Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BH6193

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-03-2009
Datum publicatie
24-03-2009
Zaaknummer
105.002.564-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overheidsaansprakelijkheid. IRT-affaire. Materiële en immateriële schade van informant wiens identiteit bekend is geworden. Zorgvuldige werving, begeleiding, afbouw en nazorg?

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAV 2009, 59
O&A 2009, 66
JA 2009/88 met annotatie van P. van den Broek
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector handel

Zaaknummer : 105.002.564/01

Rolnummer (oud) : 05/1

Rolnummer rechtbank : 03.1235

arrest van de eerste civiele kamer d.d. 24 maart 2009

inzake

[Naam],

wonende te Haarlem,

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. M.J.G. Uiterwaal te Amsterdam,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie),

zetelende te 's-Gravenhage,

geïntimeerde

hierna te noemen: de Staat,

advocaat: mr. C.M. Bitter te 's-Gravenhage.

Het geding

Bij exploot van 20 oktober 2004 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 21 juli 2004, door de rechtbank 's-Gravenhage gewezen tussen partijen. Bij memorie van grieven (met producties) heeft [appellant] elf grieven tegen het vonnis aangevoerd, welke door de Staat bij memorie van antwoord zijn bestreden. Daarna heeft [appellant] bij akte verdere producties ingebracht. Op 30 oktober 2008 hebben partijen de zaak voor het hof doen bepleiten, beide door hun advocaat aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnotities. [appellant] heeft ook zelf het woord gevoerd. Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. De eerste en derde grief van [appellant] richten zich tegen de vaststelling van de feiten door de rechtbank. Het hof zal met deze grieven rekening houden. Zij leiden niet tot de vaststelling van een zodanig ander feitencomplex dat zij tot vernietiging van het vonnis moeten leiden.

2.1 Met inachtneming van het in rechtsoverweging 1 overwogene gaat het in deze zaak om het volgende. [appellant] is in 1989 aangezocht en geworven als informant van de toenmalige Regionale Criminele Inlichtingendienst (RCID) Kennemerland. In de periode 1989-1995 heeft [appellant] werkzaamheden verricht voor de RCID Kennemerland, de RCID Rotterdam-Rijnmond en de RCID Gooi- en Vechtstreek. Aanvankelijk werd [appellant] begeleid door de RCID Kennemerland, vanaf 1994 ook door de RCID Rotterdam-Rijnmond. Eerst trad [appellant] op als informant ter zake van diefstal van auto’s en vervalsing van kentekens, na een tweetal jaren verrichtte hij als informant en infiltrant werkzaamheden in het kader van politieonderzoeken die gericht waren op transporten van grote hoeveelheden hard- en/of softdrugs.

2.2 In de loop van1994 is besloten de contacten met [appellant] als informant/infiltrant te gaan afbouwen. Deze afbouw heeft in de periode van maart 1994 tot en met september 1995 plaatsgevonden.

2.3 Op 28 september 1995 heeft [appellant] met de chefs van de RCID-en Kennemerland en Rotterdam-Rijnmond een convenant gesloten, waarin is vermeld dat wordt onderkend dat het vooralsnog noodzakelijk is dat wordt voorzien in een optimale begeleiding en dat daarom het volgende wordt overeengekomen:

(…)

4) De informant wordt de mogelijkheid geboden om gebruik te maken van een beschermingsprogramma. De informant verklaart hiervan geen gebruik te willen maken.

(…)

9) De informant behoud(t) te allen tijde het recht op professionele psychologische c.q. psychiatrische bijstand indien dit in verband met zijn activiteiten als informant noodzakelijk is.

2.4 Bij brief van 3 februari 1998 is namens [appellant] aan de Staat een overzicht verstrekt van de volgens hem in het kader van de afbouw als informant noodzakelijk gemaakte c.q. te maken kosten van.(bedrijfs)investeringen, bescherming, juridische bijstand en beveiliging tot een bedrag van ƒ 589.500,-. De Staat heeft geweigerd deze te voldoen. Bij brief van 12 augustus 1999 heeft [appellant] de Staat gesommeerd binnen veertien dagen een schadevergoeding van ƒ 1.094.500,- te betalen. De Staat heeft daaraan geen gevolg gegeven.

2.5 [appellant] heeft in 1999 in kort geding bij de rechtbank 's-Gravenhage een voorschot op de schadevergoeding gevorderd van ƒ 200.000,-. De president heeft de vordering afgewezen. Het hof heeft in hoger beroep dat vonnis bekrachtigd.

3. [appellant] heeft in deze procedure bij de rechtbank (in hoofdzaak en samengevat) gevorderd dat deze

I. voor recht zal verklaren dat de Staat aansprakelijk is voor zijn materiële en immateriële schade als gevolg van het onrechtmatig handelen van de Staat;

II. de Staat zal veroordelen aan hem bovenbedoelde schade, op te maken bij staat en vermeerderd met rente, dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag te voldoen.

De rechtbank heeft de vordering afgewezen.

