Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2009:BH5898

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-02-2009
Datum publicatie
12-03-2009
Zaaknummer
BK-08/00263
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Na verwijzing HR 11 juli 2008, nr. 41.590, LJNBD6823. Verontreinigingsheffing. Belanghebbende is gebruiker van het festivalterrein en het terrein is bedrijfsruimte. Belanghebbende heeft onvoldoende gesteld om aan te nemen dat meer kubieke meters water zijn afgenomen dan zijn gemeten tijdens de festivalweken. Belanghebbende heeft verzuimd tijdig aangfite te doen. De verzuimboete is terecht opgelegd maar wordt verminderd in verband met overschrijding van de redelijke termijn ex art. 6 EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2009/669 met annotatie van Redactie
V-N 2009/25.26 met annotatie van Redactie
FutD 2009-0578
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer: BK-08/00263

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer d.d. 17 februari 2009

op het beroep van stichting X te Z tegen de uitspraken van de Inspecteur, de heffingsambtenaar van het Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht (hierna: het Hoogheemraad-schap) betreffende na te melden aanslagen en boetebeschikkingen.

Aanslagen, boetebeschikkingen, bezwaren en verloop van de procedure

1.1. Aan belanghebbende zijn voor de jaren 2000 en 2001 aanslagen in de verontreinigings-heffing van het Hoogheemraadschap opgelegd ten bedrage van € 799,81 onderscheidenlijk € 1.452,28 alsmede boetes van € 39,99 onderscheidenlijk € 217,84. Voor het jaar 2003 is aan belanghebbende een voorlopige aanslag in de verontreinigingsheffing van het Hoog-heemraadschap opgelegd ten bedrage van € 790,20.

1.2. De aanslagen alsmede de boetebeschikkingen zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende is van de bovenvermelde uitspraken in beroep gekomen bij het Ge-rechtshof te Amsterdam. Dat Hof heeft bij uitspraak van 18 november 2004, nr. P03/02369, het tegen die uitspraken ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraken van de heffings-ambtenaar vernietigd, de aanslagen en boetebeschikkingen vernietigd en de Inspecteur gelast het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 232 te vergoeden.

1.4. Het Dagelijks Bestuur van het Hoogheemraadschap heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft bij arrest van 11 juli 2008, nummer 41.590, LJN: BD6823, het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam ver-nietigd en het geding ter verdere behandeling naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage verwe-zen.

1.5. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het arrest van de Hoge Raad. Daarvan heeft eerst de Inspecteur op 8 augustus 2008, en na toezending aan haar van een afschrift van die uitlating, belanghebbende gebruik gemaakt. De Inspecteur is daarop in de gelegenheid gesteld van belanghebbendes uitlating kennis te nemen.

1.6. Een onderzoek ter zitting van de zaak heeft niet plaatsgehad. Partijen hebben het Hof schriftelijk toestemming verleend een dergelijk onderzoek achterwege te laten.

Vaststaande feiten

2.1. In het geding na verwijzing dient te worden uitgegaan van de door het Gerechtshof te Amsterdam onder 3.1 tot en met 3.3 van zijn uitspraak vastgestelde, in cassatie niet bestre-den, feiten.

2.2. Voorts zal het Hof na verwijzing uitgaan van de navolgende door de Hoge Raad in deze zaak gegeven oordelen:

3.3.1. (…) In de onderhavige verordeningen is de term bedrijfsruimte gedefinieerd als een naar zijn aard of inrichting als afzonderlijk geheel te beschouwen terrein of ruimte, niet zijnde een woonruim-te. Een terrein of ruimte is als afzonderlijk geheel te beschouwen indien dat terrein of die ruimte kan worden gebruikt zonder dat de gebruiker voor het gebruik meer dan bijkomstig afhankelijk is van el-ders aanwezige voorzieningen (vgl. o.a. HR 23 juni 1984, nr. 21118, BNB 1982/234 en de memorie van toelichting op het huidige artikel 17 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (hierna: de Wet), Kamerstukken II 1998/99, 26 367, nr. 3, blz. 22).

3.3.2. (…)

3.3.3. Uit 's Hofs uitspraak of de stukken van het geding blijkt niet dat (belanghebbende voor het Hof heeft aangevoerd dat) het festivalterrein niet kan worden gebruikt zonder dat de gebruiker meer dan bijkomstig afhankelijk is van elders aanwezige voorzieningen. Dit brengt met zich dat hier spra-ke is van bedrijfsruimte in de zin van de verordeningen.

3.4. (…) Nu belanghebbende activiteiten op het festivalterrein organiseert en in verband daarmee water- en toiletvoorzieningen heeft laten treffen, gebruikt zij in de desbetreffende periode in zoverre dat festivalterrein en mag zij in die periode eveneens in zoverre voor de verontreinigingsheffing als gebruiker van dat festivalterrein worden beschouwd. Hieraan staat niet in de weg dat het festivalter-rein gedurende de activiteiten zijn openbaar karakter behoudt.

