatregel verlengd met twee jaar.

[appellant] is tegen die verlengingsbeslissing in hoger beroep gegaan. Hij had in het kader van de verlengingsprocedure een rapport laten uitbrengen door C.J.F. Kemperman, zenuwarts, die concludeerde dat er voldoende ruimte was om binnen het kader van een tbs een resocialisatie te proberen. Genoemde Kemperman en onder anderen ook de directeur van de Pompekliniek (M. Drost, psychiater) zijn ter zitting van het hof Arnhem waar het beroep tegen de verlengingsbeslissing diende, als getuigendeskundigen gehoord. Kemperman en Drost waren het erover eens dat alles om risicomanagement draait. Dat moet worden afgestemd op het hoge risicoprofiel van [appellant].

4.2. Op 16 februari 2007 heeft de Pompekliniek een longstay-aanvraag bij de Minister ingediend. Ten behoeve van de beoordeling van die aanvraag is op verzoek van de Minister opnieuw rapportage uitgebracht, ditmaal door. T.S. van der Veer, psychiater en I.M. van Woudenberg, psycholoog. Deze deskundigen zagen, ondanks een hoog risicoprofiel, nog de nodige perspectieven en achtten een longstay-plaatsing nog niet aangewezen.

4.3. Na de behandeling ter zitting van dit hof van 21 januari 2008 heeft de Pompekliniek de longstay-aanvraag ingetrokken, zo leidt het hof met de Staat af uit de producties 3 en 4 van de Staat bij diens laatste akte.

5. Het gaat hier om de verpleging en behandeling van een ter beschikking gestelde (tbs-er). De verpleging en behandeling en de rechtspositie van een tbs-er is gebaseerd op de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden. Die wet kent de mogelijkheid van verlof (art.50) en proefverlof (art.51), indien de uit de stoornis van de geestvermogens voortvloeiende gevaarlijkheid van betrokkene dusdanig is teruggebracht dat zulks verantwoord is. De bevoegdheid tot het verlenen van (proef)verlof berust bij het hoofd van de tbs-kliniek; voor de uitoefening daarvan heeft hij machtiging van de Minister nodig.

De Beginselenwet geeft geen beklag- of beroepsmogelijkheid tegen de weigering een machtiging aan te vragen of de weigering een machtiging te verlenen. In die weigeringsgevallen is derhalve een taak voor de burgerlijke rechter weggelegd. Aangezien het hier de toetsing van een aan de Minister gegeven (bestuurlijke) bevoegdheid betreft, ligt ter beoordeling slechts voor de vraag of de Minister in redelijkheid heeft kunnen komen tot zijn weigering om de gevraagde machtiging te verlenen.

6. Voor zover [appellant] met zijn vordering bedoelt, dat de civiele rechter zonder dat er een aanvraag tot machtiging van de Pompekliniek is aan de Minister een bevel tot afgifte van een machtiging of een bevel tot het geven een nieuwe beslissing moet geven, kan hij niet in die vorderingen worden ontvangen. Hij had daarvoor eerst bij de Pompe-kliniek een weigering tot het indienen van een nieuwe aanvraag voor een machtiging moeten uitlokken.

7. Het hof vat de primaire en subsidiaire vordering echter zo op, dat [appellant] daarmee in wezen een en dezelfde vraag aan de rechter voorlegt, namelijk of de beslissing van de Minister van 16 maart 2006 (onder punt 17 van de memorie van grieven legt [appellant] er ook de nadruk op dat het in deze procedure om die beslissing gaat) waarbij hij weigerde de gevraagde machtiging aan de directeur van de Pompekliniek te geven, onrechtmatig is (omdat de Minister niet in redelijkheid tot die weigering had kunnen komen), wat zou moeten leiden tot het alsnog verstrekken van die door de Pompekliniek aangevraagde machtiging tot verlof. In die vorderingen kan hij wel worden ontvangen.

8. Deze opvatting brengt mee, dat het verweer van de Staat dat de vordering moet worden afgewezen omdat thans geen aanvraag van de Pompekliniek meer voorligt, gepasseerd wordt.

9. Bij de beantwoording van voormelde (onder 7 genoemde) vraag gelden de (ook door de rechtbank genomen) uitgangspunten dat de terbeschikkingstelling primair strekt tot bescherming van de samenleving tegen ernstig recidivegevaar, alsmede dat de Minister bij toepassing van zijn bevoegdheden op dit punt een ruime beslissingsmarge toekomt.

10. Uit het onder 6 en 7 overwogene vloeit voort dat het er in dit hoger beroep slechts om gaat of de Minister destijds in redelijkheid tot zijn weigering heeft kunnen komen en niet of hij dat ten tijde van het hoger beroep, aan de hand van alle nieuwe rapportages, heeft kunnen doen. Een oordeel over een nieuwe aanvraag ligt immers niet aan het hof voor.

11. De Minister had ten tijde van zijn beslissing de beschikking over de rapportage van het PBC, de Pompekliniek en Ziel. De Pompekliniek en Ziel waren eensgezind in hun oordeel dat sprake was van een hoog risicoprofiel bij [appellant]. Ziel achtte de kans van slagen van het resocialisatieproject klein en ook de Pompekliniek had ernstige twijfel over de haalbaarheid daarvan. Haar standpunt om dat toch te proberen was, zo volgt uit het onder 1.3 overwogene, een strategische keuze, ingegeven door de relatie tussen [appellant] en diens kliniek als behandelaar en begeleider. Uit het rapport van Ziel valt af te leiden dat de gevoeligheid voor middelengebruik hoog was, terwijl bij middelengebruik de kans op grensoverschrijdend (seksueel) ontremd gedrag groot is.

12. Aangezien de bescherming van de samenleving tegen ernstig recidivegevaar voor de Minister een zwaarwegend belang is, kan ook naar het oordeel van het hof niet worden gezegd dat de Minister onder deze omstandigheden op grond van de destijds voorhanden zijnde gegevens, bij afweging van alle belangen, in redelijkheid niet tot zijn weigering heeft kunnen komen. Dat een andere uitkomst mogelijk was geweest, maakt de beslissing van 16 maart 2006 nog niet onredelijk.

13. Van strijd met het motiveringsbeginsel is evenmin sprake. De Minister heeft ter onderbouwing van zijn weigering immers uitdrukkelijk verwezen naar onder meer het (ook in second opinion) vastgestelde hoge risicoprofiel, de regelmatig geconstateerde (mogelijke) betrokkenheid van [appellant] bij handel en gebruik van drugs binnen de kliniek, de benodigde structuur en controle om [appellant] op het rechte pad te houden en de eisen van veiligheid. Voor zover de tweede grief van [appellant] een motiveringsgebrek aan de orde stelt faalt deze dus.

14.Ten overvloede merkt het hof op, dat het vorenoverwogene onverlet laat, dat de nieuwe gegevens en rapportages kunnen worden betrokken in een door de Pompekliniek opnieuw in te dienen aanvraag voor een machtiging voor (onbegeleid) verlof.

15. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de grieven falen, zonder dat zij afzonderlijke behandeling behoeven. Het vonnis zal worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het bestreden vonnis;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van de Staat bepaald op € 296 aan griffierecht en op € 2.682 aan salaris voor de advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. A. Dupain, M.A. Tan-de Sonnaville en A.E.A.M. van Waesberghe en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 februari 2009 in aanwezigheid van de griffier.