4. [appellant] vordert in hoger beroep dat het hof

primair

I. de Staat zal veroordelen zijn immateriële schade, begroot op € 150.000,-, te vergoeden;

II. voor recht zal verklaren dat de Staat gehouden is de honoraria te vergoeden van [appellant]’s psychiater, dr. [...], of een andere door hem te kiezen psychiater, zowel voor de reeds verrichte als de nog te verrichten behandelingen, voor zover deze behandelingen niet door zijn ziektekostenverzekering worden vergoed, ten aanzien van de reeds opengevallen declaraties binnen twee weken na betekening van dit arrest;

III de Staat zal veroordelen tot betaling van de door hem gederfde inkomsten van 1995 tot en met 2006, zijnde € 420.783,-;

IV. zal bepalen dat de Staat de door hem gederfde inkomsten over de jaren 2007 en volgende dient te voldoen, ter hoogte van een te indexeren bedrag van € 38.253,- per jaar;

V. de Staat zal veroordelen tot betaling van zijn reeds becijferde beveiligingskosten ad € 13.613,41;

VI. zal bepalen dat de Staat zijn gemaakte maar nog niet becijferde beveiligingskosten, op te maken bij staat, dient te voldoen;

met buitengerechtelijke incassokosten en rente;

subsidiair

de Staat zal veroordelen tot betaling van een in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met. buitengerechtelijke incassokosten en rente;

meer subsidiair

voor recht zal verklaren dat de Staat onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade,

een en ander met veroordeling van de Staat in de kosten van beide instanties.

5. [appellant] grondt zijn vorderingen er in hoger beroep op, dat de Staat jegens hem tot schadevergoeding gehouden is, omdat de Staat in drie opzichten onrechtmatig heeft gehandeld. In de eerste plaats brengt hij naar voren dat de Staat hem, gezien zijn persoon, nooit als informant had mogen inzetten ten behoeve van onderzoeken naar georganiseerde grootschalige drugssmokkel. Vervolgens voert hij aan dat de Staat hem niet zorgvuldig heeft “afgebouwd” in die zin dat zijn identiteit bekend kon worden aan de criminele organisaties waarover hij aan de Staat informatie had verschaft. Ten slotte stelt hij dat hij door de Staat tijdens en na zijn werkzaamheden niet adequaat (psychisch) is begeleid.

Inzetten als informant

6. [appellant] stelt in zijn tweede grief en de toelichting daarop, dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld, immers in strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid, door niet te onderzoeken of hij psychisch en fysiek geschikt was voor de informantenwerkzaamheden, in het bijzonder die welke betrekking hadden op transporten van grote hoeveelheden hard drugs, en dat dat des te onzorgvuldiger was omdat dat onderzoek voor de Staat eenvoudig te verrichten was, aangezien de Staat op de hoogte was van zijn levensgeschiedenis. Hij wijst daarbij op het door hem in hoger beroep overgelegde rapport van psychiater […] (verder: het rapport) en op de getuigenverklaringen van twee politiefunctionarissen die hem als informant hebben “gerund”.

7. De Staat heeft ten pleidooie aangevoerd dat de vordering van [appellant], voor zover gegrond op het onrechtmatig inzetten van [appellant] als informant/infiltrant, is verjaard. Het hof verwerpt dat verweer. De verjaring begint pas te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van de door hem geleden schade in te stellen. Dat was pas het geval nadat het rapport aan [appellant] bekend was geworden; immers daaruit bleek pas dat hij al voorafgaand aan zijn inzet als informant/infiltrant een premorbide stoornis had.

8. Het hof stelt voorop dat bij de beoordeling van de vraag of de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door [appellant] zonder bovenbedoeld onderzoek in te zetten op de wijze waarop dat is gedaan, moet worden uitgegaan van de ten tijde van dat inzetten bestaande opvattingen over wat van een zorgvuldig handelende overheid moet worden verwacht. De Staat heeft uiteengezet dat de beoordeling van de geschiktheid van een burger voor informatie/infiltratiewerkzaamheden destijds werd overgelaten aan de begeleidende politiefunctionarissen, die voorafgaand aan en tijdens de inzet gesprekken voerden met betrokkene, mede met het oog op de bepaling van zijn (blijvende) geschiktheid, en dat bij een beoogde “zwaardere” inzet mede acht werd geslagen op voorafgaande ervaringen. De Staat heeft betwist dat bij die beoordeling een verder onderzoek naar de fysieke en psychische geschiktheid van betrokkene gebruikelijk was. Het hof is van oordeel dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat in de jaren waarin [appellant] als informant werd ingezet, in het algemeen een rechtsplicht voor de Staat jegens de informant bestond om hem tevoren – of in de loop van de activiteiten ingeval de inzet “zwaarder”werd – aan een psychisch of fysiek onderzoek te onderwerpen. Het staat niet ter beoordeling van het hof of het instellen van een dergelijk onderzoek verstandig of nuttig zou zijn, zowel in het belang van de Staat met het oog op de beperking van risico’s voor het strafrechtelijk onderzoek als in het belang van de informant zelf. Dat neemt niet weg dat de Staat door het achterwege laten van een dergelijk onderzoek een risico neemt dat de informant niet bestand blijkt tegen de druk waaraan hij wordt blootgesteld, en dat dit een rol kan spelen in het kader van de bij de zevende en achtste grief te behandelen vraag of de staat gehouden is de schade die de informant als gevolg van die druk lijdt, geheel of gedeeltelijk te vergoeden. De vraag is vervolgens of de betreffende politiefunctionarissen bij dat aanwerven en “zwaarder” inzetten van [appellant] zodanige aanknopingspunten hadden dat zij hem redelijkerwijs niet zonder verder onderzoek (verder) hadden mogen inzetten. Zodanige aanknopingspunten kunnen niet worden gevonden in het rapport, nu dat pas (veel) later is opgemaakt en geen aanwijzingen bevat dat de in het rapport beschreven niet adequate psychische toestand van [appellant] aan de politiefunctionarissen duidelijk moet zijn geweest. Evenmin zijn daarvoor de door [appellant] aangehaalde opvattingen van andere politiefunctionarissen voldoende, aangezien deze blijkens hun verklaringen, zo zij al in politieverband naar voren zijn gebracht ([C] verklaart daar niet over), pas kunnen zijn geuit in 1993 ([E] had pas vanaf toen contact met [appellant]), toen de periode waarin [appellant] werd ingezet ten einde liep, en zij bovendien worden weersproken door een andere politiefunctionaris. Ook kan daartoe niet de omstandigheid dienen dat [appellant] in zijn jeugd is onderworpen geweest aan een ondertoezichtstelling en opname in een gesloten jeugdinrichting. [appellant] heeft niet uiteengezet dat en met welke mate van detaillering hij zijn levensgeschiedenis heeft besproken met de politiefunctionarissen die bij zijn inzet als informant waren betrokken. Geen rechtsregel verplichtte de betrokken politiefunctionarissen ertoe ambtshalve een onderzoek te doen naar eventuele toepassing van het jeugdrecht op [appellant]. Een ondertoezichtstelling met daarop gevolgde opname brengt bovendien op zich nog niet de noodzaak van verder (psychiatrisch of psychologisch) onderzoek voorafgaande aan de (zwaardere) inzet van betrokkene als informant/infiltrant met zich mee. De grief faalt.