Omschrijving geschil, standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil of de onderhavige (voorlopige) aanslagen in de verontrei-nigingsheffing en de boeten terecht zijn opgelegd, welke vraag door belanghebbende ont-kennend en door de Inspecteur bevestigend wordt beantwoord.

3.2. Het beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraken van de Inspec-teur alsmede van de aanslagen en de boetebeschikkingen.

3.3. De Inspecteur heeft geconcludeerd tot bevestiging van de bestreden uitspraken.

Overwegingen omtrent het geschil

4.1. Gelet op de overwegingen in voormeld arrest dient belanghebbende als gebruiker van het festivalterrein te worden aangemerkt en dient het terrein als bedrijfsruimte in de zin van de verordeningen te worden aangemerkt. De Hoge Raad heeft de zaak verwezen voor beoor-deling van de geschilpunten waaraan het Hof te Amsterdam niet is toegekomen.

4.2. In de reactie op het verweerschrift van de Inspecteur heeft belanghebbende aangevoerd dat de watermeter alleen gedurende de periode van het festival op haar naam staat en dat zij niet verantwoordelijk kan worden gesteld voor het watergebruik gedurende het gehele jaar. Voorts heeft zij aangevoerd dat de opgenomen meterstanden in de achtereenvolgende jaren nogal fors van elkaar afwijken en dat er kans is dat anderen de waterpomp hebben gebruikt.

4.3. De Inspecteur heeft onder meer betoogd dat bij de berekening van de aanslag het tarief wordt vermenigvuldigd met het aantal vervuilingseenheden. Het aantal vervuilingseenheden wordt verkregen door het aantal naar het object toegevoerde en/of opgepompte kubieke me-ters water te vermenigvuldigen met de voor het desbetreffende bedrijf bestemde afvalwater-coëfficiënt. Op het festivalterrein is de aanwezigheid van water voor allerlei sanitaire hande-lingen van belang. Ten behoeve van deze watervoorziening is door het Waterleidingbedrijf van de gemeente Amsterdam een waterafleveringspunt aangebracht.

In een brief van 11 maart 2004 aan het Gerechtshof te Amsterdam heeft de Inspecteur daar-aan toegevoegd dat voor het festival in 2003 de watermeter is geplaatst op 30 juni 2003 en is afgesloten op 15 augustus 2003. Dat is het tijdvak waarin het A- festival plaatsvindt. Be-langhebbende heeft geen bezwaren aangetekend tegen de hoogte van de in de jaren 2001 tot en met 2003 gemeten hoeveelheden gebruikt water.

4.4. Naar ’s Hofs oordeel heeft belanghebbende onvoldoende gesteld dat zou kunnen leiden tot de conclusie dat meer kubieke meters afgenomen water zijn gemeten dan het aantal ku-bieke meters dat tijdens de festivalweken wordt gebruikt. Belanghebbendes stelling moet derhalve worden verworpen.

4.5. Op grond van het bepaalde in artikel 67a, eerste lid, van de AWR kan de inspecteur een verzuimboete opleggen aan de belastingplichtige als deze niet (tijdig) heeft voldaan aan zijn aangifteverplichtingen. Hiervan is sprake als de belastingplichtige niet binnen de op de aanmaning vermelde termijn zijn aangifte indient. Vaststaat dat belanghebbende de aangiftebiljetten 2000 en 2001 niet heeft ingediend. Hierdoor is sprake van een verzuim wegens het niet (tijdig) doen van aangifte. Terzake van dit verzuim heeft de Inspecteur aan belanghebbende verzuimboetes opgelegd. De hoogte van deze boetes acht het Hof passend en geboden. Wel acht het Hof redenen aanwezig de hoogte van de boetes te verminderen in verband met de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. De onderhavige boetebeschikkingen zijn op 28 februari 2003 genomen. Ten tijde van het doen van de onderhavige uitspraak zijn nagenoeg zes jaren verstreken. Het Hof acht het redelijk de boetebeschikkingen met twintig percent te verminderen tot (afgerond) € 32 en € 174.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht aangezien gesteld noch gebleken is dat be-langhebbende dienaangaande kosten heeft gemaakt.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- verklaart het beroep gegrond;

- handhaaft de aanslagen voor de jaren 2000 en 2001;

- handhaaft de voorlopige aanslag voor het jaar 2003;

- wijzigt de boetebeschikkingen in dier voege dat de boetebeschikking over het jaar 2000 wordt verminderd tot op € 32 en die over 2001 tot op € 174.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. J.W. Savelbergh, P.J.J. Vonk en J.J.J. Engel, in te-genwoordigheid van de griffier mr. Y. Postema. De beslissing is op 17 februari 2009 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingka-mer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden ver-zocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.