Afbouwen

9. De vierde, vijfde en zesde grief vallen het oordeel van de rechtbank aan over de klacht dat [appellant] niet zorgvuldig is afgebouwd. Zij zullen gezamenlijk worden behandeld. Het betoog van [appellant] komt erop neer dat de Staat bij zijn afbouw onaanvaardbare risico’s heeft genomen die ertoe hebben geleid dat zijn identiteit bij de criminele organisaties waarop hij werkte bekend is geworden, althans heeft kunnen worden. [appellant] brengt naar voren dat door het plotselinge opheffen van het IRT de daardoor gehanteerde methode publiek bekend werd en tevens dat, doordat het OM geen doorlating van drugs meer toestond, de betreffende criminele organisaties merkten dat er een lek in hun leveringstraject zat, wat tot ernstig gevaar voor het bekend worden van de identiteit van [appellant] bij die organisaties leidde. Hij voert tevens aan dat ondanks het opheffen van het IRT en de beslissing van de minister om de methode van gecontroleerde invoer stop te zetten, hij door de RCID Rotterdam op een nieuw onderzoek is ingezet waarbij die methode werd toegepast, en dat bij het plotseling stoppen met die methode in dat onderzoek opnieuw gevaar ontstond voor het bekend worden van de identiteit van [appellant]. Daaraan voegt [appellant] toe dat aan het tweemaal abrupt afbreken van zijn informantenactiviteiten geen plan ten grondslag lag, hetgeen aan het bekend worden van zijn identiteit heeft bijgedragen en hem tevens voor het blok gezet heeft. Hij meent dat de Staat daardoor onzorgvuldig heeft gehandeld. Hij stelt dat dat ook het geval is als niet zou zijn vast te stellen dat de betreffende criminele organisaties werkelijk van zijn identiteit op de hoogte zijn gekomen, omdat hij door de onzorgvuldige afbouw gegronde vrees had – en bleef houden – dat zijn identiteit bekend zou worden en dat hierdoor zijn leven in gevaar zou komen.

10. De Staat heeft betwist dat het IRT plotseling is opgeheven en dat de afbouw van [appellant] daarmee verband hield. De Staat heeft niet weersproken dat door de leiding van RCID Kennemerland en Rotterdam besloten is een aantal drugstransporten dat [appellant] in zijn rol als informant met en voor zijn criminele contacten had voorbereid, niet meer zou worden doorgelaten en dat die ladingen in beslag zijn genomen. Het hof vindt in de door [appellant] overgelegde stukken daarvoor ook voldoende onderbouwing (o.a. het rapport het “Fortteam”; prod. 18 bij conclusie van repliek, blz. 8 e.v., de getuigenverklaring van [A]: prod. 8 bij conclusie van eis, blz. 2, en het eindrapport enquête opsporingsmethoden, prod. 2 bij memorie van grieven, blzz. 114-115). Dat daardoor een voor [appellant] ”levensbedreigende situatie” ontstond en dat [appellant] hoe langer hoe meer onder druk kwam te staan van de criminele organisaties waarbij hij zijn werk als informant verrichtte, dat hij daaronder dreigde te bezwijken en ten slotte in paniek raakte, wordt in het rapport van het Fortteam uitgebreid beschreven (blzz.10 t/m 14). Het eindrapport van de parlementaire enquête spreekt over het risico voor de informant bij bekend worden van zijn identiteit “geliquideerd te worden” en “dat de positie van de informant door alle gelek rondom de methode uitermate precair was geworden”. Een artikel in het Parool van 15 april 1995 (prod. 15 bij conclusie van repliek), met als kop “[appelant] alias [xxx]’ verdiende miljoenen met door justitie getolereerde drugshandel” laat geen twijfel over de inschakeling van [appellant] door de politie en over de door hem als informant verrichte werkzaamheden. Dat de criminele organisaties (mede) daardoor op de hoogte waren van [appellant]s rol is weliswaar niet bewezen, maar ligt wel voor de hand. Op zijn minst mocht [appellant] ervan uitgaan dat dat het geval was. Het rapport van het Fortteam vermeldt op pagina 15 dan ook: “vervolgens (dwz na het artikel in het Parool) brak er uiteraard paniek uit bij de informant daar hij nagenoeg ontmaskerd was door dit bericht.”

11. Het hof is van oordeel dat het besluit van de leiding van de RCID’s om [appellant] als informant af te bouwen en om een aantal van de drugsleveringen die via hem waren voorbereid, niet door te laten en in beslag te nemen, op zichzelf niet onrechtmatig is. De beoordeling van de risico’s bij gecontroleerd doorlaten van drugstransporten (bijvoorbeeld voor de volksgezondheid en de geloofwaardigheid van het opsporingsonderzoek) ligt bij de desbetreffende politie-instanties en het openbaar ministerie. De betrokken grote belangen die bij het uit de hand lopen van de leveringen kunnen worden geschaad, brengen mee dat bij het al dan niet afbreken van dergelijke transporten grote beleidsvrijheid bestaat. Het hof meent dan ook dat niet kan worden gezegd dat de Staat dat besluit na afweging van de betrokken belangen in redelijkheid niet had kunnen nemen. Dat neemt niet weg dat de Staat gehouden is om de schade te vergoeden die [appellant] ten gevolge van dat besluit heeft geleden en lijdt, voor zover die uitstijgt boven hetgeen hij als informant voor zijn eigen risico behoort te nemen. Dat [appellant] ernstige psychische schade heeft opgelopen door de gevaren die het afbreken van drugtransporten voor hem meebrachten, blijkt volgens het hof voldoende uit het rapport van psychiater [...]. Het hof is van oordeel dat de schade die uit die psychische beschadiging voortvloeit, niet behoort tot het risico dat [appellant] als informant voor lief had moeten nemen. Dat de Staat vergoeding van zulke schade aan [appellant] achterwege heeft gelaten, acht het hof jegens hem onrechtmatig. In zoverre zijn de grieven gegrond.

Onvoldoende begeleiding tijdens informantenwerkzaamheden

12. Met zijn zevende en achtste grief keert [appellant] zich tegen enkele overwegingen van de rechtbank betreffende zijn (psychische) begeleiding tijdens zijn optreden als informant en na de afbouw daarvan. In de toelichting op de grieven brengt hij naar voren dat hij tijdens zijn werkzaamheden niet overeenkomstig de noodzaak daartoe is begeleid. Hij wijst erop dat hij slechts is begeleid door runners, die gedurende het traject een aantal malen wisselden, dat hij niet door een psychiater is begeleid om hem bij te staan in de oplopende spanning van zijn werkzaamheden en dat hij door de Staat niet is getraind in het optreden als informant, bijvoorbeeld in recherchetechnieken, zelfverdediging, afschudden van achtervolgers en vermijden van risicovolle situaties.

13. De Staat heeft gemotiveerd betwist dat de begeleiding van [appellant] tijdens zijn optreden als informant onvoldoende was. [appellant] heeft als onderbouwing niet meer ingebracht dan dat het logische en noodzakelijke begeleidingen en trainingen zijn die de Staat aan elke rechercheur of politieagent geeft die voor hem wil werken. [appellant] was niet bij de Staat in dienst. Het enkele feit dat hij voor de Staat als informant en/of infiltrant is opgetreden, leidt er niet zonder meer toe dat de Staat toerekenbaar is tekortgeschoten door hem niet de voor werknemers eventueel gebruikelijke training en begeleiding te bieden. [appellant] heeft geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht die aannemelijk maken dat voor zijn optreden als informant en/of infiltrant in de trajecten waarbij hij betrokken was, de door hem nu genoemde (psychiatrische) begeleiding en trainingen noodzakelijk waren, dan wel – wat betreft de psychiatrische begeleiding – eerder hadden moeten zijn aangevangen dan in 1995, het jaar waarmee daarmee is begonnen. Daarbij acht het hof van belang dat niet is gesteld of gebleken dat [appellant] in die periode om psychiatrische begeleiding heeft gevraagd of dat het voor de hem begeleidende politiefunctionarissen voldoende duidelijk was dat hij die behoefde, en voorts dat in het rapport wordt geconcludeerd (blz. 25) dat [appellant] “tijdens zijn werkzaamheden voor het CID/I.R.T. nog wel redelijk (lijkt) begeleid”. De grieven leiden in zoverre niet tot resultaat.

Onvoldoende begeleiding na informantenwerkzaamheden

14. In zijn toelichting op de zevende en achtste grief brengt [appellant] ook naar voren dat hij na beëindiging van zijn informantenrol niet adequaat is begeleid, in het bijzonder dat de Staat hem geen adequate psychische begeleiding heeft gegeven. Hij betoogt dat hij in 1995 na een drietal sessies met psychiater Havinga aan een van zijn runners heeft aangegeven dat deze psychiater hem niet adequaat kon helpen, dat hij pas vanaf juni 1997 negen gesprekken heeft gehad met psychiater [...], waarna dit contact op initiatief van de CRI is verbroken, dat het vervolgens tot eind december 1998 heeft geduurd voordat hij weer psychische begeleiding kreeg (waarvan hij de toereikendheid betwijfelt gezien de complexe situatie waarin hij zich bevond), dat hij in het voorjaar van 2000 twee poliklinische contacten heeft gehad bij AMC/de Meren zonder concreet resultaat, en dat uiteindelijk pas in 2002 [...] het verzoek heeft gehad te bemiddelen bij het vinden van de zelfstandig gevestigde psychiater [...], die [appellant] ook nu nog behandelt. [appellant] stelt dat deze gebrekkige begeleiding onrechtmatig jegens hem is en dat daardoor zijn klachten zijn verergerd; hij verwijst daarvoor naar het rapport. Hij stelt voorts dat dit onzorgvuldig handelen nog steeds voortduurt aangezien de rekeningen van [...] ook na herhaalde aanmaning niet door de Staat zijn vergoed.

15. De Staat heeft daar tegenover gesteld dat [appellant] zich ondanks het convenant na stopzetting van zijn bezoeken aan de psychiater in 1995 niet met een verzoek om psychische begeleiding tot de Staat heeft gewend, dat [appellant] in maart 1998 een aanbod zijdens de Staat tot omzetting van ambtelijke psychiatrische bijstand in reguliere bijstand door een RIAGG-psychiater heeft geweigerd en dat na een verzoek van [appellant] in 2001 door de Staat is bemiddeld in de inschakeling van psychiater [...]. De Staat concludeert dat hieruit niet volgt dat hem verwijten treffen ten aanzien van het aanbod aan psychiatrische begeleiding. De Staat betwist ten slotte dat de rekeningen niet zijn betaald.

16. Het hof stelt voorop dat [appellant], van wie niet is gesteld of gebleken dat hij tevoren criminele antecedenten had, op verzoek en door toedoen van de Staat diep (en steeds dieper) verzeild is geraakt in het criminele milieu. Daardoor rust op de Staat na afloop van de inzet van [appellant] in dat milieu een zorgplicht jegens hem die de verantwoordelijkheid van de Staat voor andere burgers in ruime mate te boven gaat. Dat klemt temeer nu die inzet is beëindigd op een wijze die is gepaard gegaan met een mate van publiciteit die de kans op verdere aantasting van het fysieke en psychische welzijn van [appellant] ernstig heeft vergroot. Hoewel van de Staat niet kan worden verlangd dat hij [appellant] psychische begeleiding opdringt op momenten waarop deze laat blijken daaraan geen behoefte te hebben, mocht wel van de Staat verwacht worden dat hij onverwijld maatregelen neemt om in de nodige psychische begeleiding te voorzien zodra deze wordt gevraagd. Uit het rapport blijkt dat het aan adequate psychische begeleiding van [appellant] na de beëindiging van zijn inzet heeft ontbroken. Ook in de gevallen waarin de Staat om psychische begeleiding is verzocht, is deze, naar uit de door [appellant] overgelegde en door de Staat onvoldoende weersproken gegevens blijkt, niet onverwijld (immers pas na maanden) verwezenlijkt. Aldus heeft de Staat de urgentie van de psychische problematiek waar [appellant] mee kampte, miskend, terwijl het gelet op de inhoud van het convenant (onderdeel g) op de weg van de Staat had gelegen ter zake voldoende diligent te blijven. In zoverre is de Staat jegens [appellant] toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de op hem rustende zorgplicht, onderscheidenlijk in de nakoming van de uit het convenant voortvloeiende verplichting tot psychische bijstand. De gevolgen daarvan komen voor rekening van de Staat; daarop zal in het navolgende worden ingegaan. In zoverre slagen de zevende en achtste grief.

Bescherming en bedreigingen

17. Ten pleidooie is nog naar voren gebracht dat op de Staat tevens de zorgplicht rust om [appellant] na het bekend worden van zijn identiteit te beschermen tegen de negatieve invloeden daarvan. [appellant] voert aan dat hem niet op reële wijze een getuigenbeschermingsprogramma is aangeboden en stelt dat een zodanig programma ten tijde van het aanbieden niet bestond. Hij stelt verder dat hij voor september 1995 al schade door stress heeft geleden en beveiligingskosten heeft gemaakt. Hij stelt bovendien dat hij meermalen door criminelen is bedreigd, dat zijn zoontje is gegijzeld en dat hij ook eenmaal door criminelen is mishandeld. [appellant] meent dat de Staat ook in dit opzicht onzorgvuldig is geweest. Ook de tiende en elfde grief hebben hierop betrekking.

18. Uit rechtsoverweging 16 volgt dat het hof ervan uitgaat dat de zorgplicht die op de Staat jegens [appellant] rust, ook zijn veiligheid betreft; de Staat betwist dat ook niet. De Staat heeft in eerste aanleg wel gemotiveerd betwist dat aan [appellant] niet op reële wijze een getuigenbeschermingsprogramma is aangeboden; hij heeft daarbij verwezen naar de door [appellant] ter zake van het onder 4 van het convenant gemaakte keuze, alsmede naar de verklaring van getuige [D]. De vraag of de Staat indertijd op reële wijze een getuigenbeschermingsprogramma heeft aangeboden, dwz of [appellant] voldoende tijd is gegeven daarover te beslissen en of indertijd al zo een programma bestond, doet volgens het hof niet ter zake, omdat vast staat dat [appellant] toch niet voor opname in een getuigenbeschermingsprogramma in aanmerking wenste te komen, onder meer omdat de gezondheidstoestand van zijn vrouw dat niet toeliet, en voorts omdat de Staat uit een later, in 1997, door hem uitgevoerde dreigingsanalyse geconcludeerd heeft dat [appellant] niet voor opneming in een dergelijk programma in aanmerking kwam. Dat [appellant] ervan afzag om aan getuigenbeschermingsprogramma deel te nemen, houdt niet in dat hij daarmee voor altijd afzag van iedere bescherming door de Staat. Het hof acht het op zijn minst begrijpelijk dat [appellant] om de door hem genoemde persoonlijke redenen niet in een – toen nog onduidelijk – beschermingsprogramma wenste te worden opgenomen. De Staat had dan op andere wijze aan zijn hiervoor genoemde zorgplicht tot beveiliging moeten voldoen, aangenomen dat er voldoende aanwijzingen waren dat [appellant] beveiliging nodig had.

19. [appellant] heeft in eerste instantie gedetailleerde overzichten gegeven van de vanaf eind 1994 tegen hem gedane bedreigingen en tegen hem (en zijn zoon) uitgeoefend fysiek geweld door de criminelen, met wie hij als informant te maken had gehad en die verhaal kwamen halen voor mislukte drugstransporten (zie prods. 5 en 7 bij de conclusie van eis). [appellant] zou die incidenten steeds bij het CRI of CID Haarlem hebben gemeld, of, als de CID geen actie nam, bij de politie Haarlem. In de getuigenverklaringen van [A], [B] en [C] (als producties gevoegd bij de conclusie van eis) worden die gebeurtenissen voor een deel bevestigd. Hij heeft voorts naar voren gebracht dat hij zich ook in de jaren na zijn afbouw met regelmaat tot de politie van zijn woonplaats heeft gewend naar aanleiding van door hem als bedreigend ervaren situaties, maar dat daarop van de zijde van de politie nimmer een adequaat antwoord is gekomen. De Staat heeft betwist dat er van een reële dreiging jegens [appellant] sprake was, althans vanaf 1997, en heeft daarbij gewezen op een door hem in 1997 uitgevoerde dreigingsanalyse, die hij, naar zijn advocaat ten pleidooie desgevraagd heeft verklaard, om hem moverende reden niet in het geding brengt. De Staat heeft voorts aangevoerd dat het aan [appellant] zelf te wijten is dat zijn hoedanigheid als informant bekend is geworden omdat hij daarover herhaaldelijk tegen een groot aantal personen heeft gesproken, te weten (conclusie van antwoord, slot paragraaf 2) politiemensen in Haarlem, de belastingdienst en stafleden van de commissie-Van Traa en tijdens de behandeling van een strafzaak tegen zijn zoon.

20. In rechtsoverweging 10 heeft het hof overwogen dat met het rapport van het Fortteam, het enquêterapport en een getuigenverklaring voldoende is aangetoond dat [appellant] door het afbreken van door hem als informant, althans op zijn naam, voorbereide drugtransporten in een "levensgevaarlijke" situatie is geraakt. Dat de Staat hem in 1994 heeft aangeboden opgenomen te worden in een getuigenbeschermingsprogramma wijst daar ook op. De betwisting door de Staat van de door [appellant] gedetailleerd beschreven incidenten, waarbij dat gevaar daadwerkelijk tot uiting zou zijn gekomen en waarvan de melding door [appellant] bij het CID voor een deel in getuigenverklaringen is bevestigd, acht het hof onvoldoende onderbouwd. De enkele verwijzing naar een dreigingsanalyse in 1997, die niet is overgelegd en over de inhoud waarvan de Staat geen informatie geeft, acht het hof onvoldoende weerlegging van het bestaan van een voor [appellant] zeer bedreigende situatie. Het hof volgt de Staat ook niet in zijn stelling dat [appellant] het aan zichzelf te wijten heeft dat zijn hoedanigheid als informant bekend is geworden. Dat hij aan een aantal overheidsfunctionarissen, van wie overigens vertrouwelijke behandeling mag worden verwacht, over die hoedanigheid heeft gesproken, weegt niet op tegen de voor het gehele publiek kenbare artikel in het Parool van 15 april 1995, waardoor [appellant] volgens het rapport van het Fortteam "nagenoeg ontmaskerd" was.

21. Zoals in de rechtsoverwegingen 8 en 13 is overwogen, is het hof van oordeel dat de Staat niet toerekenbaar jegens [appellant] is tekortgeschoten bij het aantrekken en runnen van [appellant] als informant. Tussen partijen staat voorts vast dat [appellant] de verdiensten uit zijn optreden als informant/infiltrant mocht behouden en dat hij door de Staat fiscaal is gefaciliteerd. [appellant] heeft niet gesteld dat hij met een of meer van zijn runners of anderszins met een RCID is overeengekomen dat de door hem te maken beveiligingskosten zouden worden vergoed. Gelet hierop mocht de Staat ervan uitgaan dat hij, net als de criminelen met wie hij omging, zijn beveiligingskosten uit bovenbedoelde inkomsten zou dekken. Dat leidt ertoe dat zijn beveiligingskosten, voor zover gemaakt tot aan het einde van zijn afbouw, niet door de Staat behoeven te worden vergoed.

22. Het hof is evenwel van oordeel dat de kosten van beveiliging die [appellant] na de beëindiging van zijn inzet als informant heeft gemaakt, in beginsel voor vergoeding in aanmerking komen. Hiervoor is overwogen dat er voor [appellant] voldoende aanleiding bestond om voor ernstig gevaar te vrezen na die beëindiging en ook dat zijn weigering om in een beschermingsprogramma te worden opgenomen de Staat niet van zijn zorgplicht tot beveiliging ontsloeg. Door op de vraag om beveiliging van [appellant], die in een bijzondere positie verkeerde, na zijn afbouw onvoldoende serieus te reageren heeft de Staat in strijd met de jegens hem in acht te nemen zorgvuldigheid gehandeld. Van [appellant] mocht in die omstandigheden worden verwacht zelf de redelijkerwijs noodzakelijk te achten maatregelen ter bescherming van zijn veiligheid te nemen, voor zover deze wettelijk waren toegelaten. Voor zover die maatregelen nodig waren om voor [appellant], mede gezien de psychische situatie waarin hij verkeerde, het gevoel van onveiligheid te minimaliseren, dienen die kosten eveneens voor rekening van de Staat te komen. Het hof merkt hierbij op, dat dit oordeel slechts betrekking heeft op de periode tot dit arrest en dat voor de toekomst blijft gelden dat de keuze tussen deelname aan een beschermingsprogramma en vergoeding van door hemzelf te maken beveiligingskosten niet aan [appellant] toekomt. Het gaat ervan uit dat de Staat voor het toekomende op diligente wijze voor de beveiliging van [appellant] zal zorgdragen.

Schade

23. De negende grief richt zich tegen de overweging van de rechtbank dat onduidelijk is ter zake van welk soort kosten en/of schade volgens [appellant] een financiële compensatie zou moeten worden verstrekt. [appellant] heeft zijn vordering is hoger beroep in die zin gespecificeerd dat zijn vordering zich richt op vergoeding van immateriële schade, betaling van de honoraria van een psychiater, vergoeding van gederfde inkomsten en vergoeding van beveiligingskosten.

24. Uit rechtsoverweging 11 volgt dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door de psychische schade van [appellant] ten gevolge van voor hem optredende ernstige gevaren door het abrupte afbreken van de transporten niet te vergoeden. Uit rechtsoverweging 16 volgt dat de Staat toerekenbaar is tekortgeschoten bij de psychiatrische begeleiding van [appellant] na zijn afbouw. [appellant] heeft zijn immateriële schade begroot op € 150.000,-. Ter onderbouwing verwijst [appellant] naar de rapportages van psychiaters die hem hebben onderzocht. De Staat betwist zowel het oorzakelijk verband tussen de beweerde schade en zijn optreden als de hoogte van de gestelde schade. De Staat wijst er daarbij op dat veel van de opmerkingen uit de rapporten afkomstig zijn of gebaseerd zijn op informatie van [appellant].

25. In het rapport wordt als antwoord op vraag 2a onder meer vermeld dat betrokkene lijdt aan een aanpassingsstoornis met depressieve stemming en stoornis in het gedrag (suïcidaliteit, automutilatie) en dat daarop niet alleen de spanning en stress van de jaren 1989-1995 een grote impact hebben gehad, maar dat ook betrokkene’s gevoel in de steek gelaten en onvoldoende begeleid en ondersteund te zijn een prominente rol heeft gespeeld. Op vraag 2c wordt geantwoord dat na het einde van de IRT extra in betrokkene geïnvesteerd had moeten worden om de psychische schade binnen de perken te houden. Mede in het licht van de overige door [appellant] aangehaalde rapportages is het hof van oordeel dat daarmee voldoende is komen vast te staan dat [appellant] psychische schade heeft geleden door de abrupte beëindiging van de transporten en door onvoldoende psychiatrische begeleiding na zijn afbouw. De betwisting door de Staat van het rapport op de enkele grond dat het is gebaseerd op informatie van [appellant] zelf acht het hof onvoldoende. Psychiatrische rapportages zijn doorgaans gebaseerd op gesprekken met de patiënt en de Staat heeft niet gesteld waarom in dit geval de psychische schade van [appellant] en de oorzaak daarvan niet (alleen) uit onderzoek van [appellant] zelf kan worden vastgesteld. De omstandigheid dat [appellant] al een psychiatrische voorgeschiedenis heeft, brengt niet mee dat de psychische schade waaraan [appellant] na de beëindiging van zijn inzet als informant lijdt niet aan de Staat toerekenbaar is. Dat de schade die [appellant] als gevolg van zijn inzet en ontoereikende psychische begeleiding naderhand ondervindt groter is omdat hij al eerder aan depressieve klachten leed, komt voor risico van de Staat als laedens. Dat geldt temeer nu de Staat [appellant] als informant heeft ingezet zonder te hebben onderzocht in hoeverre hij daarvoor psychisch geschikt was. Dat [appellant] daarom (eerder) door de druk zou bezwijken en in de psychische problemen is geraakt die door het rapport zijn beschreven, komt ook daarom voor rekening van de Staat. Het hof gaat ervan uit dat [appellant] door bovengenoemde gebrekkige begeleiding schade in de persoon heeft geleden. Gelet op enerzijds de zwaarte van de druk die zich bij [appellant] reeds aan het einde van de afbouw kenbaar manifesteerde en de mate waarin de gebrekkige begeleiding deze druk kan hebben versterkt, en anderzijds de omstandigheid dat hij nog steeds op kosten van de Staat psychiatrisch wordt begeleid zal het hof deze schade ex aequo et bono vaststellen op € 50.000,-.

26. [appellant] heeft voorts vergoeding gevorderd van gederfde inkomsten, gebaseerd op een jaarlijks bedrag van € 38.253,-. Hij stelt dat hij ten gevolge van het onzorgvuldig handelen van de Staat arbeidsongeschikt is geworden; hij verwijst daarvoor naar het rapport. De Staat voert aan dat [appellant] zijn stelling onvoldoende heeft onderbouwd: het rapport is daarover bijzonder kort. [appellant] heeft voorts geen bescheiden overgelegd waaruit blijkt dat hij ter zake een uitkering heeft gekregen en dat re-integratie van aanvang af onmogelijk was en daarmee is onaannemelijk dat sprake is geweest van (volledige) arbeidsongeschiktheid van [appellant] vanaf 1995 tot aan zijn pensioengerechtigde leeftijd, aldus de Staat. Subsidiair betwist de Staat de hoogte van de gestelde inkomensschade.

27. Het hof acht het aannemelijk dat [appellant] ten gevolge van de door hem opgelopen psychische schade tevens ten minste enige schade heeft opgelopen in zijn verdienvermogen. Aan het hof ontbreken evenwel de benodigde gegevens om tot een vaststelling van die schade te komen. Deze kan het hof niet uitsluitend bepalen op basis van het vóór de inzet van [appellant] als informant door hem genoten inkomen. Evenmin kan het ervan uitgaan dat op grond van het enkele rapport vast staat dat [appellant] sinds zijn afbouw volledig arbeidsongeschikt is ten gevolge van de sindsdien bij hem opgetreden psychische schade. Het hof zal de vaststelling van de door [appellant] ten gevolge van zijn psychische schade geleden inkomensschade daarom verwijzen naar de schadestaatprocedure. Daarin zal [appellant] de mate waarin hij door de bovenbedoelde psychische schade arbeidsongeschikt is geworden en de arbeidskundige aspecten van de voor hem vastgestelde medisch/psychiatrische beperkingen verder kunnen onderbouwen.

28. Uit de rechtsoverwegingen 21 en 22 volgt, dat de Staat gehouden is de door [appellant] na 28 september 1995 en voor de dagtekening van dit arrest gemaakte beveiligingskosten te vergoeden, voor zover deze redelijkerwijs noodzakelijk kunnen worden geacht voor de bescherming van zijn veiligheid en ter minimalisatie van zijn gevoel van onveiligheid. [appellant] heeft in hoger beroep aan beveiligingskosten een bedrag van € 13.613,41, gevorderd, alsmede een bij schadestaatprocedure te bepalen bedrag aan reeds gemaakte maar nog niet berekende beveiligingskosten. De Staat heeft de vordering terzake betwist en aangevoerd dat deze kosten deels zijn gemaakt in verband met ziekte van de vrouw van [appellant] en bovendien niet is gebleken van de noodzaak daarvan.

29. Het hof zal de vaststelling van de hoogte van door de Staat te vergoeden beveiligingskosten geheel verwijzen naar de schadestaatprocedure. Daarin zal [appellant] zijn in de bovenomschreven periode gemaakte beveiligingskosten kunnen specificeren en de noodzaak daarvan voor zijn beveiliging of voor het minimaliseren van zijn gevoel van onveiligheid nader kunnen onderbouwen. Tevens zal daarin kunnen worden vastgesteld in hoeverre de gemaakte kosten (mede) zijn gemaakt in verband met de ziekte van de vrouw van [appellant].

30. [appellant] vordert ten slotte een verklaring voor recht dat de Staat gehouden is de rekeningen van zijn psychiater te betalen, en wel, voor zover de declaraties reeds zijn opengevallen, binnen twee weken na betekening van dit arrest. De Staat betwist niet dat hij deze rekeningen dient te betalen, maar stelt dat alle facturen inmiddels betaald zijn, en voorts dat hij bij niet betaalde rekeningen niet aan zijn verplichting is herinnerd.

31. De verplichting tot betaling van de betreffende rekeningen vloeit voort uit het in rechtsoverweging 2.3 aangehaalde convenant. Nu de Staat de verschuldigdheid van de betreffende declaraties niet heeft betwist en [appellant] niet meer heeft betwist dat ten tijde van de pleidooien de rekeningen van psychiater [...] waren voldaan, mist [appellant] bij dit deel van de vordering voldoende belang.

32. Een en ander brengt het hof tot de slotsom dat de negende grief gedeeltelijk slaagt. Het vonnis van de rechtbank zal worden vernietigd, de primaire vorderingen van [appellant] zullen gedeeltelijk worden toegewezen als na te melden en zijn vorderingen zullen voor het overige worden afgewezen. Dat geldt ook voor de vordering van buitengerechtelijke incassokosten nu deze vordering door de Staat is betwist en de kosten door [appellant] niet zijn gespecificeerd. De wettelijke rente over de immateriële schadevergoeding zal zoals gevorderd worden toegewezen vanaf 3 februari 1998. Over de wettelijke rente inzake de gedeelten van de vordering die in de schadestaatprocedure aan de orde zijn, kan in dat kader worden beslist. Aangezien de Staat in overwegende mate in het ongelijk wordt gesteld zal deze de kosten (zowel in eerste aanleg als in hoger beroep) moeten dragen.

Beslissing

Het hof:

- vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 21 juli 2004;

en, opnieuw rechtdoende:

- veroordeelt de Staat om aan [appellant] € 50.000,- te betalen ter zake van vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 februari 1998 tot aan de dag der algehele voldoening;

- verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

- veroordeelt de Staat om aan [appellant] de schade te vergoeden die deze heeft geleden door zijn arbeidsongeschiktheid, voor zover deze het gevolg is geweest van de psychische schade die hij heeft opgelopen door de abrupte beëindiging van de transporten en door onvoldoende psychiatrische begeleiding na zijn afbouw, te bepalen bij staat en te vereffenen volgens de wet;

- veroordeelt de Staat om aan [appellant] de beveiligingskosten te vergoeden die hij tussen 29 september 1995 en de dagtekening van dit arrest heeft gemaakt, voor zover deze redelijkerwijs noodzakelijk waren zijn voor zijn beveiliging of voor het minimaliseren van zijn gevoel van onveiligheid, te bepalen bij staat en te vereffenen volgens de wet;

- veroordeelt de Staat in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van [appellant] tot op 21 juli 2004 vastgesteld op € 1.651,16, waarvan te voldoen:

(a) aan de griffier van de rechtbank € 1.599,91, te weten € 153,75 voor in debet gesteld griffierecht, € 1.365,- voor salaris advocaat en € 81,16 aan dagvaardingskosten, waarmee de griffier zal handelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 243 Rv,

(b) aan [appellant] € 51,25 voor niet in debet gesteld griffierecht;

- veroordeelt de Staat in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [appellant] tot op heden vastgesteld op € 3.053,78, waarvan te voldoen:

(a) aan de griffier van het hof € 2.981,78, te weten € 216,- voor in debet gesteld griffierecht, € 2.682,- voor salaris advocaat en € 83,78 aan dagvaardingskosten, waarmee de griffier zal handelen overeenkomstig het bepaalde in art. 243 Rv, en

(b) aan [appellant] € 72,- voor niet in debet gesteld griffierecht;

- verklaart deze kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst de vorderingen af voor het overige.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.V. van den Berg, A.E.A.M. van Waesberghe en D.J. de Brauw en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 maart 2009 in aanwezigheid van de griffier.